02-05-2012
105154 - 12.08 Interpretatiegeschil HBO met betrekking tot het taakbelastingsbeleid van de opleiding
Het taakbelastingsbeleid van de opleiding is van toepassing op de personeelsleden en heeft gevolgen voor de rechtspositie van het personeel. Het voorstel over het taakbelastingsbeleid betreft daarom een aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de hogeschool als bedoeld in artikel 10.24 lid 1. Deze aangelegenheid is niet inhoudelijk geregeld bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst, derhalve is de Commissie bevoegd over het geschil te oordelen. De vraag die voorligt is of het instemmingsrecht met betrekking tot het taakbelastingsbeleid zich uitstrekt tot de aan dat beleid ten grondslag liggende normen. Partijen verschillen daarover van mening. Om te kunnen beoordelen wat de gevolgen van het voorgenomen taakbelastingsbeleid en de daarmee samenhangende systematiek zijn, is het noodzakelijk om de daaraan te grondslag liggende normen te kennen en deze op hun gevolgen te kunnen beoordelen. Deze normen betreffen bijvoorbeeld voorbereidingstijd, opslagfactoren en professionalisering. Zij vormen één geheel met het taakbelastingsbeleid en de daarmee samenhangende systematiek. De aan het taakbeleid ten grondslag liggende normen maken daarvan onderdeel uit en dienen daarom als onderdeel van het taakbeleid op grond van artikel 10.24 WHW ter instemming aan de personeelsgeleding van de domeinraad te worden voorgelegd. De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-04-2012
105261 - 12.07 Instemmingsgeschil PO - artikel 10 aanhef en onder h WMS (scholenfusie)
De MR heeft geweigerd in te stemmen met een fusie van de school met een andere school van het bevoegd gezag. Er is geen fusie-effectrapportage opgesteld. Met de inwerkingtreding van de Wet fusietoets in het onderwijs per 1 oktober 2011 is de aangelegenheid van artikel 10 onder h WMS uitgebreid: de MR heeft ook instemmingsbevoegdheid gekregen met betrekking tot de vaststelling van de fusie-effectrapportage. Uit de MvT bij het wetsvoorstel Fusietoets in het onderwijs blijkt dat artikel 64a lid 3 WPO zo uitgelegd moet worden dat de verplichting tot het opstellen van een fusie-effectrapportage ook geldt als voor de fusie geen ministeriële goedkeuring vereist is. Doordat de MR niet beschikte over deze wettelijk voorgeschreven fusie-effectrapportage heeft hij onvoldoende inzicht kunnen krijgen in de doelen, effecten en gevolgen van het voorgenomen fusiebesluit zodat de MR in redelijkheid tot onthouding van zijn instemming heeft kunnen komen. Nu de wettelijke fusie-effectrapportage, die onder meer is bedoeld om de zwaarwegende omstandigheden in kaart te brengen, ontbreekt kan redelijkerwijze niet worden gezegd dat er zwaarwegende omstandigheden zijn die het fusievoorstel rechtvaardigen. De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-04-2012
105202 - 12.06 Instemmingsgeschil VO - artikel 12 lid 1 onder h WMS (taakverdeling en taakbelasting personeel)
De PMR heeft niet ingestemd met het voorgenomen besluit om de afdelingsleiders vrij te stellen van lesgeven. De Commissie overweegt dat de argumenten die over en weer zijn gewisseld geen van alle onredelijk zijn. De PMR is het bevoegd gezag wel in belangrijke mate tegemoet gekomen. Ten aanzien van de argumenten van de PMR overweegt de Commissie dat de komende jaren bezuinigd moet worden en vast staat dat het voorstel niet kosten-neutraal doorgevoerd kan worden. De LD-docent moet in staat geacht worden een bijdrage te leveren aan de taken van de afdelingsleider. Een aanzienlijk deel van het personeel is het eens met het argument van de PMR dat een afdelingsleider zijn taak alleen goed kan verrichten als hij ook les geeft, zodat hiervoor breed draagvlak is. Het voorgestane beleid kan niet worden onderbouwd met goede voorbeelden in vergelijkbare scholen. De argumenten van de PMR zijn in onderlinge samenhang bezien van zodanig gewicht, dat geoordeeld moet worden dat de PMR in redelijkheid zijn instemming aan het voorstel heeft kunnen onthouden. Dat er sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel rechtvaardigen, is door het bevoegd gezag niet gesteld. Het is de Commissie ook niet gebleken dat het niet invoeren van de lesvrije afdelingsleider zal leiden tot ernstige organisatorische of financiële problemen voor de school. De PMR heeft in redelijkheid tot het onthouden van instemming kunnen komen en er zijn geen zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-04-2012
105188 - 12.05 Instemmingsgeschil VO; artikel 12 lid 1 onder h WMS (taakbeleid) en artikel 32 lid 1 WMS
Ingevolge artikel 32 lid 1 WMS diende het bevoegd gezag binnen drie maanden na het onthouden van de instemming, aan de PMR mede te delen of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de Commissie. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan of niet binnen zes weken na die mededeling het instemmingsgeschil aan de Commissie wordt voorgelegd, vervalt het voorstel van het bevoegd gezag. Niet gebleken is dat het bevoegd gezag een dergelijke mededeling binnen de gestelde termijn van drie maanden heeft gedaan, noch dat het geschil vervolgens binnen de in genoemd artikellid gestelde termijn van zes weken na de drie maanden aan de Commissie is voorgelegd. Aldus is het voorstel van het bevoegd gezag vervallen, vanwege het verstrijken van de voor indiening van het geschil in de WMS gestelde termijn. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De complete tekst kunt u hier downloaden.
11-04-2012
105221 - 12.04 Instemmingsgeschil VO - artikel 10 onder b WMS (schoolplan) en artikel 32 lid 1 WMS
De MR heeft op 8 november 2010 geweigerd instemming te verlenen aan het voorgenomen besluit van het bevoegd gezag om het vakkenpakket voor de bovenbouw havo en vwo te wijzigen. De termijn voor de mededeling van het bevoegd gezag dat het geschil zal worden voorgelegd aan de Commissie verstreek op 9 februari 2011. Het bevoegd gezag heeft de MR op 7 november 2011 meegedeeld een geschil aanhangig te zullen maken. Vast staat dat het bevoegd gezag niet binnen de termijn als genoemd in artikel 32 lid 1 WMS aan de MR heeft meegedeeld een geschil bij de Commissie aanhangig te zullen maken. Dat het medezeggenschapsreglement bepaalt dat een geschil eerst voorgelegd dient te worden aan de Adviescommissie Medezeggenschap Gereformeerd Schoolonderwijs maakt dit niet anders. Gelet op het dwingende karakter van de WMS kan slechts in de in de wet genoemde gevallen worden afgeweken van de bepalingen van de WMS. De wet biedt niet de ruimte om in het medezeggenschapsreglement van de termijnen als genoemd in artikel 32 lid 1 WMS af te wijken. Het voorgenomen besluit is vanwege overschrijding van de voor indiening van een instemmingsgeschil geldende termijnen, vervallen. Verzoek niet-ontvankelijk. De complete tekst kunt u hier downloaden.
29-03-2012
105207/105212/105224/105228 - 12.03 Interpretatie-, advies- en instemmingsgeschil PO - reorganisatie (artikelen 10 onder b, 11 onder f en 12 onder b WMS, 22 onder f medezeggenschapsreglement)
Een onderzoeksbureau heeft rapport opgesteld over de doorgroei van het stafbureau. Dit rapport is reden geweest om een ander onderzoeksbureau opdracht te geven de geadviseerde koers door te trekken naar de hele organisatie. Dit heeft geresulteerd in een nieuw rapport. Inzake het interpretatiegeschil: het rapport heeft uitsluitend betrekking op de organisatie van de scholen en het stafbureau en kan niet worden aangemerkt als het schoolplan als genoemd in artikel 10 onder b WMS. Het belangrijkste argument van de GMR om aan het rapport een positief advies te onthouden is gelegen in het tijdstip waarop hij in het hele hervormingsproces is betrokken. Het lijkt er inderdaad op dat de uitgangspunten voor het rapport afkomstig zijn uit het eerdere rapport. Het had op de weg van de GMR gelegen om deze uitgangspunten in het overleg met het CvB aan de orde te stellen indien hij het met deze uitgangspunten niet eens was. Bevoegd gezag heeft in redelijkheid aan het advies voorbij kunnen gaan. De argumenten van de PGMR hebben geen betrekking op het specifiek aan haar voorgelegde verzoek om instemming, te weten de formatieve gevolgen van de hervormingsvoorstellen voor het stafbureau. Aldus heeft de PGMR niet in redelijkheid instemming kunnen onthouden aan het rapport. De GMR heeft instemming onthouden aan het meerjarig Strategisch Beleidsplan. Het reglement van de GMR bepaalt dat aan de GMR adviesrecht toekomt ten aanzien van de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie van scholen. Maar partijen hebben mondeling afgesproken dat de GMR instemmingsrecht heeft ten aanzien van dit plan. Een geschil, dat rijst naar aanleiding van deze buitenwettelijke bevoegdheids-toedeling kan niet aan de Commissie worden voorgelegd op grond van artikel 32 lid 3 WMS (vervangende instemming). Verzoek niet ontvankelijk. De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-02-2012
105158 – 12.02 Interpretatiegeschil PO - artikel 7 lid 1 en artikel 22 onder d WMS en medezeggenschapsstatuut (openbaarheid vergaderingen en openheid en onderling overleg)
De GMR voert aan dat het bevoegd gezag zonder uitnodiging aanwezig is bij GMR-vergaderingen en voorts nodigt het bevoegd gezag schooldirecteuren uit voor de overlegvergaderingen met de GMR. Ook wordt de GMR gevraagd om zijn agenda per e-mail naar de schooldirecteuren te sturen. Openheid en openbaarheid liggen als algemene beginselen ten grondslag aan medezeggenschap op school in het algemeen en aan vergaderingen van de medezeggenschapsorganen en de informatieverstrekking aan achterban en overlegorganen in het bijzonder. Onder omstandigheden kan de noodzaak bestaan om, ter wille van de vrije oordeelsvorming en de ongehinderde besluitvorming in de GMR, een uitzondering te maken op de openbaarheid van de vergaderingen van het desbetreffende medezeggenschapsorgaan. Dit is ook geformaliseerd in artikel 20 lid 1 van het medezeggenschapsreglement van de GMR. Voor de overlegvergaderingen geldt dat bevoegd gezag en GMR - het genoemde artikel 20 zo veel mogelijk analoog toepassend - overeenstemming kunnen bereiken over het vergaderen in beslotenheid. Zou daarover met het bevoegd gezag geen overeenstemming kunnen worden bereikt, dan zou de GMR kunnen overwegen het overleg voor enige tijd op te schorten, of te staken, om in elk geval het interne overleg in beslotenheid te laten plaatsvinden. In dat geval is artikel 20 van het medezeggenschapsreglement GMR weer rechtstreeks van toepassing.
Voor de agendaverspreiding geldt dat de GMR niet door het bevoegd gezag kan worden verplicht om zijn agenda per e-mail naar de schooldirecteuren te sturen, maar dat laat aan de andere kant onverlet de zorgplicht van de GMR om in deze op voldoende wijze inhoud te geven aan de algemene communicatienorm van de GMR zoals neergelegd in artikel 7 van het medezeggenschapsstatuut.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-01-2012
105174 - 12.01 Adviesgeschil VO - artikel 11 onder a WMS (wijzigen lessentabel)
De MR heeft een adviesgeschil ingediend omdat het bevoegd gezag in afwijking van het advies van de MR twee projecturen voor een sportklas in het vmbo heeft ingezet. Deze uren komen in vmbo-tl in de plaats van een begeleidingsuur en het vak verzorging en in het vmko-kb in de plaats van het vak muziek en een uur techniek. Uit het voorschrift van art. 17 aanhef en onder c WMS leidt de Commissie af dat de termijn van zes weken voor het indienen van een adviesgeschil (art. 34 lid 2 WMS) begint te lopen vanaf de schriftelijke mededeling van het bevoegd gezag op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het uitgebrachte advies, ook al is eerder uitvoering aan het besluit gegeven. Wat betreft de inhoud van het geschil stelt de Commissie vast dat het bevoegd gezag n.a.v. de bezwaren over de bekostiging van de sportklas en n.a.v. de voorgestelde alternatieve bekostigingsvoorstellen van de MR, heeft uiteen gezet wat de argumenten waren om de sportklas op te nemen in de 32-urige schoolweek en waarom de alternatieven niet haalbaar waren. Daarmee zijn de verschillende belangen voldoende afgewogen. Verder is niet gebleken dat als gevolg van het besluit om de lessentabel te wijzigen, de belangen van de school ernstig worden geschaad. Voor wat betreft de schending van de procedurele voorschriften oordeelt de Commissie, dat deze op zichzelf niet zwaarwegend genoeg is om op grond daarvan te oordelen dat het verzoek van de MR gegrond is, met name niet omdat de MR voor de uitvoering van het besluit ervan op de hoogte was dat het bevoegd gezag het advies van de MR naast zich neer zou leggen. Overigens merkt de Commissie nog op dat vorderingen tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de MR op grond van art. 36 lid 1 WMS tot de uitsluitende bevoegdheid van de Ondernemingskamer behoren. Het bevoegd gezag heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen om de lessentabel te wijzigen en om deze vervolgens in te voeren en dit besluit kan in stand blijven. De complete tekst kunt u hier downloaden.
30-11-2011
105053 - Instemmingsgeschil nakoming voorwaarde aan instemming; HBO
De MR heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de nakoming door het instellingsbestuur van een voorwaarde verbonden aan de instemming met een besluit tot fusie. Die voorwaarde luidt als volgt: Het CvB zegt toe dat eventueel gecentraliseerde stafdiensten evenredig over Y en Z worden verdeeld. De toelichting bij deze voorwaarde luidt: Aangezien nog niet bekend is welke stafdiensten in Y worden gehuisvest, verhuist geen enkele functie binnen de stafdiensten meer van Y naar Z. Volgens de MR is een functie binnen de stafdienst HRM verplaatst van Y naar Z. Aangezien ten tijde van de indiening van het geschil het medezeggenschapsreglement van A geldend was, ontleent de Commissie haar bevoegdheid kennis te nemen van het geschil aan dat reglement. Een (mogelijk) besluit dat afwijkt van de voorwaarden die de MR heeft verbonden aan zijn instemming met het fusiebesluit is een aangelegenheid die de MR aangaat, waarover volgens het reglement een geschil kan worden ingediend. Derhalve is de Commissie bevoegd kennis te nemen van het geschil. Gelet op de instemming van de huidige MR met voortzetting van het geding moet er rechtens van uitgegaan worden dat de huidige MR procespartij in dit geschil is. Het is voor de Commissie aannemelijk geworden dat het verschuiven van werkzaamheden op gebied van personeels- en salarisadministratie ten tijde van het verlenen van instemming reeds geruime tijd gaande was en dat het grootste deel van de genoemde werkzaamheden toen al was verplaatst. Er is geen sprake van een besluit, waarmee het instellingsbestuur is afgeweken van de aan de instemming verbonden voorwaarde. De MR is niet ontvankelijk in zijn verzoek. De complete tekst kunt u hier downloaden.
29-07-2011
105040 – 11.14 Adviesgeschil en instemmingsgeschillen PO - artikel 11 onder c WMS (beëindiging werkzaamheden belangrijk deel van de school)
Op 16 mei 2011 heeft het bevoegd gezag zijn voorgenomen besluit tot sluiting van de locatie ter advisering voorgelegd aan de deelraad en de oudergeleding en de personeelsgeleding verzocht om in te stemmen met de gevolgen van het voorgenomen besluit. Op 15 juni 2011 hebben de deelraad en de geledingen - onder protest daartoe op zo korte termijn gehouden te zijn - negatief geadviseerd respectievelijk hun instemming onthouden. Het bevoegd gezag stelt dat het besluit tot de sluiting van de locatie berust op drie pijlers: veiligheid, de onderwijskundige situatie en de financiële positie van de Stichting. Tegen de besluitvorming van het bevoegd gezag bestaan aan de zijde van de deelraad ernstige procedurele bezwaren. Het beëindigen van de werkzaamheden van een (deel van de) school is een dermate ingrijpend besluit dat van een bevoegd gezag verwacht mag worden dat ouders en personeel in een zo vroeg mogelijk stadium bij de besluitvorming worden betrokken. Gelet op de geschetste omstandigheden heeft het bevoegd gezag nagelaten om de deelraad tijdig en op juiste wijze te betrekken bij de besluitvorming waar dat zeer wel mogelijk was geweest. Aan het besluit om de locatie te sluiten kleven derhalve zodanige procedurele gebreken, dat het besluit reeds hierom niet in stand kan blijven. Een en ander geldt in gelijke mate voor de verzoeken om instemming met de regeling van de gevolgen. De geledingen hebben aan de regeling van de gevolgen van de sluiting in redelijkheid hun instemming kunnen onthouden.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-07-2011
104978 - 11.13 Instemmingsgeschil VO - artikel 12 lid 1 onder k WMS (wijziging regeling arbeidsomstandigheden)
De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met het voorgenomen besluit om de geldende bovenwettelijke en boven-CAO-BAPO-regelingen (de zogenoemde BAPO-100 regeling) af te schaffen om het exploitatietekort op te lossen. De belangrijkste maatregel is het niet verlengen van tijdelijke benoemingen en tijdelijke uitbreidingen. De PGMR stelt dat de overstap naar de CAO-regeling nauwelijks besparingen oplevert. Het staat vast dat de stichting over het jaar 2010 een exploitatietekort heeft gekend. Bij ongewijzigd beleid zou ten minste een vergelijkbaar tekort over 2011 ontstaan. Derhalve is het begrijpelijk dat het bevoegd gezag maatregelen heeft getroffen om de exploitatie sluitend te krijgen. Het bevoegd gezag heeft onvoldoende gemotiveerd op welke wijze en in welke omvang het afschaffen van de BAPO-100 regeling substantieel bij zou kunnen dragen aan het verminderen van het exploitatietekort. Evenmin heeft het bevoegd gezag voldoende gemotiveerd waarom het door de PGMR aangedragen alternatief niet een vergelijkbare bijdrage aan het terugdringen van het tekort zou kunnen opleveren. Van zwaarwegende omstandigheden, die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen, is niet gebleken. Met name het exploitatietekort kan niet als zodanig worden aangemerkt omdat de reeds ingevoerde maatregelen ruimschoots voldoende zijn om het exploitatietekort weg te werken.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-07-2011
104951 - 11.12 Instemmingsgeschil VO - artikel 10 aanhef en onder e WMS (gezondheidsbeleid)
Het bevoegd gezag heeft een voorgenomen besluit tot het instellen van een rookverbod voor het personeel ter instemming aan de MR voorgelegd. De PMR heeft hierop zijn instemming onthouden. De PMR meent dat er sprake is van een wijziging van de arbeidsomstandigheden, waarvoor de PMR instemmingsrecht heeft. Het voorgenomen besluit tot het instellen van een rookverbod is genomen in het kader van het totale anti-rookbeleid binnen de school. Op grond van dit beleid is in eerste instantie besloten tot een rookverbod voor de leerlingen en vervolgens was het de bedoeling van het bevoegd gezag om het verbod ook te laten gelden voor het personeel. Het voorgestelde rookverbod past derhalve in het totale beleid op het gebied van veiligheid en gezondheid voor zowel de leerlingen als het personeel. Daarom dient het bevoegd gezag dit voorgenomen besluit met betrekking tot het vaststellen of wijzigen van regels op het gebied van gezondheid en veiligheid op grond van artikel 21 aanhef en onder e van het medezeggenschapsreglement (gelijkluidend aan artikel 10 aanhef en onder e WMS) ter instemming voor te leggen aan de gehele MR. Nu in dit geschil niet de juiste partijen betrokken zijn (niet de MR maar de PMR heeft instemming geweigerd) is het bevoegd gezag niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
29-06-2011
104917 - 11.11 Adviesgeschil en interpretatiegeschil PO - artikel 11 onder h WMS (aanstelling of ontslag van de schoolleiding)
De MR heeft een negatief advies over een voorgenomen besluit tot ontslag van de directeur uitgebracht. Het bevoegd gezag heeft het ontslag ingetrokken. Door deze intrekking is er geen sprake meer van een 'genomen besluit' als bedoeld in artikel 31 aanhef en onder c WMS waarover een adviesgeschil aan de Commissie kan worden voorgelegd. Daarom is het verzoek van de MR tot behandeling van een adviesgeschil niet-ontvankelijk. De MR heeft adviesrecht ten aanzien van de aanstelling van een interim-directeur. Dat reeds in 2010 door de MR positief advies was uitgebracht over de aanstelling van een interim-directeur betekent niet dat voor de voorgenomen aanstelling van andere interim-directeuren geen advies meer is vereist. Voorts is de Commissie niet bevoegd te oordelen over de naleving van artikel 17 WMS en is de Commissie niet bevoegd te oordelen over de vraag of het directiestatuut of het managementstatuut op de school van toepassing is.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-05-2011
104902 - 11.10 Interpretatiegeschil PO - artikel 8 lid 2 onder a en c WMS (informatierecht)
De MR heeft aangevoerd dat het bevoegd gezag gehouden is om op schoolniveau een begroting en jaarverslag te verstrekken. Volgens het bevoegd gezag is de GMR de gespreks- en overlegpartner van het bevoegd gezag m.b.t. de begroting en het jaarverslag op organisatieniveau. De Commissie overweegt dat uit de bewoordingen van artikel 8 lid 1WMS volgt dat een MR zijn taak alleen maar op een zinvolle manier kan uitoefenen als deze tijdig beschikt over voldoende en relevante informatie. Tijdig wil zeggen op een zodanig tijdstip dat de MR de informatie bij de voorbereiding van zijn besluitvorming kan betrekken. Tot deze informatie rekent de Commissie de begroting en het jaarverslag op schoolniveau. De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-05-2011
104838 - 11.09 Instemmingsgeschil PO - artikel 12 onder b WMS (vaststelling van de formatie)
De PGMR heeft instemming onthouden aan het bestuursformatieplan, waarin een reductie van 20 fte was opgenomen. Het werkgebied van het bevoegd gezag is een krimpregio met dalende leerlingaantallen. De in het schooljaar 2010-2011 te realiseren personeelsreductie zou niet leiden tot gedwongen ontslagen. Het bevoegd gezag heeft de noodzakelijke bezuinigingen gerelateerd aan het geschatte aantal leerlingen uitgesmeerd over alle onder zijn gezag staande scholen. Het was niet mogelijk om het overleg over een sociaal plan te starten omdat de vakbonden niet wensten te overleggen alvorens het bestuursformatieplan was vastgesteld. De PGMR stelt dat de noodzaak van de door het bevoegd gezag voorgestelde maatregelen onvoldoende is aangetoond. Ook het tempo van reductie is te hoog en er is onvoldoende garantie voor behoud kwaliteit. Onder de geschetste omstandigheden - dalend leerlingenaantal, een daarmee samenhangende financiële krimp en nog geen strategisch beleidsplan om maatregelen op te kunnen baseren - was de door het bevoegd gezag gekozen optie, bestaande uit het evenredig uitsmeren van de bezuiniging over alle scholen, reëel. De PGMR heeft niet in redelijkheid instemming kunnen onthouden. De complete tekst kunt u hier downloaden.
05-04-2011
104837 - 11.08 Instemmingsgeschil over wijze selectie sollicitatiebrieven bij vacature schoolleiding; MBO
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de selectie van sollicitatiebrieven voor een vacature in de schoolleiding dient te geschieden door het College van Bestuur of door de benoemingsadviescommissie. Het College van Bestuur heeft weliswaar gemotiveerd waarom hij wil vasthouden aan zijn voorstel, maar is niet ingegaan op de door de MR ingebrachte argumenten die ten grondslag liggen aan de weigering in te stemmen, te weten de transparantie van de procedure en het creëren van draagvlak voor de te nemen beslissing over de vervulling van een vacature. Ook ter zitting heeft het bevoegd gezag niet duidelijk weten te maken hoe de argumenten van de MR gewogen zijn in de besluitvorming. Omdat het College van Bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij na het onthouden van instemming onverkort heeft vastgehouden aan zijn voorstel, heeft het College van Bestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-05-2011
104913 - 11.08 Interpretatiegeschil PO - artikel 28 lid 2 WMS (regeling kosten inhuur deskundigen en kosten van het voeren van rechtsgedingen).
De MR heeft in het kader van een aantal geschillen met het bevoegd gezag rechtskundige bijstand ingehuurd en is van oordeel dat het bevoegd gezag tot vergoeding van de kosten dient over te gaan. Artikel 14 lid 2 van het medezeggenschapsstatuut bevat in uitvoering van artikel 22 aanhef en onder e WMS de wijze waarop de beschikbaarstelling van de faciliteiten als bedoeld in artikel 28 lid 2 WMS wordt ingevuld. Het is aan het bevoegd gezag om over te gaan tot toepassing van artikel 14 lid 2 van het medezeggenschapsstatuut. Naar het oordeel van de Commissie is de kwestie die partijen verdeeld houdt niet een zaak van interpretatie van artikel 28 lid 2 WMS maar een vraag over de nakoming van de verplichtingen van het bevoegd gezag, voortvloeiend uit de WMS. Nakomingsvorderingen behoren ingevolge artikel 36 lid 2 WMS tot de exclusieve bevoegdheid van de Ondernemingskamer bij het gerechtshof te Amsterdam. Dientengevolge is de Commissie niet bevoegd een oordeel te geven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-05-2011
104821 - 11.07 Adviesgeschil en interpretatiegeschil PO - artikel 11 onder n en artikel 17 WMS (nieuwbouw en nakoming)
De MR heeft over een voorgenomen nieuwbouw op locatie K. positief advies afgegeven. Nadat het advies was uitgebracht, is het bevoegd gezag teruggekomen op dit voorgenomen besluit. Het terugkomen op dit voorgenomen besluit behoort tot de discretionaire bevoegdheid van het bevoegd gezag en kan niet worden aangemerkt als het niet volgen van het advies van de MR. Het voornemen tot nieuwbouw aan locatie R kan daarbij niet als een afwijking van het voorgenomen besluit tot nieuwbouw aan K worden gezien. Het betreft een eigenstandig - aan medezeggenschap onderworpen - besluit dat volgt op de beslissing niet over te gaan tot nieuwbouw aan K. Hetzelfde geldt voor het besluit van het bevoegd gezag zijn voornemen in te trekken om tot nieuwbouw op de locatie R over te gaan. De intrekking van een voorgenomen besluit is niet een besluit dat aan medezeggenschap is onderworpen. De Commissie is niet bevoegd over het verzoek van de MR ten aanzien van de intrekking van de twee besluiten te oordelen. Het bevoegd gezag heeft in zijn verweerschrift aangegeven met de MR van oordeel te zijn dat het voorgenomen besluit tot nieuwbouw op de locatie R voor advies voorgelegd had dienen te worden aan de MR. Van enig voorgenomen besluit van het bevoegd gezag tot verbouwing van de huidige school is niet gebleken. Van verschil in mening over interpretatie van wet of reglement is derhalve niet gebleken. In deze verzoeken is de MR niet-ontvankelijk. Voor wat betreft de stelling van de MR dat het bevoegd gezag artikel 17 WMS niet heeft nageleefd geldt dat een vordering tot naleving van de verplichtingen van het bevoegd gezag voortvloeiende uit de WMS op grond van artikel 36 lid 2 WMS tot de exclusieve bevoegdheid van de Ondernemingskamer bij het gerechtshof te Amsterdam behoort. De Commissie is niet bevoegd hierover te oordelen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
28-03-2011
104841 - 11.06 Instemmingsgeschil VO - artikel 13 aanhef en onder b WMS (verandering grondslag)
In het kader van een besturenfusie heeft het bevoegd gezag het voornemen om de grondslag van de bij de fusie betrokken bijzondere school en openbare school te wijzigen in algemeen bijzonder. De OMR van de openbare school heeft niet ingestemd met de voorgenomen grondslagwijziging omdat de openbare verantwoording na wijziging van de grondslag onvoldoende is gewaarborgd, niet is bewerkstelligd dat het openbaar karakter van de school gewaarborgd blijft en er niet op is toegezien dat er voldoende invloed vanuit het openbaar bestuur op de school zal zijn. Gebleken is dat de grondslagwijziging niet genoegzaam nader is uitgewerkt, met name de formele en materiële borging van het karakter van het openbaar onderwijs in de op te stellen statuten. Dat deze nog vorm gegeven dienen te worden en onderwerp van besluitvorming door het nieuw te vormen bestuur zullen zijn, is onvoldoende om van de OMR onverkort instemming met de voorgenomen grondslagwijziging te verlangen. Een ingrijpende maatregel als grondslagwijziging dient in al zijn facetten uitgewerkt te worden vooraleer de OMR kan worden gevraagd om al dan niet met de grondslagwijziging in te stemmen. De OMR heeft in redelijkheid instemming kunnen onthouden aan de voorgenomen wijziging van de grondslag van de school. Aan de Commissie zijn geen zwaarwegende omstandigheden gebleken die het voorgenomen besluit rechtvaardigen. De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-03-2011
104826 - 11.05 Instemmingsgeschil en interpretatiegeschil VO - artikel 12 lid 1 onder h WMS (taakverdeling/taakbelasting personeel)
Het bevoegd gezag deelde uren aan het personeel toe voor algemene schooltaken, zoals vergaderingen. Hierbij werd een vaste voet gehanteerd die het bevoegd gezag nu wil laten vallen. Het bevoegd gezag is tegemoet gekomen aan de belangrijkste bezwaren die de PMR tegen de vermindering van de uren voor algemene schooltaken heeft geuit. Onder deze omstandigheden heeft de PMR niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming kunnen komen. Het in de jaartaak niet meer opnemen van toetsweken als lesweken heeft gevolgen voor een aantal afgeleiden hiervan zoals de honorering van voor- en nawerk. Omdat het aantal lesweken teruggebracht wordt (in casu van 39 naar 36), veranderen ook de normeringen die aan dit aantal zijn gekoppeld. Door dit besluit treedt derhalve een wijziging op in de taakbelasting binnen het personeel. Aan de PMR komt op grond van artikel 12 lid 1 onder h WMS instemmingsrecht toe. Het trekkingsrecht is in de CAO VO geregeld in artikel 7.2. Dit recht is van individuele aard en behoort niet tot de onderwerpen die op grond van de WMS of het medezeggenschapsreglement aan instemming of advies van de PMR zijn onderworpen; het vormt geen onderdeel van de taakverdeling/taakbelasting als genoemd in artikel 12 lid 1 onder h WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
21-02-2011
104803 - 11.04 Instemmingsgeschil PO - artikel 12 onder b en artikel 32 lid 1 WMS (formatieplan en termijn indienen geschil)
Mede op basis van het Plan van Aanpak heeft het bevoegd gezag een voorgenomen formatieplan 2010/2011 opgesteld en aan de PMR ter instemming voorgelegd. De PMR weigerde in te stemmen. Volgens de PMR heeft het bevoegd gezag niet binnen drie maanden na het onthouden van instemming aan het voorgestelde formatieplan aan de PMR meegedeeld dat het voorstel aan de Commissie zou worden voorgelegd (artikel 32 lid 1 WMS). Verlenging van de desbetreffende termijn zou denkbaar zijn indien het bevoegd gezag en de PMR aanvullend overleg zouden hebben gevoerd over het formatieplan ten einde alsnog overeenstemming te bereiken. Van dergelijk overleg is echter niet gebleken. Partijen zijn in een gesprek overeengekomen de termijn van drie maanden, genoemd in artikel 32 lid 1 WMS, te verlengen maar het betreft een wettelijke vervaltermijn die niet vrijelijk door partijen kan worden gewijzigd. Het bevoegd gezag is niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-02-2011
104823 - 11.03 Instemmingsgeschil PO - artikel 12 onder b WMS (bestuursformatieplan)
De PGMR heeft met een onderdeel van het bestuursformatieplan niet ingestemd, namelijk het voorstel om de aanstelling van de algemeen directeur voor het schooljaar 2010/2011 met 0,2 fte uit te breiden. Er moet bezuinigd worden, ook op managementniveau en niet is aangetoond dat uitbreiding noodzakelijk is, aldus de PGMR. Volgens het bevoegd gezag is de uitbreiding nodig om de op handen zijnde fusie voor te bereiden en zou het inhuren van externe deskundigheid voor de extra werkzaamheden duurder zijn dan het uitbreiden van de aanstelling van de algemeen directeur. Omdat het bevoegd gezag beide argumenten niet heeft onderbouwd en niet is gebleken dat het bevoegd gezag heeft onderzocht of de voorbereiding van de fusie mogelijk is zonder de tijdelijke uitbreiding, heeft de PGMR naar het oordeel van de Commissie in redelijkheid kunnen komen tot het onthouden van instemming aan de voorgestelde tijdelijke uitbreiding van de aanstelling van algemeen directeur. Voorts is niet gebleken dat sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. De PGMR heeft in redelijkheid tot het onthouden van instemming kunnen komen en er zijn geen zwaarwegende omstandigheden die het voorstel rechtvaardigen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-01-2011
104769 - 11.02 Instemmingsgeschil SO - artikel 12 onder h WMS (samenstelling formatie)
De PMR stemde niet in met het voorgestelde formatieplan omdat de werkgever wenst over te gaan tot invoering van de functiemix zonder fasering. Uit het gebruik van het woord "uiterlijk" in artikel 5.3a CAO-PO leidt de Commissie af dat het geleidelijk toegroeien naar de gewenste verdeling van functies niet verplicht is. Het staat het bevoegd gezag vrij om de verdeling zoals deze in 2014 uiteindelijk zou dienen te zijn, reeds eerder te realiseren. In de omstandigheden van dit geval is sprake van drie medewerkers op de instelling die reeds werkzaam zijn in de door de werkgever beoogde functies die volgens schaal LC bezoldigd zullen worden. Deze werknemers worden door het bevoegd gezag ook geschikt geacht voor de beoogde functies terwijl anderzijds gebleken is dat er binnen de organisatie geen andere kandidaten voor deze functies zijn noch dat werknemers te kennen hebben gegeven op termijn voor deze functies in aanmerking te willen komen. Bij geleidelijk toegroeien naar de beoogde invulling van de LC-functies, zal een situatie ontstaan waarbij één werknemer in schaal LC zal zijn benoemd terwijl zijn/haar twee collega's die hetzelfde werk verrichten nog in de oude lagere schaal blijven ingedeeld. Het jaar erop zal dit wijzigen in twee collega's die in schaal LC worden bezoldigd terwijl de derde collega nog in de oude lagere schaal blijft ingedeeld. Het is begrijpelijk dat het bevoegd gezag als werkgever deze gang van zaken onwenselijk vindt. De PMR heeft niet in redelijkheid tot onthouden van instemming aan het voorgenomen besluit tot vaststelling van het formatieplan 2010-2011 kunnen komen. Het bevoegd gezag kan het besluit ten uitvoer leggen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-01-2011
104694 - 11.01 Instemmingsgeschil VO - artikel 10 onder h WMS (overdracht van de school of een onderdeel daarvan)
0e deelraad heeft zijn instemming onthouden aan het voorgenomen besluit om een afdeling voor leerlingen die nog niet toe zijn aan de brugklas, te verplaatsen van school A naar school B. Aangezien de afdeling in een apart gebouw zal worden geplaatst zullen de kleinschaligheid en de interne veiligheid van de afdeling worden gewaarborgd. Dat de veiligheid en geborgenheid van de leerlingen gevaar loopt als de afdeling wordt geplaatst in een omgeving waar niet alleen havo- en vwo- maar ook vmbo-leerlingen zijn, is de Commissie niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de buurt waarin de school staat dermate gevaarlijk is dat het onverantwoord zou zijn om daar de afdeling te plaatsen. Het verleden heeft tot twee keer toe uitgewezen dat verplaatsing geen significante gevolgen had voor het aantal leerlingen. Er is ook geen indicatie, en dat blijkt ook niet uit het onderzoek, dat de afdeling door de verplaatsing minder leerlingen zal krijgen. De bekostiging van de afdeling loopt ook geen gevaar. Dat het personeel moeite heeft met de verplaatsing is niet zodanig dat men en masse heeft gezegd op te houden met te werken voor de afdeling als de verplaatsing doorgaat. De deelraad heeft niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan het voorgenomen besluit tot verplaatsing van de afdeling kunnen komen. De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-01-2011
104642 - 10.15 Instemmingsgeschil PO - artikel 12 onder g WMS (toekenning toelage aan bovenschools directeur)
De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met een voorgenomen besluit om aan de algemeen directeur analoog aan artikel 6.29a CAO PO een toelage toe te kennen. De PGMR heeft de onthouding van de instemming een aantal keren bevestigd. Volgens het bevoegd gezag werd ten gevolge van de toelage voor directeuren een bij de benoeming van de algemeen directeur bewust gecreëerd beloningsverschil tussen (één van) de directeuren en de algemeen directeur geheel teniet gedaan. Een dergelijke redengeving dient te worden aangemerkt als passend bij een ad hoc-besluit, uitsluitend geschikt en bedoeld om in een incidenteel geval te gelden. Derhalve betreft het niet de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toekenning van salarissen, toelagen en gratificaties aan het personeel als genoemd in de wet en het reglement. De Commissie is niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek.Ten overvloede overweegt de Commissie dat als zij wel bevoegd was geweest, het verzoek van het bevoegd gezag niet-ontvankelijk zou zijn vanwege overschrijding van de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 32 lid 1 WMS. Als er na de onthouding van de instemming door het medezeggenschapsorgaan, geen reëel overleg tussen partijen plaatsvindt, loopt de termijn van drie maanden vanaf het moment waarop de instemming is onthouden. Van reëel overleg is alleen sprake als partijen bereid en in staat zijn om hun standpunten nader te onderbouwen. In het onderhavige geval is niet gebleken dat het bevoegd gezag in het overleg na de onthouding van de instemming, het voorgenomen besluit op enig moment van een nadere onderbouwing heeft voorzien.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-12-2010
104724 - Geschil uitoefening trekkingsrecht; VO
Docenten kunnen jaarlijks op een formulier aangeven op welke wijze zij in het komende schooljaar het trekkingsrecht (7.2 CAO VO) geldend willen maken. Verzoeker heeft het formulier niet ingeleverd. De werkgever heeft geweigerd alsnog tot uitbetaling van het recht over te gaan. Van een belemmering van de toepassing van het trekkingsrecht is sprake indien de werkgever de werknemer niet toestaat zijn trekkingsrecht toe te passen of indien zij niet tot overeenstemming komen over de toepassing van het trekkingsrecht. Door omstandigheden die niet aan de werkgever zijn toe te rekenen heeft de docent het formulier niet bij zijn leidinggevende ingeleverd. Derhalve kan niet worden gezegd dat de werkgever de aanspraak op het trekkingsrecht heeft ontzegd aan de werknemer. Er is ook geen sprake van een verschil van mening over de wijze waarop de werknemer zijn aanspraak geldend wilde maken nu de werknemer zich daarover niet tijdig heeft uitgelaten. De werkgever heeft de werknemer niet belemmerd bij de uitoefening van zijn trekkingsrecht. Of het recht op uitbetaling van de desbetreffende uren is vervallen, is een vraag die niet ter beoordeling aan de Commissie kan worden voorgelegd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
11-11-2010
104527 - 10.14 Interpretatiegeschil VO- o.a. art. 7 en 8 WMS (informatieverstrekking), art. 28 WMS (faciliteiten, kosten rechtsbijstand), ontvankelijkheid.
De Commissie is van oordeel dat:
- zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en de OGMR ontvankelijk is in het verzoek;
- de (G)MR aan artikel 7 WMS niet rechtstreeks een recht op overleg met of informatieverschaffing door het bevoegd gezag kan ontlenen;
- dat het ter beschikking stellen van een adressenbestand van alle ouders is /aan te merken als het ‘gebruik van voorzieningen’ als bedoeld in artikel 28 lid 1 WMS;
- alle inlichtingen’, zoals genoemd in artikel 8 lid 1 WMS, onder meer omvat alle stukken betreffende een aangelegenheid met betrekking waartoe de (G)MR een hem toekomende bevoegdheid uitoefent of (binnen afzienbare termijn) zal uitoefenen, inclusief relevante achterliggende stukken en bescheiden, waarbij het bepaalde in artikel 8 lid 1 WMS niet ertoe strekt een geleding of een individueel lid van de (G)MR een recht op alle inlichtingen te verschaffen indien de uit te oefenen bevoegdheid toekomt aan de (G)MR als geheel;
- de vraag of de beoogde medezeggenschapsstructuur voor een samenwerkingsorganisatie in overeenstemming is met de WMS geen betrekking heeft op de school zelf, maar op die organisatie, zodat het verzoek op dit onderdeel niet ontvankelijk is;
- artikel 28 lid 2 WMS zó dient te worden gelezen dat een aanspraak op vergoeding van kosten van medezeggenschapsactiviteiten niet alleen toekomt aan de (G)MR, maar ook aan een afzonderlijke geleding, in die gevallen dat sprake is van het uitoefenen van aan die geleding opgedragen taken;
- de wettelijke bepaling inzake de redelijkerwijs noodzakelijke kosten impliceert dat het louter vooraf in kennis stellen van het bevoegd gezag dat een medezeggenschapsorgaan een concreet voornemen heeft dat gepaard zal gaan met kosten niet voldoende is, in die zin dat deze mededeling dient te worden gevolgd door op het bereiken van overeenstemming gericht overleg tussen de betrokkenen.
De complete tekst van de uitspraak kunt u hier downloaden.
05-11-2010
104525 - 10.13 Interpretatiegeschil PO - artikel 11 onder h WMS (aanstelling of ontslag van de schoolleiding)
Het bevoegd gezag heeft een boventallig directielid aangesteld in een vrijkomende vacature van directeur zonder de MR vooraf om advies te vragen. Het bevoegd gezag voert aan dat in verband met de bestuursaanstelling een passende betrekking voor het boventallig directielid gevonden moest worden en dat dit het niet vragen van advies aan de MR rechtvaardigde. De Commissie kan begrip opbrengen voor de door het bevoegd gezag gevoelde noodzaak om een boventallig directielid aan te stellen in een vrijkomende vacature maar overweegt dat dit geenszins kan afdoen aan het in artikel 11 aanhef en onder h WMS geborgde medezeggenschapsrecht. De wet maakt geen onderscheid naar de mate van (beleids)vrijheid die het bevoegd gezag bij het nemen van zijn beslissing toekomt. Ook al zou het zo zijn dat het bevoegd gezag geen beleidsruimte rest bij de benoeming van een directeur, dan is het voor de MR desondanks mogelijk is om in zijn advies bijvoorbeeld randvoorwaardelijke zaken te betrekken die van belang kunnen zijn voor de werking van het besluit. De Commissie oordeelt dat de benoeming van X tot directeur dient te worden aangemerkt als een besluit met betrekking tot de aangelegenheid aanstelling van de schoolleiding, als genoemd in artikel 11 onder h WMS, waarvoor de MR adviesrecht toekomt.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
04-11-2010
104699 - 10.12 Interpretatiegeschil PO - artikel 11 onder d WMS (aangaan duurzame samenwerking); PO
De MR heeft aan de Commissie een interpretatiegeschil voorgelegd met betrekking tot de vraag of aan de MR enige bevoegdheid toekomt ten aanzien van het Plan van Aanpak met betrekking tot de ontwikkeling van internationaal onderwijs. Vast staat dat het bevoegd gezag betrokken is bij (het onderzoek naar) de ontwikkeling van een internationale school. Het heeft deelgenomen aan de stuurgroep die de wenselijkheid van internationaal onderwijs verkende en namens het bevoegd gezag is een medewerker nauw betrokken bij het opstellen van het Plan van Aanpak. Het is bepaald niet uit te sluiten dat het daadwerkelijk vestigen van een internationale school gevolgen voor de school zal hebben ter zake waarvan aan de MR of de geledingen daarvan medezeggenschapsbevoegdheden toekomen. Of dat zo is, is thans niet vast te stellen omdat er nog geen Plan van Aanpak is. Derhalve moet de conclusie zijn dat de MR het geschil prematuur heeft ingediend. Het verzoek is niet-ontvankelijk.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
28-09-2010
104610 - 10.11 Interpretatiegeschil PO- artikel 13 onder f WMS (tussenschoolse opvang)
De OGMR heeft een interpretatiegeschil ingediend met betrekking tot een besluit van het bevoegd gezag tot wijziging van het tarief voor de tussenschoolse opvang. De OGMR is vooraf niet gekend in dit besluit. Een belangrijk onderdeel van een regeling ter zake is het kostenaspect, zodat de invloed van de ouders volgens de OGMR ook daarop via het instemmingsrecht betrekking heeft. De zinsnede "de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de tussentijdse opvang" heeft volgens het bevoegd gezag uitsluitend betrekking op de organisatie van de begeleiding en niet op de financiering.
De Commissie is van oordeel dat in een besluit met betrekking tot de wijze waarop de tussentijdse kinderopvang op een school wordt geregeld, in zijn algemeenheid een financiële onderbouwing niet mag ontbreken. Alleen daardoor is het immers, ook voor de oudergeleding van een (G)MR, mogelijk een zinvolle beoordeling te geven waarbij haalbare alternatieven voor de wijze van tussenschoolse opvang tegen elkaar kunnen worden afgewogen. De zinsnede "de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de tussenschoolse opvang" omvat mede de vaststelling of de wijziging van de door de ouders voor de tussenschoolse opvang te betalen bijdrage.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-08-2010
104535 - Interpretatiegeschil Vaststelling aanvang schooljaar (vaststelling vakantie/regeling van de werkzaamheden); MBO
Vraag is of de beslissing van het bevoegd gezag om de laatste twee dagen van de zomervakantie 2010 van de deelnemers aan te merken als werkdagen voor het personeel neerkomt op een besluit waarvoor instemmings- of adviesrecht van de medezeggenschap geldt. De CMR stelt dat het bij het ROC sinds jaar en dag gebruik is dat de zomervakantie voor het onderwijzend personeel gelijk loopt met de vakantie voor de deelnemers. Het bevoegd gezag heeft dienaangaande steeds om instemming van de CMR verzocht. Volgens het bevoegd gezag gelden de meerjarenafspraken uitsluitend voor de vakantie van de deelnemers. De Commissie is van oordeel dat de aangelegenheid 'regeling van de vakantie' uitsluitend de deelnemers betreft. Niet is gebleken dat het bevoegd gezag in enig jaar expliciet de verlofregeling voor het personeel ter instemming of voor advies heeft voorgelegd. Evenmin is gebleken dat het onderwijzend personeel op basis van een regeling verplicht is de (gehele) deelnemersvakantie als verlof op te nemen. Het aanmerken van dagen van de zomervakantie van de deelnemers als werkdagen waarop het personeel in beginsel aanwezig dient te zijn, is een beperking van de vrijheid van de teams om de werkzaamheden onderling te verdelen en derhalve aan te merken als een aangelegenheid met betrekking tot de vaststelling van de taakverdeling respectievelijk de taakbelasting van het personeel. Ten aanzien daarvan heeft de personeelsgeleding van de CMR instemmingsrecht.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-07-2010
104590 - 10.10 Adviesgeschil VO - artikel 11 onder h WMS (aanstelling schoolleiding)
De MR heeft negatief advies uitgebracht over een voorgenomen besluit tot benoeming van de waarnemend rector tot rector. Het bevoegd gezag heeft besloten het advies van de MR niet over te nemen en de betrokken persoon te benoemen tot rector. Daarop heeft de MR een adviesgeschil aan de Commissie voorgelegd. Gelet op het gebruik van het woord 'besluit' in artikel 34 leden 1 en 2 WMS en de laatste volzin van artikel 34 lid 3 WMS gaat de Commissie ervan uit dat de wetgever in artikel 34 lid 3 WMS (waarin 'voorstel' staat) beoogd heeft te bepalen dat de Commissie dient te beoordelen of het bevoegd gezag bij het niet volgen van het advies van de MR niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Ten aanzien van de vraag of het bevoegd gezag het juiste toetsingskader heeft gehanteerd bij het nemen van het benoemingsbesluit, oordeelt de Commissie dat het feit dat het bevoegd gezag geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de MR om een aantal concrete meetpunten te formuleren, niet in de weg heeft gestaan aan een zorgvuldige afweging. Het verschil van mening of de kandidaat aan de criteria voldoet spitst zich voornamelijk toe op het criterium draagvlak c.q. vertrouwen. Mede gelet op de cultuurverschillen binnen de school en de verschillende visies op leiderschap tussen de beide vestigingen is de Commissie van oordeel dat het bevoegd gezag in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat er binnen de school voldoende draagvlak en vertrouwen bestond om tot de benoeming over te kunnen gaan. Het bevoegd gezag heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen en het besluit kan in stand blijven. De complete tekst kunt u hier downloaden.
30-06-2010
104504 - 10.09 Interpretatiegeschil PO - bevoegdheid MR m.b.t. omvang en invulling directeursfunctie - art. 10 onder b (schoolplan), art. 12 lid 1 onder b (formatie), art. 11 onder f en onder h en onder i WMS
Naar aanleiding van het vertrek van de directeur en het aantrekken van een nieuwe directeur heeft de MR de omvang en invulling van de directiefunctie ter discussie gesteld. De MR verzocht het bevoegd gezag om de directeur niet meer volledig ambulant te laten zijn, zodat meer middelen uit het personeelsbudget beschikbaar zouden zijn voor het primaire proces. Het bevoegd gezag wilde daar niet op ingaan. In geschil is of het bevoegd gezag op grond van artikel 10 onder b WMS, 12 lid 1 onder b WMS en artikel 11 onder f, onder h en onder i WMS een voorgenomen besluit terzake van de omvang en de invulling van de directeursfunctie ter instemming dan wel advies aan de (P)MR had moeten voorleggen. De Commissie concludeert dat dit niet het geval is aangezien het school- en formatieplan met instemming zijn vastgesteld en het vertrek van de directeur en/of het voornemen om een nieuwe directeur te benoemen niet is aan te merken als een wijziging waarvoor instemming nodig is. (artikelen 10 onder b WMS, 12 lid 1 onder b WMS). Met zijn voorstel om te komen tot een heroverweging van het beleid van de organisatie en de taakverdeling binnen de schoolleiding (artikel 11 onder f en onder i WMS) heeft de MR gebruik gemaakt van zijn initiatiefrecht, zoals geregeld in artikel 6 van de WMS. Dit leidt op zichzelf echter niet tot de verplichting van het bevoegd gezag om terzake een voorgenomen besluit te nemen. Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat het voornemen om een bepaalde persoon te benoemen te zijner tijd op grond van artikel 11 onder h WMS ter advisering aan de MR zal worden voorgelegd. De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-06-2010
104515 - Geschil uitoefening trekkingsrecht; VO
Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of de werknemer zelf kan bepalen welke werkzaamheden hij op basis van zijn trekkingsrecht door andere wenst te vervangen en of de werkgever dienaangaande grenzen mag opleggen. Omdat de werknemer de hem toebedeelde stipuren (opvang van klassen) als zinloos en onprettig ervaart, heeft hij de werkgever verzocht deze taak uit zijn taken te verwijderen en de vrijgekomen uren toe te voegen aan de opslagfactor voor- en nawerk. De werkgever heeft dit verzoek niet ingewilligd omdat de stipuren volgens staand taakbeleid behoren tot de verplichte taken. Gelet op de bewoordingen van de aanhef van artikel 7.2 lid 2 CAO VO staat het de leraar in beginsel vrij op welke wijze hij het trekkingsrecht wenst te effectueren. Doel van de regeling is immers dat de individueel ervaren werkdruk verminderd wordt. De invulling van het trekkingsrecht naar eigen inzicht is echter niet onbegrensd. De regeling veronderstelt een overlegsituatie. De werkgever kan slechts op grond van zwaarwegende redenen die verband houden met de organisatie van de school en het onderwijs, weigeren aan de uitgesproken keuze van de werknemer tegemoet te komen. Door de beperking van de keuzemogelijkheid vanwege staand taakbeleid tot een keuze uit zogenoemde 'Overige taken' van 48 klokuren per jaar maakt de werkgever een ingrijpende inbreuk op de vrijheid ten aanzien van de individuele invulling van het trekkingsrecht. De werkgever heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom hij deze keuze heeft gemaakt. Aldus heeft de werkgever de werknemer in de uitoefening van zijn trekkingsrecht belemmerd als bedoeld in artikel 7.2 lid 2 onder f CAO VO.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-06-2010
104469 - 10.08 Instemmingsgeschil VO - artikel 12 lid 1 onder g WMS (toekenning generieke toelage teamleiders)
De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met het voornemen om voor alle teamleiders, ongeacht hun inschaling, bij goed functioneren een maandelijkse bruto toelage ad € 225 vast te stellen. Het staat vast dat de salariëring van de teamleiders een knelpunt vormt dat niet met behulp van het systeem van functiewaardering kan worden opgelost. Veeleer dient dit knelpunt opgelost te worden in het overleg tussen de CAO-partijen. De vrees van de PGMR dat invoering van een generieke toelage voor teamleiders een opwaartse druk op het salarisbouwwerk veroorzaakt, bijvoorbeeld door het toekennen van vergelijkbare toelagen aan andere functionarissen, is allerminst denkbeeldig. Gelet hierop heeft de PGMR in redelijkheid haar instemming aan het voorgenomen besluit kunnen onthouden. De aan het voorgenomen besluit ten grondslag gelegde arbeidsmarktomstandigheden die nopen de functie van teamleider aantrekkelijker te maken, zijn echter aan te merken als zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. Het bevoegd gezag kan het besluit ten uitvoer leggen. De complete tekst kunt u hier downloaden.
04-06-2010
104466 - 10.07 Interpretatiegeschil PO - artikel 13 onder k WMS (beleid t.a.v. uitwisseling van informatie tussen bevoegd gezag en ouders)
Naar aanleiding van de start van een nieuwe school voor voortgezet onderwijs in de regio, is tussen de GMR en het bevoegd gezag een verschil van mening ontstaan over de vraag of het beleid van de school om ten aanzien van het vervolgonderwijs de voorlichting te beperken tot één school voor voortgezet onderwijs, ter instemming aan de oudergeleding van de GMR moet worden voorgelegd. Het bevoegd gezag staat vanuit zijn protestants christelijke identiteit reeds een lange periode voor dat de leerlingen zich voor vervolgonderwijs na de basisschool aanmelden bij een specifiek genoemde school. Het blijkt een bestendige praktijk die als beleid van het bevoegd gezag gekenschetst kan worden. Het bevoegd gezag zag door omstandigheden de noodzaak het reeds vaststaande beleid bij de scholen in herinnering te brengen, waarbij tot een scherpere omschrijving van dit beleid is gekomen. Van het toevoegen van wezenlijke nieuwe onderdelen of van inhoudelijke veranderingen in dit beleid, was geen sprake.
De beslissing van het bevoegd gezag kan niet worden aangemerkt als de vaststelling of wijziging van beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen bevoegd gezag en ouders zoals genoemd in artikel 13 onder k WMS.
Indien de GMR nieuw beleid wenst, kan hij voor dat doel gebruik maken van het in artikel 6 lid 2 WMS opgenomen recht een voorstel aan het bevoegd gezag te doen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-06-2010
104459 - Interpretatiegeschil artikel 20.4 CAO-VO (faciliteiten P(G)MR); VO
De werkgever en de personeelsgelding van de CMR hebben in 2005 een faciliteitenregeling afgesproken voor onbeperkte duur. Op deze onbeperkte duur is voor één school door een afspraak tussen partijen voor het schooljaar 2008-2009 een afwijkende regeling overeengekomen. De vraag ligt voor welke regeling na dat jaar geldt. De werkgever had na ommekomst van het schooljaar 2008-2009, en nadat hij bovendien had verzuimd om - conform de mede door hemzelf gemaakte afspraken - de in dat jaar geldende regeling te evalueren, opnieuw in overleg met de CMRP moeten treden. Er kan gezien de omstandigheden van het geval niet van uit worden gegaan dat de regeling uit 2005 zonder voorafgaande evaluatie en zonder overleg automatisch weer van kracht is geworden. Dat geen overleg is gevoerd over de faciliteiten heeft gezien het voorgaande feitelijk tot gevolg dat door de werkgever geen instemming is verkregen van de CMRP ten aanzien van een door hem voorgelegd voorstel inzake de facilitering. Derhalve is de werkgever op grond van artikel 20.4 lid 3 CAO-VO gehouden de regeling zoals opgenomen in bijlage 9 van de CAO-VO uit te voeren. De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-05-2010
104468 - 10.06 Interpretatiegeschil VO - artikel 12 lid 1 onder h WMS (taakverdeling/taakbelasting personeel)
De PMR heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot het opdragen van taken aan docenten die lesgeven aan eindexamenklassen. Het bevoegd gezag wil deze docenten in de periode na het examen, waarin de eindexamenleerlingen geen les meer krijgen, inzetten op studie-uren en ter vervanging van afwezige collega's. De Commissie ziet zich voor de vraag geplaatst of de opdracht aan de docenten van eindexamenklassen om na afloop van de examenperiode inval- en studie-uren te verzorgen is aan te merken als een wijziging van de taakbelasting van de betreffende docenten (artikel 12 lid 1 onder h WMS). Voordat het besluit werd (voor)genomen aan deze docenten werden geen lestaken opgedragen ter vervanging van de weggevallen lessen aan de eindexamenklassen ("impliciet beleid"). Derhalve heeft het besluit tot gevolg dat het bevoegd gezag aan de docenten van de eindexamenklassen werkzaamheden kan opdragen die het hen eerder niet kon opdragen. Dit is aan te merken als een wijziging van de taakbelasting van deze categorie docenten. Aan de PMR komt op grond van artikel 12 lid 1 onder h WMS instemmingsrecht toe. De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-05-2010
104485 - 10.05 Interpretatiegeschil VO - artikel 12 lid 1 en onder k WMS (regeling op gebied van arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim of reïntegratiebeleid)
Het bevoegd gezag heeft het contract met de Arbodienst verlengd. Volgens de GMR had dit ter instemming voorgelegd moeten worden.
Artikel 12 lid 1 onder k WMS is gelijkluidend aan de betreffende bepaling uit de Wet op de Ondernemingsraden (artikel 27 lid 1 onder d WOR). Uit de wetsgeschiedenis bij die wet blijkt dat instemming van de ondernemingsraad met betrekking tot regelingen op Ambtsgebied alleen vereist is indien de daarop betrekking hebbende wetten en besluiten (Arbo-wet, Arbo-besluiten, Arbo-regelingen) de ondernemer nog enige invullingsruimte laten. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als er een keuze voor een bepaalde Arbodienst wordt gemaakt. De Minister van Sociale Zaken heeft ook uitdrukkelijk gezegd dat de aanwijzing van een Arbodienst onder het instemmingsrecht van artikel 27 lid 1 onder d WOR valt. Op 1 februari 2007 is er met instemming van de GMR een Arbocontract voor de duur van twee jaar gesloten. Dit contract is stilzwijgend verlengd voor een jaar. Het contract is na een positieve evaluatie onder schoolleiders m.i.v. 01-09-2009 met drie jaar verlengd. Het bevoegd gezag had ook een andere keuze kunnen maken. Nu er sprake was van beleidsruimte viel het besluit om het contract met de Arbodienst te verlengen voor drie jaar onder de aangelegenheid van artikel 12 lid 1 onder k WMS. Aangezien de Arbodienst het verzuimbeleid ondersteunt ten behoeve van alle scholen die vallen onder het bevoegd gezag, betreft het een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor alle scholen van het bevoegd gezag zodat ingevolge artikel 16 lid 1 WMS jo artikel 23 onder l GMR-reglement de PGMR terzake instemmingsrecht heeft. De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-05-2010
104464 - 10.04 Interpretatiegeschil VO - artikel 16 lid 2 onder a en b WMS (hoofdlijnen meerjarig financieel)
De GMR en het bevoegd gezag verschillen van mening over de vraag of de GMR adviesbevoegdheid toekomt m.b.t. het werven en aanstellen van een interim-manager en m.b.t. de te maken kosten die voortvloeien uit het ontslag van een rector. Aangezien de interim-manager niet is belast met bovenschoolse zaken is ingevolge artikel 11 onder h WMS de MR van de betrokken school en niet de GMR bevoegd te adviseren over de aanstelling van de interim-manager. Partijen zijn het erover eens dat de vastgestelde notitie 'Weerstandsvermogen' deel uitmaakt van het financieel beleid. In die notitie is aangegeven voor welke risico's het weerstandsvermogen gebruikt kan worden. De kosten die voortvloeien uit het ontslag van een rector en het aanstellen van een interim-manager zijn ten laste van het schoolbudget en daar waar nodig ten laste van het weerstandsvermogen gebracht. Daarmee is het weerstandsvermogen gebruikt conform de criteria (zoals beschreven door het bevoegd gezag in een beleidsnotitie waar de GMR mee heeft ingestemd) waarvoor het is bedoeld en is er naar het oordeel van de Commissie geen sprake van een wijziging van de voorgenomen bestemming van de financiële middelen die ter advisering aan de GMR voorgelegd had moeten worden.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-03-2010
104437 - 10.03 Adviesgeschil VO - artikel 11 onder f WMS (organisatiebeleid) artikel 34 lid 2 WMS (termijn adviesgeschil)
Het besluit van het bevoegd gezag tot clustervorming van de onder zijn gezag vallende scholen is een besluit tot vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie van de school, waarvoor de GMR adviesrecht heeft. De GMR heeft negatief geadviseerd en het bevoegd gezag heeft dat advies niet opgevolgd. De GMR legt een adviesgeschil voor aan de Commissie. Artikel 34 lid 2 WMS bepaalt dat de GMR een adviesgeschil indient binnen zes weken nadat het bevoegd gezag het betrokken besluit heeft genomen. Deze termijn is ruim overschreden; de GMR meende dat de termijn verlengd werd met de duur van de kerstvakantie. De Commissie overweegt dat de termijn niet wordt opgeschort gedurende een voor de school geldende vakantieperiode, aangezien de WMS ter zake geen bepaling bevat. De bepaling in artikel 17 van het Reglement van de Commissie, inhoudende dat de termijnen worden verlengd met de vakantieperiodes van de instelling, ziet uitsluitend op de in het desbetreffende reglement opgenomen termijnen. Voorts zijn geen omstandigheden gebleken die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Het verzoek is niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare overschrijding van de termijn voor indiening van een adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-03-2010
104397 - 10.02 Instemmingsgeschil taakbelasting VO - artikel 12 onder h WMS (taakverdeling respectievelijk taakbelasting personeel, de schoolleiding daaronder niet begrepen)
De PGMR heeft instemming aan het voorstel arbeidsvoorwaardenregeling onthouden vanwege de manier waarop de maatregel ter beperking van de werkdruk van het onderwijzend personeel daarin was opgenomen. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of het onderwijzend personeel een beroep kan doen op zowel de werkdruk verlagende maatregel uit de eigen rechtspositieregeling, als op het trekkingsrecht uit de CAO. Dienaangaande overweegt de Commissie dat de regeling van het trekkingsrecht in de CAO gedeeltelijk voorziet in een onderwerp - verlaging van de werkdruk van onderwijzend personeel - waarvoor in de eigen rechtspositieregeling al een, in uren ruimere, regeling was getroffen. Niet valt in te zien waarom het trekkingsrecht uit de CAO VO bovenop de reeds bestaande werkdruk verlagende maatregel zou moeten komen. Door het trekkingsrecht van de CAO VO in te voeren en daar bovenop de mogelijkheid te laten bestaan om naar eigen inzicht invulling te geven aan 21 uur niet-lesgevende taken, doet het bevoegd gezag geen afbreuk aan de regeling die reeds jaren bij het bevoegd gezag gold. De PGMR heeft niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan het voorgenomen besluit m.b.t. de werkdrukverlaging kunnen komen en het bevoegd gezag kan het besluit ten uitvoer leggen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-03-2010
104273 - 10.01 Instemmingsgeschil VO - artikel 12 onder b WMS (vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie)
De PMR erkent dat de financiële situatie van de school dermate ernstig is dat formatiereductie noodzakelijk is, maar stemde niet in met het meerjarenformatieplan omdat zij het niet terecht achtte dat het begrotingstekort grotendeels wordt afgewenteld op het personeel. Het bevoegd gezag ontvangt bekostiging voor 1 fte onderwijzend personeel per 17,14 leerlingen maar er is bij het formatieplan uitgegaan van 1 fte per 20 leerlingen. Het bevoegd gezag en de PMR zijn het erover eens dat de ratio in de loop der jaren afgebouwd moet worden. Wat partijen nog verdeeld houdt, is onder welke omstandigheden de afbouw wel kan plaatsvinden en onder welke omstandigheden dit niet het geval kan zijn. Het bevoegd gezag wil de ratio bijstellen zodra er financiële ruimte is. Met die toezegging neemt de PMR geen genoegen. Dit is naar het oordeel van de Commissie niet terecht omdat gebleken is dat het bevoegd gezag in 2009 al gebruik heeft gemaakt van de financiële ruimte om extra formatie in te zetten. Dat er mogelijk verschil van mening kan ontstaan over de vraag of er nu wel of geen financiële ruimte is om de ratio af te bouwen, is naar het oordeel van de Commissie geen reden voor de PMR om nu en in algemene zin niet in te stemmen met het voorstel over de afbouw van de ratio. Daarover kan advies ingewonnen worden bij een onafhankelijk financieel deskundige. De PMR heeft niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan het voorgestelde formatieplan 2009-2012 kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-02-2010
104282 - Instemmingsgeschil vaststelling strategienota "Onderzoek en Lectoren"; HBO
De Hogeschoolraad weigert in te stemmen met de strategienota omdat deze te vrijblijvend is. Er is geen structurele en formele verbinding tussen academies en lectoraten. Daarenboven worden de bijdragen van de lectoren nergens gekwantificeerd en worden de studenten te weinig bij het lectoraat betrokken. De Commissie overweegt dat inherent is aan een strategienota dat er sprake is van in algemene zin geformuleerde uitgangspunten die nog nadere vertaling/uitwerking in de praktijk zullen krijgen. Het College van Bestuur heeft in de strategienota in Hoofdstuk 3 aandacht besteed aan de verbinding lectoraat en onderwijs. Het heeft aangegeven dat het belangrijk is dat er stevige verbindingen tussen onderwijs en onderzoek ontstaan en dat een sterke verbinding van het onderzoek met de beroepspraktijk kenmerkend is voor het type onderzoek dat de hogeschool wil doen. Ook is aandacht besteed aan de betekenis van het lectoraat voor de studenten en aan de verhouding tussen het lectoraat en de academies. Dat het College van Bestuur hiermee onvoldoende blijk heeft gegeven van verbinding tussen de lectoren en het onderwijs en dat het College van Bestuur de nota te eenzijdig vanuit de onderzoekscomponent heeft opgezet, is aldus niet gebleken, net zomin als dat de rol van de student onderbelicht zou zijn. Immers, de door de Hogeschoolraad genoemde verbinding is door het College van Bestuur in de nota aan de orde gesteld en - op strategisch niveau - vormgegeven. Het College van Bestuur heeft in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-12-2009
104290 - Instemmingsgeschil invoering werkrooster docenten; MBO
Het werkrooster bestaat uit een overzicht van in enig jaar door een docent te verrichten werkzaamheden (planning) en de daaraan daadwerkelijk bestede tijd (realisatie). Voorts bevat de notitie "Werkrooster docenten" onder meer bepalingen over overuren, werktijden en (het opnemen van) vrije dagen. De Commissie merkt het voorstel aan als betrekking hebbend op de vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel 8 lid 1 onder d WMO 1992. Gelet op het nieuwe systeem van taakverdeling in de CAO-BVE waarbij de taken binnen de teams verdeeld dienen te worden en de aanhoudende signalen over de werkdruk van docenten acht de Commissie het verkrijgen van - ook cijfermatig - inzicht in de tijdsbesteding van docenten niet onredelijk. Dit inzicht kan er toe bijdragen dat de taakverdeling binnen de teams realistisch, dit wil zeggen op basis van reëel te besteden tijd, plaatsvindt. Het bevoegd gezag heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel, neergelegd in de notitie "Werkrooster docenten", kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-12-2009
104276 - Interpretatiegeschil VO - artikel 14 lid 2 onder c en d WMS (bestemming middelen die van ouder/leerlingen gevraagd worden)
Een interpretatiegeschil met het ouderdeel van een deelraad. Het bevoegd gezag verhoogt jaarlijks de schoolspecifieke ouderbijdragen op een school voor internationaal onderwijs, zonder dit voor te leggen aan het ouderdeel van de deelraad. Zowel de oudergeleding als het ouderdeel van een deelraad is op grond van de WMS bevoegd een geschil aan de Commissie voor te leggen. Ingevolge artikel 27 lid 2 WVO zijn er twee soorten geldelijke bijdragen van ouders mogelijk: de bijdrage die bij of krachtens wet geregeld is en de vrijwillige bijdrage. Alleen voor de vrijwillige bijdrage geldt dat de toelating van de leerling daarvan niet afhankelijk gesteld kan worden. De in het geding zijnde Schoolfee is voor ouders verplicht en wordt aangegaan bij overeenkomst vóór toelating op de school. Dit vindt voor deze school zijn basis in artikel 73 WVO. Aldus dient de Schoolfee te worden aangemerkt als een bijdrage, meer bepaald een cursusgeld, waarvoor een wettelijke verplichting bestaat, welke in artikel 14 lid 2 onder c WMS is uitgezonderd van het instemmingsrecht.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-12-2009
104312 - Interpretatiegeschil PO - artikel 10 onder b en artikel 16 lid 1 WMS (bevoegdheid MR of GMR zorgplan samenwerkingsverband)
Het bevoegd gezag neemt met twee, respectievelijk vier scholen deel aan twee samenwerkingsverbanden. De overige scholen van het bevoegd gezag vormen tezamen een samenwerkingsverband. Het bevoegd gezag en de GMR verschillen van mening over de vraag of aan de GMR of aan de MR'en instemmingsrecht toekomt ten aanzien van de zorgplannen van de samenwerkingsverbanden. Uit de bewoordingen van artikel 16 lid 1 WMS blijkt dat de aard van de desbetreffende aangelegenheid kan bewerkstelligen dat de GMR bevoegd is, ook indien ogenschijnlijk minder dan de helft van de onder het bevoegd gezag vallende scholen direct bij de aangelegenheid betrokken is. In het onderhavige geval heeft de GMR niet aannemelijk gemaakt dat het vaststellen van de zorgplannen van de twee samenwerkingsverbanden naar zijn aard een aangelegenheid is, die van gemeenschappelijk belang is voor alle of voor de meerderheid van de scholen van het bevoegd gezag.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
30-11-2009
104240 - Interpretatiegeschil PO - artikel 16 lid 2 onder c en lid 3 (bevoegdheid GMR bij benoeming bovenschools directeur en uitbreiding College van Bestuur)
De GMR heeft een interpretatiegeschil ingediend over de vraag welke rol voor de GMR is weggelegd bij de benoeming van centraal directeuren en bij de uitbreiding van het College van Bestuur met één lid. Uit de aanhef van artikel 16 lid 2 WMS blijkt dat de GMR over bevoegdheden beschikt naast de in artikel 16 lid 1 WMS genoemde bevoegdheid. Deze wettekst biedt naar het oordeel van de Commissie geen ruimte voor een andere uitleg dan dat het adviesrecht van de GMR ten aanzien van de aanstelling en het ontslag van personeel dat belast is met managementtaken geldt, ook wanneer dit niet voor de meerderheid van de scholen van het bevoegd gezag van belang is. De leden van het College van Bestuur vallen niet onder het begrip personeel dat in artikel 1 onder i WMS is gedefinieerd. Dit betekent dat het begrip "personeel" in artikel 16 lid 2 onder c en lid 3 WMS niet mede omvat de leden van het College van Bestuur. Het besluit tot uitbreiding van het College van Bestuur valt onder het meerjarig financieel beleid waarvoor de MR adviesrecht heeft op grond van artikel 16 lid 2 onder a WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-11-2009
104215 - Interpretatiegeschil begrip functiebouwwerk; VO
Interpretatiegeschil met betrekking tot de vraag of de beschrijving van de functie van de adjunct-directeur onder het functiebouwwerk valt en of de PMR daarover instemmingsrecht heeft. Nadat de werkgever de PMR had verzocht in te stemmen met het voorgenomen besluit om voor de schoolleiding te gaan werken met één eindverantwoordelijke directeur en twee adjunct-directeuren, wilde de PMR nader over de procedure geïnformeerd wil worden. De PMR kon zich globaal in het voorgestelde functiewerk vinden. Vervolgens stemde de PMR stemde wel in met de benoemingsprocedure voor de adjunct-directeur maar niet met de functiebeschrijving van de adjunct-directeur. Dat was volgens de werkgever ook niet nodig, volgens de PMR wel. De Commissie is van oordeel dat, vanwege de samenhang met artikel 20.2. lid 2 CAO-VO, het begrip 'functiebouwwerk' als bedoeld in artikel 10.1 lid 1 CAO-VO aldus dient te worden verstaan dat daaronder tevens de beschrijvingen van de functies zijn begrepen. Invulling van het functiebouwwerk houdt naar het oordeel van de Commissie immers in dat de werkgever niet alleen aangeeft welke functies de organisatie heeft maar dat de werkgever daarbij aan de hand van functiebeschrijvingen ook aangeeft welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden horen bij de genoemde functies. Op grond van artikel 10.1 lid 1 juncto artikel 20.2 lid 1 CAO-VO kan de werkgever het aldus ingevulde functiebouwwerk niet vaststellen zonder instemming van de P(G)MR.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-11-2009
104268 - Interpretatiegeschil PO - artikel 11 onder h (benoeming directeur) en artikel 17 WMS
Het bevoegd gezag heeft zonder voorafgaand advies van de MR een directeur benoemd voor één jaar op basis van detachering. Volgens de MR is het besluit adviesplichtig en moeten de verplichtingen van artikel 17 WMS worden nageleefd. Hangende het geschil voor de Commissie, zijn partijen het erover eens dat het adviesrecht van de MR ten aanzien van de aanstelling van de schoolleiding (art. 11 onder h WMS) zich mede uitstrekt over een tijdelijke aanstelling, ook als deze op detacheringsbasis plaatsvindt. Naar het oordeel van de Commissie is deze zienswijze juist: wettekst en parlementaire behandeling geven geen argumenten een constructie op detacheringbasis buiten het bereik van het adviesrecht te plaatsen. Voor het concrete geval betekent dit dat bij de adviesaanvraag van het bevoegd gezag ten aanzien van de tijdelijke benoeming van de directeur artikel 17 WMS in zijn geheel dient te worden nageleefd. Partijen verschillen nog wel van mening over de gevolgen die aan deze interpretatie dienen te worden verbonden nu de benoeming ten tijde van de adviesaanvraag reeds had plaatsgevonden. De Commissie oordeelt dat niet valt in te zien waarom de voorschriften van artikel 17 WMS geen gelding meer zouden hebben indien het bevoegd gezag in afwijking van de WMS ten tijde van de adviesaanvraag reeds een besluit heeft genomen. Ten overvloede wijst de Commissie er op dat een eventuele vordering van de MR tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de MR is geregeld in artikel 36 WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-11-2009
104236 - Instemmingsgeschil taakbelastingbeleid; BVE
De PMR heeft instemming onthouden aan de notitie "Gezamenlijke kaders taakbelasting". Aan de teams moet volgens het bevoegd gezag de ruimte worden geboden om over de normering van activiteiten naar eigen inzicht afspraken te maken. Het voorstel leidt waarschijnlijk tot verhoging van de werkdruk, aldus de PMR. Bovendien is nagenoeg het gehele taakbelastingsbeleid onttrokken aan invloed van de PMR. In geschil is of de rechtszekerheid van het personeel door het stellen van summiere kaders in het gedrang komt. Allerminst valt uit te sluiten dat de invoering van het competentiegerichte onderwijs in samenhang met de aanstelling van praktijkassistenten niet noodzakelijkerwijs tot taakverzwaring hoeven te leiden. In dat licht is van belang de toezegging om na een jaar van werken met de voorgestelde kaders het effect grondig te evalueren. Indien het ontbreken van striktere kaders leidt tot een onbillijke uitkomst van de werkverdeling op teamniveau voor een individuele werknemer, biedt artikel F-8 CAO aan de interne geschillencommissie de mogelijkheid om deze onbillijkheid ongedaan te maken. Het CvB heeft bij afweging van de belangen in redelijkheid tot het voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-11-2009
104234 - Interpretatiegeschil start duale opleiding; HBO
Geschil over de vraag of de MR instemmingsrecht heeft ten aanzien van ene voorgenomen besluit te starten met enkele duale opleidingen in een ander deel van het land. Volgens de MR is dit een instemmingsaangelegenheid die rechtstreeks raakt aan drie instemmingsaangelegenheden uit het medezeggenschapsreglement: wijziging of vaststelling van het instellingsplan (artikel 22 onder a), regels op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn (artikel 22 onder g) en het beleid met betrekking tot de besteding van de middelen van de hogeschool (artikel 22 onder h).
Het besluit enkele duale opleidingen te starten is in dit geval niet aan te merken als strijdig met het instellingsplan en evenmin als een wijziging daarvan. De Commissie is daarnaast niet gebleken dat de start van een duale opleiding tot wijziging van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden heeft geleid of zou moeten leiden. Vele besluiten van een College van Bestuur hebben financiële gevolgen. Dat betekent echter nog niet dat, indien er geen specifieke aangelegenheden zijn die betrekking hebben op de inhoud van het besluit, die besluiten dan dienen te worden aangemerkt als een wijziging van het financieel beleid waarvoor ingevolge het medezeggenschapsreglement instemmingsrecht geldt. Dat laatste zal slechts het geval zijn indien het besluit van zodanig fundamenteel belang is dat er sprake is van een wijziging van de visie op de besteding van de middelen. Daarvan is hier geen sprake gezien de geringe druk die het besluit op de begroting legt. Op grond van artikel 10.20 onder e WHW heeft de MR een instemmingsbevoegdheid ten aanzien van het vaststellen of wijzigen van de onderwijs- en examenregeling (OER). Artikel 7.13 tweede lid onder f WHW bepaalt dat in de OER "de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding" moet zijn geregeld. In de OER dient dus de vormgeving van de duale opleiding beschreven te worden. Naar het oordeel van de Commissie is 'vaststelling en wijziging van de onderwijs- en examenregeling' de specifieke aangelegenheid waar het starten van de duale opleiding Verpleegkunde, die de aanleiding vormt voor dit geschil, onder valt.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
21-10-2009
104224 - Instemmingsgeschil instellen centrale stafeenheid; HBO
Het College van Bestuur heeft met instemming van de MR een strategisch plan vastgesteld voor de periode 2009-2012. Vervolgens heeft de MR niet ingestemd met het voorgenomen besluit van het College van Bestuur om de beleidsmatige ondersteuning van de in het plan neergelegde visie onder te brengen in een centrale stafeenheid, onder de leiding van een projectleider.
De bezwaren hebben met name betrekking op de nieuwe functie van projectleider. De Commissie overweegt dat, nog los van de vraag of projectleider een topfunctie is, er niet meer managementfuncties komen aangezien er in ieder geval twee directeursfuncties komen te vervallen in de nieuwe constructie. In die zin is er geen sprake van een uitbreiding van de formatie of van de top. Het is voldoende gebleken dat door de ambities in het strategisch plan en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden voor de staf in relatie met het opheffen van de oude organisatorische stafdiensten en de nieuw te vormen stafeenheid, er een dusdanig nieuwe situatie ontstaat dat het niet onredelijk is dat daar één leidinggevende voor wordt aangesteld. Gezien de aard en inhoud van de in het voorstel beschreven beoogde werkzaamheden van de leidinggevende, lijkt het de Commissie niet realistisch dat één van de senior-beleidsmedewerkers dit naast zijn eigenlijke werkzaamheden zou kunnen doen, zoals door de MR is gesuggereerd.
Alles overziende oordeelt de Commissie dat het College van Bestuur in redelijkheid tot het voorstel tot instelling van een centrale stafeenheid met daarbij de functie van projectleider heeft kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-10-2009
104227 - Interpretatiegeschil VO - artikel 11 onder i, artikel 11 onder h, artikel 12 onder b WMS (concrete taakverdeling schoolleiding, samenstelling formatie, aanstelling en ontslag schoolleiding)
Na het vertrek van de rector heeft het bevoegd gezag één van de twee conrectoren benoemd tot rector. De vrijgevallen functie van conrector wordt niet meer vervuld. In geschil is welke bevoegdheid de (P)MR ten aanzien van deze beslissingen toekomt. De Commissie overweegt dat door de inkrimping van de schoolleiding een herschikking van taken dient plaats te vinden. Dit komt neer op een wijziging van de concrete taakverdeling binnen de schoolleiding en op een wijziging van het managementstatuut, waarvoor de MR op grond van het medezeggenschapsreglement adviesbevoegdheid heeft. De inkrimping van de directieformatie is ook een wijziging van de samenstelling van de formatie waarvoor de (P)MR instemmingsrecht heeft. Voorts valt de benoeming van de rector onder de aangelegenheid 'aanstelling van de schoolleiding' waarvoor de PMR op grond van het medezeggenschapsreglement instemmingsrecht heeft. Weliswaar was de benoemde rector voorheen reeds lid van de schoolleiding maar de functie van rector is een wezenlijk andere dan de functie van conrector. Overgang van functie kan volgens de CAO VO niet anders plaatsvinden dan door ontslag uit de oude functie en benoeming in de nieuwe functie en de benoeming is niet louter formatief maar ook rechtspositioneel.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-10-2009
104238 - Instemmingsgeschil PMR taakbelasting VO - artikel 16 WMS (bevoegdheid GMR)
Instemmingsgeschil met de PMR van een school over een voorgenomen maatregel tot werkdrukvermindering die onderdeel is van een voorgestelde rechtspositieregeling voor het personeel van alle onder het bevoegd gezag ressorterende scholen. Op grond van artikel 16 lid 1 WMS treedt de PGMR in de plaats van de PMR indien het een aangelegenheid betreft die van gemeenschappelijk belang is voor alle scholen of voor de meerderheid van de scholen van het bevoegd gezag. Dit betekent dat de PGMR ter zake van het instemmingsrecht ten aanzien van de voorgestelde maatregel tot werkdrukverlaging in de plaats treedt van de PMR-en van de scholen van het bevoegd gezag. Derhalve is niet de PMR maar de PGMR bevoegd tot het uitoefenen van het instemmingsrecht. Nu het instemmingsrecht terzake toekomt aan de PGMR kan het bevoegd gezag geen instemmingsgeschil met de PMR hebben. Dientengevolge kan het bevoegd gezag niet worden ontvangen in zijn verzoek aan de Commissie tot behandeling van een instemmingsgeschil met de PMR.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-10-2009
104139 - Interpretatiegeschil PO - artikel 16 WMS (bevoegdheden GMR)
Enkele jaren na de oprichting van een Stichting ten behoeve van meerdere scholen voor primair onderwijs, heeft het bevoegd gezag in het kader van de ontwikkeling van de organisatie, onder meer voorgesteld om het takenpakket van de schooldirecteur aan te passen en om de verdelingssystematiek van de financiële middelen aan te passen. Volgens de MR van een school betreft het schoolspecifieke aangelegenheden die het bevoegd gezag ter instemming aan de MR had moeten voorleggen. Het bevoegd gezag meent dat het gaat om zaken die van gemeenschappelijk belang zijn als gevolg waarvan de GMR op grond van de WMS van rechtswege treedt in de bevoegdheden van de MR.
De Commissie stelt vast dat het besluit over de wijziging van de directeursfunctie geldt voor alle scholen die vallen onder het bevoegd gezag en derhalve ook gevolgen heeft voor alle scholen en voor de organisatie als geheel. Dit betekent dat er sprake is van een besluit dat van gemeenschappelijk belang is voor alle scholen als bedoeld in artikel 16 lid 1 WMS, zodat de GMR ter zake in de plaats treedt van de MR. Echter, daar waar er binnen de kaders van het genomen besluit nog ruimte is voor nadere invulling van de directietaak op schoolniveau, dient het bevoegd gezag daarover aan de desbetreffende MR-en advies te vragen op grond van artikel 11 aanhef en onder i WMS. Voor wat betreft de toedeling van de middelen aan de scholen zijn partijen het erover eens dat deze toedeling is aangepast en dat de GMR ter zake om advies is gevraagd. Nu het gaat om de bestemming van de middelen en de criteria die worden toegepast bij de verdeling van de middelen over voorzieningen op bovenschools niveau en op schoolniveau, is er sprake van een aangelegenheid die valt onder artikel 16 lid 2 WMS ten aanzien waarvan niet de MR maar de GMR van rechtswege adviesrecht heeft. De wijze waarop de toegedeelde middelen vervolgens op schoolniveau worden ingezet is een aangelegenheid die valt onder artikel 11 lid b WMS.
Tot slot merkt de Commissie op dat het gegeven dat het gaat om aangelegenheden waarover de GMR geconsulteerd dient te worden, onverlet laat dat het bevoegd gezag de MR-en hierover dient te informeren. Dat volgt uit het informatierecht zoals geregeld in artikel 8 lid 1 WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-10-2009
104148 - Interpretatiegeschil VO - artikel 24 lid 1 onder g WMS (termijn voor instemming) en reglementsbepaling
In het medezeggenschapsreglement is opgenomen dat als de GMR niet binnen de afgesproken reactietermijn uitsluitsel heeft gegeven of hij al dan niet instemt met het voorgenomen besluit, het voornemen kan worden omgezet in een definitief besluit. Ondanks dat het GMR-reglement ten tijde van het instemmingsverzoek niet gold, doet de Commissie ambsthalve uitspraak over de interpretatie omdat het GMR-reglement een werkingsduur heeft tot 1 augustus 2010. De WMS geeft niet aan of instemming mondeling of schriftelijk gegeven moet worden. Ook heeft de WMS niet geregeld of de instemming expliciet gegeven moet worden dan wel ook impliciet gegeven kan worden. De WMS geeft in dit verband aan dat in het reglement in ieder geval wordt geregeld binnen welke termijnen tot instemming of tot onthouding van instemming dient te worden besloten (artikel 24 lid 1 aanhef en onder g). Uit het dwingend karakter van de wet, voortvloeiend uit artikel 2 WMS, en de formuleringen in de WMS dat het bevoegd gezag de voorafgaande instemming behoeft, alsmede dat in het reglement de termijnen worden geregeld binnen welke tot instemming of tot onthouding dient te worden besloten, leidt de Commissie af dat het uitblijven van een reactie van (een geleding van) de (G)MR binnen een in het reglement bepaalde termijn niet aangemerkt kan worden als een besluit tot instemming, ook niet als dat als zodanig in een (G)MR-reglement is opgenomen. Binnen het systeem van de wet past het naar het oordeel van de Commissie wel dat als (een geleding van) de (G)MR is gevraagd binnen een bepaalde termijn met een voorgenomen besluit in te stemmen en dit niet binnen die termijn doet, te veronderstellen dat er dan geen instemming is verleend. Op dat moment kan het bevoegd gezag een instemmingsgeschil voorleggen aan de Commissie, mits over het voornemen overleg heeft plaatsgevonden. Immers, op grond van artikel 31 aanhef en onder a WMS is de Commissie op verzoek van het bevoegd gezag bevoegd van een zogenoemd instemmingsgeschil kennis te nemen. Aldus kan het bevoegd gezag voorkomen dat het nemen van besluiten door het uitblijven van een reactie op het instemmingsverzoek, onevenredig lang wordt opgehouden.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-07-2009
104174 - Geschil uitoefening trekkingsrecht; VO
De werknemer heeft gevraagd of hij zijn volledige trekkingsrecht (artikel 7.2 CAO VO 2008-2010) in de vorm van een vermindering van zijn lestaak in één periode, bijvoorbeeld een week, kon laten vallen. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of de leraar, die kiest voor vermindering van zijn lestaak, zelf kan bepalen in welke periode die vermindering verwezenlijkt wordt en in welke periode hij de vervangende taken zal verrichten. Gelet op de bewoordingen in de CAO staat het de leraar in beginsel vrij om, naast het aangeven welke werkzaamheden hij door andere werkzaamheden wenst te vervangen, aan te geven in welke periode hij het trekkingsrecht wil effectueren. Doel van de regeling is immers dat de individueel ervaren werkdruk verminderd wordt. Gelet op het individuele recht van de werknemer kan de werkgever slechts op grond van zwaarwegende redenen die verband houden met de organisatie van de school en het onderwijs, weigeren aan de uitgesproken keuze van de werknemer tegemoet te komen. Omdat werknemer heeft geopteerd voor uitbetaling en niet duidelijk heeft aangegeven hoe hij het trekkingsrecht anders had willen uitoefenen is hij niet belemmerd in die uitoefening.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-07-2009
104094 - Instemmingsgeschil begroting School HBO
De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de begroting 2008-2009 omdat hij het niet eens is met het in de begroting uitgewerkte taakbelastingsbeleid, bezwaren heeft tegen het ontbreken van een personeelsplan en over onvoldoende informatie beschikt. De Commissie stelt vast dat het overleg tussen partijen zijn gebreken heeft gehad; beide partijen zullen daarin een rol hebben gespeeld. Een arbeidsconflict met de voorzitter van de SMR is daarbij in grote mate een complicerende factor. De deelraad heeft zijn instemming mede onthouden vanwege het taakbeleid van de school zoals dat de afgelopen jaren is uitgevoerd en de wijze waarop vorm en uitvoering werd gegeven aan de door het College van Bestuur opgelegde bezuiniging. De Commissie stelt vast dat deze twee onderwerpen vallen onder het instemmingsrecht t.a.v. taakbelastingsbeleid en het personeelsplan. Niet gebleken is dat in de begroting een onlangs vast- of voorgesteld taakbeleid is verwerkt. Indien de deelraad meent dat de directeur ten onrechte geen taakbelastingsbeleid of personeelsplan ter instemming aan hem voorlegt, is de juiste weg hierover bij de kantonrechter naleving van de wet als bedoeld in artikel 10.33 WHW af te dwingen. De (deel)raad heeft dat niet gedaan, terwijl dit bezwaar wel reeds langere tijd speelt en hij zich kennelijk niet kan verenigen met de werkwijze van de School. M.b.t. het ontbreken van een personeelsplan en met name de wijze waarop gekomen is tot een aantal functiegroepen in het kader van het vaststellen van boventalligheid, merkt de Commissie op dat het beleid inzake boventalligheid is vormgegeven en vastgesteld in het overleg tussen College van Bestuur en vakorganisaties. Hoewel het de Commissie bevreemdt dat niet met een indeling van vergelijkbare functies en leeftijdscohorten gewerkt is (conform de op bestuursniveau vastgestelde regelingen), geldt ook hier dat niet de instemmingsprocedure met betrekking tot de begroting de geëigende weg is om deze kwestie aan de orde te stellen. Alles overziende is de Commissie van oordeel dat de verhoudingen tussen partijen dermate zijn verstoord dat van reële medezeggenschap geen sprake is geweest. Nu niet gebleken is dat het compleet spaak gelopen overleg - en dus de kwaliteit van de wederzijdse informatie uitwisseling - tussen partijen in overwegende mate aan de directeur dan wel de deelraad te verwijten is en daarenboven het begrotingsjaar bijna voorbij is, meent de Commissie dat het risico hiervan thans niet eenzijdig bij het College van Bestuur/de directeur kan worden neergelegd in die zin dat zou moeten worden geconcludeerd dat het College van Bestuur/de directeur niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De Commissie concludeert dat onder de gegeven omstandigheden geoordeeld moet worden dat het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgestelde begroting heeft kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-07-2009
104156 - Instemmingsgeschil SPO - artikel 12 onder f en h WMS (arbeids- en rusttijden en taakbeleid)
De PGMR van drie scholen voor speciaal onderwijs cluster 4 heeft geweigerd in te stemmen met de voorgestelde wijziging van het taakbeleid en de lunchpauzetijd. De PGMR weigerde in te stemmen omdat in het voorstel een aantal categorieën personeelsleden wordt uitgesloten van de mogelijkheid om gebruik te maken van de compensatieregeling die in de CAO PO is vastgelegd. De PGMR stemde ook niet in met het voorstel om te voorzien in een dagelijkse ongestoorde lunchpauze van 15 tot 20 minuten voor het personeel. Omdat de voorgestelde pauzetijd in strijd is met artikel 2.4 lid 3 CAO PO oordeelt de Commissie dat de PGMR in redelijkheid haar instemming aan het voorstel heeft kunnen onthouden.
De voorgestelde uitsluiting van parttimers van gebruikmaking van de compensatieregeling is in strijd met het verbod op het maken van onderscheid naar arbeidsduur (art. 7:648 BW). Als er vanwege de bijzondere leerling-populatie al sprake is van een legitiem doel, namelijk maximaal twee leerkrachten per groep, dan is niet gebleken dat dit doel niet door middel van efficiënte verdeling van taken en roostering bereikt kan worden. M.b.t. de voorgestelde uitsluiting van de OOP-ers en de ambulante begeleiders overweegt de Commissie dat niet is onderbouwd dat er onvoldoende werk is om werknemers op weekbasis voor meer uren in te roosteren. Het tweede argument, dat het in het belang van de organisatie is dat de bedoelde werknemers aanwezig zijn als de leerlingen en het lesgevend en behandelende personeel er zijn, kan op zichzelf de uitsluiting niet rechtvaardigen.
De PGMR heeft in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan de voorgenomen wijziging van het taakbeleid en de werktijdenregeling kunnen komen en er is geen sprake van zwaarwegende omstandigheden die het voorstel rechtvaardigen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-06-2009
104176 - Instemmingsgeschil VO - artikel 12 lid 1 onder o WMS (regeling aanstellingsbeleid).
De PMR heeft niet ingestemd met de voorgestelde benoemingsprocedure voor de schoolleiding omdat de MR daarin geen rol van betekenis heeft. Het bevoegd gezag stelt dat de PMR in verband met het adviesrecht van de MR t.a.v. een voorgenomen besluit tot benoeming van de schoolleiding, geen zeggenschap heeft over de benoemingsprocedure.
Omdat de voorgestelde procedure geen enkele vorm van participatie van de MR inhoudt, is er volgens de Commissie sprake van een ingrijpende wijziging van de bestaande regeling aan de school. Die wijziging dient met de nodige zorgvuldigheid tot stand te komen. Tot die zorgvuldigheid rekent de Commissie het voeren van reëel overleg met de PMR en een voldoende motivering van het voorstel. Vanwege tijdsdruk was er voor de PMR weinig tijd voor onderzoek en intern beraad en heeft er ook onvoldoende reëel overleg over het voorstel plaatsgevonden.
Ten aanzien van de motivering van het voorstel oordeelt de Commissie dat participatie van de MR in de wervings- en selectieprocedure niet op gespannen voet staat met het adviesrecht van de MR t.a.v. de benoeming van de schoolleider (art. 11 onder h WMS): het betreft twee aangelegenheden die niet op één lijn te brengen zijn. Het voorstel is voorts deels onjuist en niet draagkrachtig gemotiveerd.
De PMR is in redelijkheid tot het onthouden van instemming gekomen en er is geen sprake van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel rechtvaardigen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
23-06-2009
104123 - Interpretatiegeschil SVO over begrip onderwijstijd (artikel 13 onder h WMS)
De oudergeleding van de MR (OMR) heeft instemming onthouden aan het voorgestelde lestijdenrooster 2008-2009 omdat daarin de lunchtijd als onderwijstijd werd aangemerkt, vanwege de omvang van de lunchtijd en omdat niet alle daadwerkelijk genoten/gegeven vrije dagen in het voorstel waren opgenomen. Daarop heeft het bevoegd gezag een interpretatiegeschil over het begrip 'onderwijstijd' aan de Commissie voorgelegd.
Volgens het bevoegd gezag wordt de lunchtijd benut in het kader van het bijbrengen van sociale vaardigheden aan de leerlingen en het bevorderen van sociale redzaamheid en gezond gedrag. De OMR meent dat de lunchtijd, zoals die op de school wordt ingevuld, niet als onderwijstijd kan worden aangemerkt. Volgens de OMR voegt de school onderwijsinhoudelijk niets toe tijdens de lunchtijd.
De Commissie sluit aan bij de bewoordingen van de brief van de minister en de staatssecretaris van OCW van 7 september 2006 (TK 2005-2006, 27451, nr. 60), in welke brief ten aanzien het gehele voortgezet onderwijs de criteria worden gesteld voor activiteiten ter voldoening aan de urennorm:
1. het moet gaan om begeleid onderwijs, dat wil zeggen dat de leerlingen afdwingbaar aanspraak kunnen maken op begeleiding;
2. het onderwijs moet deel uitmaken van het door de school geplande en voor alle leerlingen van een bepaalde stroom verplichte onderwijsprogramma;
3. het onderwijs moet onder verantwoordelijkheid van een leraar worden verzorgd, die op grond van de wet met die werkzaamheden mag worden belast.
Hieruit volgt naar het oordeel van de Commissie dat in beginsel activiteiten tijdens de lunchtijd kunnen worden gerekend tot de onderwijstijd mits zij voldoen aan voornoemde criteria.
Voor de interpretatie van het begrip 'onderwijstijd' zijn aanvullende eisen van de Onderwijsinspectie, van belang voor de controlefunctie, niet doorslaggevend.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-04-2009
08.023 / 104010 - Interpretatiegeschil VO - artikel 4 lid 3, artikel 21 lid 2 en artikel 2 jo 11 onder h WMS
Vast staat dat de MR en het bevoegd gezag van mening verschillen over enkele bepalingen in het medezeggenschapsreglement. Evenzeer staat echter vast dat het bevoegd gezag het medezeggenschapsreglement niet ter instemming aan de MR heeft voorgelegd. Van een reglementsgeschil is eerst sprake indien het bevoegd gezag niet de vereiste instemming van de MR heeft verkregen nadat het voorstel ter instemming aan de MR is voorgelegd. Nu dit niet heeft plaatsgevonden, en er dus ook geen overleg in de zin van de WMS over het voorstel is gevoerd, is het geschil op dit onderdeel niet-ontvankelijk.
De medezeggenschap is als volgt vormgegeven: iedere school heeft een MR. Daarboven bevinden zich drie platforms, één voor elke geleding. Uit en door de leden van de platforms worden de leden van de GMR gekozen. Aldus wordt het actief kiesrecht van de MR-leden vervangen door dit van hun vertegenwoordiger in het platform. Gelet op het uit artikel 2 WMS voortvloeiende dwingende karakter van de bepalingen van de WMS, oordeelt de Commissie deze beperking van het actief kiesrecht van de MR-leden in strijd met artikel 4 lid 3 WMS.
Ten aanzien van de medezeggenschapsdocumenten bepaalt artikel 21 lid 2 WMS dat het bevoegd gezag het medezeggenschapsstatuut als voorstel aan de GMR of bij het ontbreken daarvan aan de MR ter instemming voorlegt. Het bevoegd gezag heeft voor zijn scholen een GMR ingesteld. In dat geval komt aan de afzonderlijke MR'en geen bevoegdheid meer toe ten aanzien van het medezeggenschapsstatuut.
Artikel 11 onder h WMS bepaalt dat aan de MR adviesbevoegdheid toekomt met betrekking tot aanstelling en ontslag van de schoolleiding. In het MR-reglement is bepaald dat de MR over adviesbevoegdheid beschikt met betrekking tot benoeming en ontslag van de schoolleiding, met uitzondering van de eindverantwoordelijke schoolleider. Voor het voortgezet onderwijs wordt onder schoolleiding verstaan: de rector, de directeur of de leden van de centrale directie, bedoeld in de WVO, alsmede de conrectoren en de adjunct-directeuren (art. 1 WMS). De Commissie vermag niet in te zien dat de eindverantwoordelijke schoolleider buiten het begrip "schoolleiding" als genoemd in artikel 11 onder h WMS zou vallen. Dientengevolge komt de MR terzake het bijzondere adviesrecht als bedoeld in de WMS toe. De complete tekst kunt u hier downloaden.
01-04-2009
08.030 / 104011 - Interpretatiegeschil PO - artikel 13 onder g WMS (vaststelling schoolgids)
Geschil over de betekenis van het instemmingrecht van de oudergeleding van de MR (OMR) ten aanzien van de vaststelling van de schoolgids.
De MR heeft een tekst voor de schoolgids aangeleverd die melding maakt van een rolverdeling tussen het bevoegd gezag en de MR waar het bevoegd gezag het niet mee eens is. Het bevoegd gezag nam de tekst niet op in de schoolgids en meent dat het daartoe gerechtigd was omdat het eindverantwoordelijk is voor de inhoud van de schoolgids. Het bevoegd gezag verzoekt de Commissie uitspraak te doen over de interpretatie van artikel 13 onder g WMS.
De OMR stelt dat er geen sprake is van een interpretatiegeschil maar van een instemmingsgeschil. De OMR heeft haar instemming onthouden aan dat deel van de schoolgids waarin de informatie over de MR zou komen te staan.
De Commissie overweegt dat het voorstel dat aan de MR is voorgelegd en waarmee is ingestemd niet de complete schoolgids behelsde want het stukje tekst over de MR moest nog ingevuld worden. Nu de WMS spreekt over de aangelegenheid 'vaststelling van de schoolgids' en daarbij geen beperking noemt, gaat het om het vaststellen van de gehele schoolgids. Op grond van artikel 13 onder g WMS dient het bevoegd gezag dan ook een voorstel met betrekking tot de volledige schoolgids ter instemming aan de oudergeleding voor te leggen. Als de oudergeleding vervolgens niet instemt met dit voldragen voorstel van het bevoegd gezag, kan het bevoegd gezag, indien het zijn voorstel wenst te handhaven, een instemmingsgeschil aan de Commissie voorleggen. In dat instemmingsgeschil kan de onthouding van de instemming van de oudergelding door de Commissie beoordeeld worden.
Door niet een volledig voorstel met betrekking tot de schoolgids ter instemming aan de MR voor te leggen, heeft het bevoegd gezag geen juiste toepassing gegeven aan artikel 13 aanhef en onder g WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
11-03-2009
08.027 / 103987 - Interpretatiegeschil VO - artikel16 lid 1 WMS (aangelegenheden van gemeenschappelijk belang)
Geschil over de vraag of bepaalde besluiten van een door het bevoegd gezag vastgesteld Masterplan, handelend over de herschikking van het onderwijsaanbod, te beschouwen zijn als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang als genoemd in artikel 16 lid 1 Wet medezeggenschap op scholen (WMS). Een van de besluiten betreft de fusie tussen twee van de onder het bevoegd gezag ressorterende scholen, waaronder de school van deze MR. De MR stelt zich op het standpunt dat het Masterplan een kaderstellend plan is dat nog nadere uitwerking behoeft waarvoor de MR en niet de GMR bevoegd is. Het bevoegd gezag stelt dat de besluiten in het Masterplan niet los van elkaar kunnen worden gezien en van gemeenschappelijk belang zijn voor alle, althans de meerderheid van de scholen. De Commissie overweegt dat het bevoegd gezag met de in het Masterplan opgenomen besluiten beoogt de gevolgen van de regionale demografische ontwikkelingen voor de scholen te ondervangen. De besluiten hebben gevolgen voor het onderwijsaanbod van vijf van de zes onder het bevoegd gezag ressorterende scholen. Het besluit tot fusie dient te worden beschouwd als een structuurbepalend onderdeel van het integrale plan. Dit geldt eveneens voor de besluiten over de herschikking van het onderwijsaanbod op de verschillende scholen. Deze herschikking maakt als zelfstandig en dragend onderwerp deel uit van het Masterplan. Het Masterplan bevat derhalve een complex van besluiten met gevolgen voor alle, althans de meerderheid van de betrokken scholen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
11-03-2009
08.026 / 103984 - Instemmingsgeschil VO vaststelling formatieplan (artikel 12 lid 1 onder h WMS)
In het jaar 2007 is het taakbeleid 2007-2008 vastgesteld. In het schooljaar 2007-2008 heeft een projectgroep taakbeleid enkele voorstellen tot optimalisering van de regeling gedaan, welke zijn overgenomen door het bevoegd gezag. Daarbij zijn enkele aanvullende wijzigingsvoorstellen gedaan, vanuit gevoelde noodzaak te bezuinigen. Het bevoegd gezag en de PMR werden het niet eens over de wijzigingsvoorstellen hetgeen er toe heeft geleid dat de werkgever zijn voorstellen heeft ingetrokken. Hij heeft daarbij aangekondigd het geldende taakbeleid naar de letter te zullen uitvoeren. De PMR heeft vervolgens meegedeeld niet in te kunnen stemmen met het voorgestelde formatieplan. Het bevoegd gezag heeft daarop een instemmingsgeschil met de PMR aan de Commissie voorgelegd.
De Commissie overweegt dat de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie wordt vastgelegd in het jaarlijks vast te stellen formatieplan. Gebleken is dat na de intrekking van het voorstel tot wijziging van het taakbeleid, tussen partijen geen inhoudelijk overleg over het aangepaste formatieplan plaatsgevonden. Over de gedane voorstellen tot aanpassing van het taakbeleid noch over de uitwerking van de nieuwe strikte toepassing van het taakbeleid is herleidbare adequate informatie terug te vinden in het formatieplan. In het formatieplan is voorts geen informatie over beleidsvoornemens van het bevoegd gezag te vinden noch over de financiële situatie van de school. Het door het bevoegd gezag voorgestelde formatieplan kent slechts enkele algemene uitgangspunten en hoofdlijnen met daarbij een overzicht van de besteding van de beschikbare formatie per categorie personeel. Van een kenbare vertaalslag van het taakbeleid of algemeen beleid in het formatieplan, is geen sprake. Derhalve heeft de PMR uit het voorgestelde formatieplan niet kunnen opmaken of en zo ja welke verandering in het taakbeleid is opgetreden noch wat de strikte toepassing van het taakbeleid zoals door het bevoegd gezag is aangekondigd, inhoudt. Hiermee voldoet het formatieplan niet aan de daaraan redelijkerwijze te stellen eis van een kenbare motivering. Onder deze omstandigheden heeft de PMR in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan het voorgestelde formatieplan 2008-2009 kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-02-2009
103959 - Interpretatiegeschil taakbeleid CAO-VO
De A heeft een geschil aan de Commissie voorgelegd met betrekking tot het taakbeleid en navolging van de CAO-VO. De Commissie is niet bevoegd om zich uit te spreken over passende, compenserende maatregelen in geval het taakbeleid niet correct zou zijn toegepast, en de CAO-VO noch het reglement van de Commissie geven haar de bevoegdheid zich uit te spreken over de verplichting tot naleving van een eerdere uitspraak van een geschillencommissie medezeggenschap.Partijen verschillen van mening over de vraag welk taakbeleid voor het schooljaar 2008-2009 van toepassing is.De werkgever heeft gesteld dat met de toenmalige MR is afgesproken de Nota taakbeleid 2005 te verlengen voor de duur van één schooljaar. Uit niets blijkt deze afspraak. Evenmin is gebleken dat de geplande evaluatie van de regeling in het voorjaar 2006 heeft plaats gevonden. Derhalve heeft de Nota taakbeleid 2005 haar werking verloren per einde schooljaar 2006-2007. De Commissie concludeert dat de regeling die gold vóór dat de Nota taakbeleid van kracht werd, weer van kracht wordt. Dit is de regeling taakbeleid zoals opgenomen in de CAO-VO 2003-2005, bijlage 7.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-01-2009
08.021 - Interpretatiegeschil PO – artikel 12 lid 1 onder b WMS dan wel artikel 11 onder i (harmonisatie functiehuis), artikel 11 onder h WMS (ontslag van de directeur) en artikel 28 lid 2 WMS (vergoeding van de kosten
Tussen het bevoegd gezag en twee MR-en bestaat verschil van mening over de vraag of de harmonisatie van het functiehuis een aangelegenheid is die voor medezeggenschap van de beide betrokken MR-en dan wel de GMR in aanmerking komt en zo ja onder welke bevoegdheid. Tevens is de Commissie gevraagd of de MR adviesrecht toekwam ten aanzien van het ontslag van de directeur, als gevolg van de voorgenomen harmonisatie. Tenslotte vroegen de MR-en een oordeel over de redelijkheid van hun verzoek om vergoeding van kosten voor bijstand.
De Commissie acht het voorstel tot harmonisatie van het functiehuis van gemeenschappelijk belang voor alle onder het bevoegd gezag vallende scholen en daarom in de GMR thuishoren. Oogmerk van dit voorstel is immers dat in de toekomst aan elke school een eigen directeur als aanspreekpunt verbonden zal zijn. Voor wat betreft zijn gevolgen dient het voorstel te worden voorgelegd aan elke MR van een afzonderlijke school die van dit voorstel direct gevolgen ondervindt. In dit geval raakt het voorstel twee scholen in de samenstelling van hun formatie zodat het personeelsgeledingen van de beide MR-en (artikel 12 lid 1 onder b WMS) instemmingsrecht hadden.
Omdat het ontslag van de directeur formeel geen vrijwillig ontslag betrof, kwam de MR-en het adviesrecht toe op basis van artikel 11 aanhef en onder h WMS. Door de faciliteitenregeling voor MR-leden te willen regelen in het medezeggenschapsreglement en niet in het medezeggenschapsstatuut, heeft het bevoegd gezag de WMS niet juist geïnterpreteerd en nagelaten uitvoering te geven aan artikel 22 aanhef en onder e juncto 28 lid 2 WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
28-10-2008
LCG WMS 08.017. Uitspraak 28 oktober 2008
Interpretatiegeschil PO – artikel 11 onder b en f en (hoofdlijnen meerjarig financieel beleid, beleid organisatie) en artikel 12 lid 1 onder b en h WMS (samenstelling van de formatie; taakverdeling/taakbelasting personeel)
Het bevoegd gezag heeft de combinatiegroep 3/4 opgeheven en de leerlingen van deze groep verdeeld over de andere groepen 3 en 4 en de leerkracht van de combinatiegroep als taken te geven: het vervangen bij kortdurende afwezigheid en de coördinatie van de onderbouw.
Onder ‘samenstelling van de formatie’ verstaat de Commissie het geheel van de functies, hun aard en aantal, in de school en de hiervoor beschikbare middelen. Dat bepaalde informatie tezamen met het formatieplan ter instemming is voorgelegd aan de PMR, is niet voldoende om de aangelegenheid ruimer uit te leggen.
Er is geen sprake van een nieuwe taak of wijziging van de taakbelasting. Ook het vervangen bestaat uit lesgevende taken. Er is ook geen sprake van ‘wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school’: de aangeboden scholing aan de leerkracht van de voormalige combinatiegroep kan binnen het vastgestelde budget worden bekostigd.
Een besluit met betrekking tot een ‘belangrijke inkrimping van de werkzaamheden van de school’, betreft het beëindigen van een deel van de werkzaamheden. De Commissie stelt vast dat daarvan hier geen sprake is.
Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een wijziging van de organisatie van de school. Artikel 11 onder f WMS betreft het ‘beleid m.b.t. de organisatie van de school’. Niet elk besluit tot wijziging in de organisatie is ook een besluit dat valt onder deze aangelegenheid. Het in geschil zijnde besluit is wel aan te merken als een besluit tot wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie, omdat er sprake is van een wijziging van het uitgangspunt inzake de vervanging bij kortdurende afwezigheid van de leerkracht. Er is, anders dan voorheen, structureel gekozen voor kortdurende vervanging door één vaste leerkracht die geen eigen groep heeft.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P.Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-10-2008
LCG WMS 08.019. Uitspraak 13 oktober 2008
Interpretatiegeschil VO – artikel 10 onder b WMS (wijziging onderwijs- en examenregeling)
Het bevoegd gezag heeft besloten het schoolexamenvak Maatschappijleer te verplaatsen van het 4de naar het 3de leerjaar VMBO-T. Tussen het bevoegd gezag en de MR bestaat een verschil van mening over de bevoegdheid van de MR ten aanzien van dit besluit: valt het onder de aangelegenheid ‘Onderwijs- en examenregeling’ waarvoor de MR instemmingsrecht heeft of valt het onder de aangelegenheid ‘lessentabel’ waarvoor de MR adviesrecht heeft.
De Commissie overweegt dat het PTA dient te worden aangemerkt als behorend tot de ‘onderwijs- en examenregeling’ als bedoeld in de WMS en het medezeggenschapsreglement. Niet alleen de lessen maar ook het afsluitende schoolexamen van het vak Maatschappijleer is verplaatst van het 4de naar het 3de leerjaar. Dit is slechts mogelijk door een wijziging van de onderwerpen die op grond van het Eindexamenbesluit verplicht in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) geregeld dienen te worden. Die wijziging is niet slechts een wijziging van de lessentabel maar ook een noodzakelijke wijziging van het PTA, waarvoor de MR instemmingsrecht heeft.
De Commissie overweegt voorts dat de MR door middel van een bepaling in het PTA geen afstand van zijn recht op instemming heeft gedaan. De medezeggenschapsrechten van de MR vormen op grond van de WMS dwingend recht. Daarvan kan niet in het algemeen voor de toekomst afstand gedaan worden. Afstand van het recht op instemming of advies kan slechts plaatsvinden in een concreet geval en vereist een uitdrukkelijke en duidelijke verklaring van de MR dat hij in dat concrete geval afziet van zijn recht op instemming of advies. Daarvan is hier geen sprake
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking.)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-09-2008
103764 - Interpretatiegeschil bevoegdheid MR verkoop gebouwen HBO
Interpretatiegeschil over de vraag of de CMR instemmingsrecht toekomt ten aanzien van het verkopen en terughuren van panden van de hogeschool, meer bepaald of dit valt onder het instemmingsrecht m.b.t.' beleid besteding van de middelen', 'nieuwbouw of belangrijke verbouwing' of 'onderhoudsbeleid van de gebouwen'. Het recht om een interpretatiegeschil aan de Commissie voor te leggen is niet verwerkt door het verlenen van goedkeuring aan opeenvolgende begrotingen. Naar zijn aard doet een interpretatiegeschil zich immers eerst voor indien blijkt dat partijen van mening verschillen over de interpretatie van een bepaling. Of het recht om al dan niet instemming te verlenen is verwerkt door gedurende een reeks van jaren in te stemmen met de begroting waarin een dergelijk voornemen is opgenomen, staat thans niet ter beoordeling van de Commissie, doch zou in een eventueel instemmingsgeschil aan de orde kunnen worden gesteld. Denkbaar is dat verkoop en terughuur van panden onderdeel vormt van een huisvestingsplan, maar dit is niet noodzakelijkerwijs het geval. In het onderhavige geval is de transactie niet te beschouwen als deel van het huisvestingsplan aangezien er (nog) geen gevolgen voor de huisvesting aan verbonden zijn. Dat zou anders zijn indien het pand na verkoop voor een betrekkelijk korte termijn zou worden teruggehuurd en duidelijk zou zijn dat één of meer faculteiten na verloop van die korte periode zouden moeten verhuizen. De transactie is te beschouwen als het beheren van middelen, niet als een wijziging van het beleid ten aanzien van de besteding van middelen. Een wijziging in de verplichtingen tot onderhoud is nog geen wijziging van het onderhoudsbeleid. Aan de CMR komt niet op grond van het medezeggenschapsreglement instemmingsrecht toe.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
04-09-2008
LCG WMS 08.018. Uitspraak 4 september 2008
Interpretatiegeschil PO – artikel 31 aanhef en onder d WMS, over de bevoegdheid van de MR inzake de nieuwbouw van de school na een eerder uitgebracht positief advies daarover.
Volgens de MR bestaat er een interpretatiegeschil tussen partijen over de vraag of er na het positieve advies van de MR in 2003 sprake is van een zodanige wijziging in de huisvestingssituatie waarover de MR toentertijd advies heeft uitgebracht dat het horen van de MR opnieuw vereist is.
De Commissie oordeelt dat het verzoek van de MR niet betreft de uitleg van het bepaalde bij of krachtens de WMS, het medezeggenschapsreglement of medezeggenschapsstatuut. Het verzoek betreft in feite uitsluitend de toetsing of het destijds overeengekomen besluit ook in zijn uitvoering past binnen de door de MR aan zijn positieve advies gestelde voorwaarden. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Commissie om inzake een verzoek met deze inhoud uitspraak te doen.
Met het oog op de bevordering van een vruchtbare samenwerking doet de Commissie een aanbeveling ten aanzien van het toekomstig overleg.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, voorzitter, drs. K.A. Kool en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-08-2008
103748 - Interpretatiegeschil vakantieregeling BVE
Interpretatiegeschil over de bevoegdheid van de MR ten aanzien van de regeling van vakantie en verlof. De MR stelt op grond van medezeggenschapsreglement instemmingsrecht te hebben op de vaststelling of wijziging van de regeling van vakantie en verlof. Door niet met een voorstel ter zake te komen frustreert het CvB dit recht. Het CvB stelt zich op het standpunt dat de nieuwe bepalingen inzake de organisatie van het werk en de inzetbaarheid van werknemers (hoofdstuk F CAO-BVE 2007-2009) het overbodig maken om naast de vakantieregeling van de CAO nog een eigen regeling te treffen. De wijziging van het taakbeleid heeft gevolgen voor de tijdstippen waarop vakantie en verlof kan worden opgenomen. Nu de verdeling van de werkzaamheden plaatsvindt op het niveau van de teams, geldt datzelfde voor de vaststelling van de vakantie en het verlof voor de medewerkers. Een verplichting tot het vaststellen van een instellingsbrede regeling waarin is aangegeven op welke dagen vakantie en verlof genoten wordt, verdraagt zich niet met het beginsel dat de verdeling van werkzaamheden plaatsvindt op teamniveau. Ten aanzien van een mogelijke aanvullende regeling op instellingsniveau of op het niveau van de domeinen, hebben de MR dan wel de desbetreffende Domeinraden ter zake instemmingsrecht.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-08-2008
103740 - Interpretatiegeschil aanwijzing verplichte vakantiedagen HBO
Geschil met betrekking tot de vraag of aan de MR instemmingsrecht toekomt ten aanzien van de aanwijzing van verplichte vrije dagen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt dat de MR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel, respectievelijk de regeling van de vakantie. Het voorstel dient te worden aangemerkt als een aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel. Ten aanzien van deze aangelegenheid heeft de PMR op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht. Het betreft een wettelijk instemmingsrecht van de PMR en de WHW biedt geen ruimte om dit instemmingsrecht bij reglement om te zetten in een instemmingsrecht van de MR. De CAO bevat bepalingen over vakantie en verlof. Die bepalingen zijn inhoudelijke regelingen, maar niet uitputtend. Dit betekent dat het instemmingsrecht van de PMR dient te worden uitgeoefend ten aanzien van de aanwijzing van verplichte vakantiedagen. De in het voorstel genoemde niet-werkdagen zijn reeds in de CAO als niet-werkdag aangemerkt. Op het punt van de niet-werkdagen is het voorstel derhalve geen aanvulling op de CAO zodat het instemmingsrecht van de PMR daar niet op van toepassing is.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-07-2008
LCG WMS 08.014. Uitspraak 10 juli 2008
Interpretatiegeschil PO – artikel 11 onder j WMS (beleid m.b.t. toelating van leerlingen)
De OMR heeft aan de Commissie de vraag voorgelegd of het besluit tot toelating van een groep leerlingen van een andere school die gesloten zal worden, aangemerkt dient te worden als de vaststelling van nieuw of de wijziging van het bestaande toelatingsbeleid, waarvoor aan de MR een adviesbevoegdheid toekomt.
De artikelen waarop het verzoek van de OMR betrekking heeft, betreffen een aangelegenheid waarvoor niet de OMR maar de MR een bevoegdheid toekomt. De Commissie oordeelt dat de OMR in een dergelijk verzoek ontvankelijk is. De bijzin in artikel 37 WMS ‘voor zover het een aangelegenheid betreft waarvoor de raad is ingesteld’ heeft alleen betrekking op de themaraad. De WMS bevat geen bepalingen die zich tegen de ontvankelijkheid verzetten en de OMR kan er als geleding van de MR belang bij hebben dat wordt vastgesteld dat een bepaalde aangelegenheid in de MR aan de orde dient te komen ter uitoefening van de medezeggenschap. Gelet op dit belang dient een geleding een interpretatieverzoek aan de Commissie te kunnen voorleggen indien de MR als zodanig niet besluit om dit te doen.
De Commissie gaat bij haar oordeel over het vereiste belang in beginsel uit van de situatie ten tijde van de aanmelding van het geschil.
De Commissie oordeelt dat gelet op het geldende beleid het toelaten van een groep leerlingen van een andere school die zal sluiten niet is aan te merken als een wijziging van het bestaande beleid.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P.Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens, en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-07-2008
103744 - Adviesgeschil vakantieregeling deelnemers BVE
Het bevoegd gezag heeft in afwijking van het advies van de MR het Suikerfeest en het Offerfeest als vrije dagen opgenomen in het vakantierooster van de deelnemers. De Commissie onderzoekt of voldoende is gemotiveerd waarom van het advies is afgeweken. Als belangrijkste motief om van het advies van de MR af te wijken, heeft het bevoegd gezag genoemd de wens om actief uit te dragen dat de school een multiculturele gemeenschap is waarin de deelnemers werkelijk met elkaar willen samenleven. Dit signaal heeft het bevoegd gezag ook aan de autochtone deelnemers willen geven. Naar het oordeel van de Commissie past hierbij dat niet (Turks) islamitische deelnemers vrij hebben op twee dagen, die voor een deel van hun klasgenoten van grote religieuze betekenis zijn, net zoals dat voor een ander deel van de schoolpopulatie voor de christelijke feestdagen geldt. Deze signaalfunctie vormt een redelijke grond om van het advies van de MR af te wijken. Nu het om slechts twee dagen gaat, niet gebleken is dat de voortgang van het onderwijsproces hierdoor in belangrijke mate wordt verstoord en het slechts een geringe afwijking van de vakantieroosters van andere onderwijsinstellingen betreft, acht de Commissie de signaalfunctie als motivering om aan het negatieve advies van de MR voorbij te gaan voldoende draagkrachtig.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-07-2008
LCG WMS 08.005. Uitspraak 3 juli 2008
Interpretatiegeschil VO –artikel 12 WMS (beleid met betrekking tot invoering LC-functies)
De PMR heeft ingestemd met het maken van een ‘ínhaalslag’ ten aanzien van de benoemingen in LC-functies in de omvang die in de CAO VO 2003-2005 is vastgelegd. Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de vraag of bij de uitvoering van de inhaalslag is afgeweken van het beleid dat met instemming van de PMR was vastgesteld. De PMR stelt dat er sprake is van nieuw beleid dat de instemming van de PMR behoeft. Het bevoegd gezag stelt dat er geen sprake is van een interpretatiegeschil maar van een vordering tot nakoming van de verplichtingen op grond van de WMS, zodat de Commissie niet bevoegd is.
De Commissie komt tot de conclusie dat het verzoek van de PMR niet betreft de uitleg van het bepaalde bij of krachtens de WMS, het medezeggenschapsreglement of medezeggenschapsstatuut, maar in feite uitsluitend de vaststelling van de inhoud van de afspraken die gemaakt zijn tussen de PMR en het bevoegd gezag met betrekking tot de invoering van de LC-functies. De Commissie oordeelt dat zij niet bevoegd is om inzake een verzoek met deze inhoud uitspraak te doen.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens, en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-07-2008
LCG WMS 08.011. Uitspraak 3 juli 2008
Interpretatiegeschil PO- artikel 11 aanhef en onder h WMS (ontslag schoolleiding),artikel 8 lid 1 WMS (informatierecht),
Adviesgeschil PO - artikel 11 aanhef en onder h WMS (ontslag schoolleiding)
In het interpretatiegeschil verschillen partijen van mening over de vraag of de aanduiding ‘aanstelling en ontslag schoolleiding’ in artikel 11 aanhef en onder h WMS ziet op het concrete ontslag van de directeur van de school.
De Commissie oordeelt dat dit het geval is. In dit artikel ontbreekt het woord ‘beleid’ dat in veel andere onderdelen van de artikelen 10 tot en met 14 WMS wel voorkomt. De bevoegdheden met betrekking tot het beleid tot aanstelling en ontslag zijn geregeld in de artikelen 11 onder g en 12 lid 1 onder o WMS. Bijzondere omstandigheden daargelaten, valt elk voorgenomen besluit tot ontslag van een lid van de schoolleiding onder de reikwijdte van artikel 11 onder h WMS, daaronder begrepen het verzoek van het bevoegd gezag om ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter. Het ingaan van een mediationtraject met de directeur valt niet onder artikel 11 onder h WMS. Mediation is een vorm van alternatieve geschillenbeslechting die juist gericht is op het oplossen van conflicten.
De verplichting tot het tijdig verstrekken van alle inlichtingen zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 WMS gaat niet zo ver dat de MR geïnformeerd zou moeten worden over enkel het mediationtraject dat het bevoegd gezag en de directeur zijn ingegaan in hun verhouding van werkgever-werknemer.
De Commissie oordeelt de MR niet-ontvankelijk in zijn verzoek een adviesgeschil te behandelen. Het systeem van de WMS brengt niet met zich mee dat door het uitbrengen van een ongevraagd advies een rechtsgang op grond van artikel 34 WMS bij de Commissie gecreëerd kan worden.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-07-2008
LCG WMS 08.010. Uitspraak 2 juli 2008
Interpretatiegeschil VO – artikel 12 lid 1 onder h WMS (wijziging taakbelasting binnen het personeel)
Het bevoegd gezag heeft een notitie vastgesteld waarin is opgenomen dat bij incidentele lesuitval van een docent, wordt waargenomen door andere docenten. De PMR heeft aan de Commissie de vraag voorgelegd of de notitie een wijziging van het taakbeleid is die ter instemming aan de PMR had moeten zijn voorgelegd.
Niet de PGMR maar de PMR heeft instemmingsrecht ten aanzien van de aangelegenheid van artikel 12 lid 1 onder h WMS. Het bevoegd gezag heeft nog geen GMR. In het reglement is geen juiste toepassing gegeven aan artikel 16 lid 1 en artikel 24 lid 2 WMS.
De Commissie overweegt dat voorheen voor docenten geen verplichting bestond om de lessen waar te nemen. Door de notitie zijn docenten thans verplicht de lessen van uitgevallen collega’s waar te nemen, hetgeen er ook toe kan leiden dat docenten een les moeten waarnemen in een ander vak dan het vak waarvoor zij zijn aangetrokken of bevoegd zijn. Voor de belasting van de docenten betekent dit een ingrijpende wijziging van algemene strekking. Daarom merkt de Commissie de notitie aan als een wijziging van de taakbelasting binnen het personeel ten aanzien waarvan de PMR op grond van artikel 12 lid 1 aanhef en onder h WMS instemmingrecht heeft. Dit geldt ook voor het geval de notitie niet zou leiden tot overschrijding van de in acht te nemen maximale normen van het taakbeleid.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier donloaden.
27-06-2008
LCG WMS 08.015. Uitspraak 27 juni 2008
Interpretatiegeschil VO – artikel 41 lid 1 en 2 WMS (vaststelling nieuw medezeggenschapsreglement)
De GMR in zijn bestaande samenstelling bevat geen leerlingen. Het leerlingdeel van de MR meent dat het door een bepaalde uitleg van artikel 41 lid 2 WMS ten onrechte geen invloed kan uitoefenen op belangrijke bovenschoolse besluiten. Het bevoegd gezag meent dat het op grond van artikel 41 lid 2 WMS tot 01-08-2008 de tijd heeft voor de vaststelling van een nieuw GMR-reglement en daarop volgende verkiezingen voor de GMR.
De Commissie oordeelt dat de GMR niet tot 01-08-2008 in haar bestaande samenstelling kan voortbestaan zonder nadere maatregelen met betrekking tot de door de WMS gewijzigde positie van de leerlingen. Artikel 41 lid 2 WMS (oude reglement vervalt uiterlijk m.i.v. 01-08-2008) beoogt niet het bevoegd gezag de ruimte te geven om de in artikel 41 lid 1 WMS genoemde termijnen (4 maanden voor GMR-reglementsvoorstel en 4 maanden voor reactie GMR) m.b.t. het vaststellen van een nieuw GMR-reglement op te rekken tot uiterlijk 01-08-2008. Indien onverhoopt de in artikel 41 lid 1 WMS genoemde termijnen niet kunnen worden nageleefd, rust op het bevoegd gezag de plicht om zich van de gevolgen daarvan expliciet rekenschap te geven en om actief gebruik te maken van de mogelijkheden die de WMS en het bestaande reglement bieden om op te treden om te verzekeren dat zo veel als mogelijk sprake is van medezeggenschap in overeenstemming met de WMS. De bepalingen in het GMR-reglement hadden niet aan het uitschrijven van nieuwe GMR-verkiezingen in de weg hoeven staan.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(prof. mr. I. P. Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-06-2008
LCG WMS 08.013. Uitspraak 26 juni 2008
Instemmingsgeschil invoering functie Directeur bedrijfsvoering - artikel 12 onder b WMS (wijziging samenstelling van de formatie)
De PMR weigert in te stemmen met het voorgenomen besluit om aan de school de functie van Directeur bedrijfsvoering als leidinggevende van de Centraal Ondersteunende Diensten in te voeren. Nadat de PMR had aangegeven het niet eens te zijn met de invoering van de nieuwe functie, heeft het bevoegd gezag het besluit aangehouden en extern onderzoek laten uitvoeren. Na het verschijnen van het onderzoeksrapport heeft tussen partijen overleg plaatsgevonden en is een gewijzigd voorgenomen besluit tot invoering van de functie van Directeur bedrijfsvoering aan de PMR voorgelegd.
De PMR heeft dit voorgenomen besluit zonder enige motivering afgewezen. Dit acht de Commissie niet redelijk. Het ligt op de weg van de PMR om reëel overleg te voeren hetgeen er redelijkerwijze toe had moeten leiden dat de PMR duidelijk aangaf om welke redenen zij niet met het gewijzigde en gemotiveerde voorstel instemde. Nu dit niet is gebeurd, oordeelt de Commissie dat de PMR niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, mr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier donloaden.
23-06-2008
103774 - Interpretatiegeschil taakverdelings- en taakbelastingsbeleid (art. 8 onder h WMO) BVE
De Commissie oordeelt dat het taakverdelingsbeleid in artikel F-5 en F-6 CAO-BVE 2007-2009 in beginsel uitputtend geregeld is maar dat in de CAO nog ruimte is voor taakbelastingsbeleid dat door het bevoegd gezag met instemming van de PMR dient te worden ingevuld. Nu in de CAO-BVE 2007-2009 de taakverdeling binnen het team van medewerkers de hoofdregel is geworden en bovendien het geregelde model in de CAO niet meer voorkomt, dient redelijkerwijze te worden geconcludeerd dat het huidige aan de instelling geldende taakbeleid dat op basis van het geregelde model uit de CAO 2005-2007 is vastgesteld, niet meer past bij de nieuwe situatie die met ingang van 01-08-2008 in de CAO geregeld is. Op de werkgever rust de verplichting om een nieuw taakbelastingsbeleid, passend bij de nieuwe situatie, vast te stellen. De Commissie is van oordeel dat dit taakbelastingsbeleid specifiek dient te worden geformuleerd en dat het bevoegd gezag niet kan volstaan met te verwijzen naar bestuurlijke kaders die in diverse documenten als bijvoorbeeld de begroting zijn terug te vinden. Wel acht de Commissie het voorstelbaar dat in het te formuleren beleid aan de teams ruim baan gegeven wordt om zelf het (onderlinge) gewicht van taken te bepalen - ook dat is formulering van beleid - terwijl in het geval van gebruikmaking van de terugvaloptie de kaders zodanig in het beleid tot uitdrukking worden gebracht dat aan de medezeggenschap van het personeel als voorgeschreven in de WMO en de CAO-BVE recht gedaan wordt.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-06-2008
LCG WMS 08.016. Uitspraak 12 juni 2008
Interpretatiegeschil PO - artikel 13 onder d WMS (beleid voorzieningen ten behoeve van de leerlingen)
Het besluit van het bevoegd gezag om het gebruik van noodlokalen te beëindigen brengt verandering mee voor het gebruik van het handvaardigheidlokaal en de aula en heeft gevolgen voor het overblijven en voor de speelmogelijkheden van de onderbouw. De oudergeleding meent dat er sprake is van een wijziging van het beleid ten aanzien van voorzieningen ten behoeve van de leerlingen, waarvoor de oudergeleding instemmingrecht heeft.
De Commissie oordeelt dat van voorzieningen ten behoeve van de leerlingen alleen sprake is als de voorziening uitsluitend of nagenoeg uitsluitend van belang is voor de leerlingen (en hun ouders), terwijl daarvan geen sprake is als de voorziening rechtstreeks en onlosmakelijk verband houdt met (de uitvoering van) het onderwijsprogramma. In onderhavig geval is alleen de inrichting van het overblijven te beschouwen als een voorziening ten behoeve van de leerlingen. De mogelijkheid om over te blijven of de voorwaarden voor deelname aan het overblijven zijn door het besluit niet gewijzigd. Het besluit heeft uitsluitend gevolgen voor de praktische invulling van het overblijven. Het besluit is niet aan te merken als een wijziging van het beleid ten aanzien van het overblijven.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-06-2008
LCG WMS 08.004. Uitspraak 2 juni 2008
Interpretatiegeschil VO - artikel 12 lid 1 onder d WMS (werkreglement voor het personeel en de opzet en de inrichting van het werkoverleg)
Aan de Commissie is de vraag voorgelegd of de PMR instemmingsrecht heeft ten aanzien van het Personeelsboekje dat jaarlijks voor de school wordt vastgesteld en waarin diverse binnen de school geldende regels, afspraken en protocollen zijn samengevoegd. Volgens de Commissie bevat het boekje een regeling van de aspecten op het gebied van het werkoverleg en een regeling van andere rechten en plichten van het personeel op velerlei gebied. De Commissie oordeelt dat het Personeelsboekje een formeel document van de school is dat onder de reikwijdte van de aangelegenheid ‘werkreglement voor het personeel’ als bedoeld in artikel 12 lid 1 onder d WMS valt. Dit betekent dat de PMR terzake instemmingsrecht heeft. Door het hele boekje jaarlijks als voorgenomen besluit aan de PMR voor te leggen, bevordert het bevoegd gezag de communicatie en de duidelijkheid over het boekje, hetgeen de schoolorganisatie als geheel ten goede komt. De vermelding in het boekje van bepalingen die op grond van de wet, de CAO of een andere regeling geldend zijn, vallen als zodanig buiten het instemmingsrecht van de PMR. Dit geldt evenzeer voor in het boekje vermelde feitelijke gegevens, zoals namen en functies, die geen rechten en plichten (willen) geven.Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(mr. H.C. Naves, mr. dr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-06-2008
LCG WMS 08.006. Uitspraak 2 juni 2008
Instemmingsgeschil PO – verdeling/besteding van budget voor Personeel- en arbeidsmarktbeleid (voortgezet geschil, vallend onder WMO-regelgeving)
In het verleden verschilden het bevoegd gezag en de MR reeds van mening over de inzet van het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid (BPA) over de jaren 2005 en 2006. Het bevoegd gezag wilde een groter gedeelte bovenschools inzetten dan de MR wenselijk achtte. Volgens de MR dienen de BPA-gelden voornamelijk op schoolniveau te worden ingezet. De Landelijke Geschillencommissie Onderwijs heeft hierover in 2004 en 2006 uitspraken tussen partijen gedaan.
De Commissie oordeelt thans dat het gebrekkige en geheel vastgelopen overleg aan beide partijen te wijten is geweest. Omdat partijen kennelijk niet meer in staat waren uit de ontstane impasse te geraken, heeft de Commissie geen grond gezien uit te spreken dat het voorgenomen besluit wegens onvoldoende overleg niet omgezet mocht worden in een definitief besluit. Het voorgenomen besluit was voldoende gemotiveerd en de motivering is niet door de MR weersproken. De MR heeft niet weersproken dat zijn wens, om uit het BPA-budget tijdelijke vakleerkrachten aan te stellen, uit de reserves van de school verwezenlijkt kan worden.
De Commissie oordeelt dat de MR niet in redelijkheid zijn instemming aan het voorgenomen besluit heeft kunnen onthouden.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(Prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, mr.dr. W.J.J. Beurskens, prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
15-05-2008
LCG WMS 08.003. Uitspraak 15 mei 2008
Instemmingsgeschil VO – artikel 12 lid 1 onder b WMS (vaststelling van de samenstelling van de formatie)
De PMR had haar instemming onthouden aan het voorgestelde formatieplan 2007-2008 omdat het bevoegd gezag daarin bezuinigingen had voorgesteld die neerkwamen op overheveling van budget dat voorheen aan personeel werd besteed naar materiële bestemmingen. De daaraan ten grondslag liggende wens het weerstandsvermogen op peil te brengen, kon de PMR niet overtuigen. Zij voelde zich bovendien niet serieus genomen door de korte termijn waarop zij moest reageren alsmede niet gehoord in de tegenvoorstellen van haar kant.
De Commissie heeft uitgesproken dat het overleg tussen bevoegd gezag en PMR als onvoldoende kan worden gekwalificeerd en dat dit des te meer klemt nu de PMR aan de hand van het formatieplan gevraagd werd in te stemmen met majeure bezuinigingen waarvoor de grondslag haar aan de hand van andere documenten van de kant van het bevoegd gezag niet eerder was voorgelegd. De PMR heeft in redelijkheid haar instemming aan het voorstel kunnen onthouden en ook anderszins ziet de Commissie geen zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen.
Het bezwaar van de PMR met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bevoegd gezag wegens overschrijding van de indieningstermijn van zes weken, heeft de Commissie verworpen. Zij achtte het bevoegd gezag ontvankelijk.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(Prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, drs. K.A. Kool, prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-05-2008
LCG WMS 08.001. Uitspraak 6 mei 2008
Interpretatiegeschil VO - artikel 12 lid 1 onder i WMS (beleid m.b.t. personeelsbeoordeling).
Aan de Commissie is de vraag voorgelegd of de PMR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de instrumenten die in het voorgestelde protocol personeelsbeoordeling van de school worden genoemd. De instrumenten zijn een standaard beoordelingsformulier, omgevingsonderzoek, leerlingenquêtes, verslagen van werk- of lesobservaties en gespreksverslagen.Volgens de Commissie dient het beleid personeelsbeoordeling zodanig geformuleerd te zijn dat daarin de concrete aangrijpingspunten zijn opgenomen die op genoegzame wijze uitwerking geven aan de essentie van het beleid en de mogelijke consequenties van dit beleid. De betekenis van het beleid voor de uitkomsten van het beoordelingsproces dient voldoende duidelijk te zijn. In de door het bevoegd gezag voorgestelde regeling is onvoldoende duidelijk welke invloed de onderscheiden instrumenten op de totale beoordeling hebben, hoe ze ingezet worden en wat voor de beoordeling het onderlinge gewicht is van de met behulp van de instrumenten verkregen informatie.De Commissie verklaart dat in onderhavig geval onder de aangelegenheid ‘beleid ten aanzien van personeelsbeoordeling’ als bedoeld in artikel 12 lid 1 onder i WMS mede dient te worden verstaan de te beoordelen aspecten van het functioneren van de werknemer, de criteria aan de hand waarvan de in het beleid in te zetten instrumenten worden vastgesteld en gebruikt en evenzeer wat het onderlinge gewicht van de op grond van de instrumenten verkregen informatie is voor de beoordeling van de werknemer.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(Prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, drs. K.A. Kool, prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-04-2008
LCG WMS 08.008. Uitspraak 24 april 2008
Instemmingsgeschil PO – artikel 12 lid 1 onder e WMS (vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel)
De PMR heeft niet ingestemd met het voorstel van het bevoegd gezag tot wijziging van de schooltijden. Het voorstel houdt in dat de groepen 1 tot en met 4 per schooljaar 930 uur les krijgen en dat de leerlingen en leerkrachten van deze groepen elke vrijdagmiddag vrij zijn. In de bovenbouw blijft de situatie ongewijzigd. In 2011 of 2012 wordt een besluit genomen over de wijze waarop het aantal lesuren in de bovenbouw wordt aangepast.
Volgens de PMR zijn de vrije middagen niet gelijkwaardig aan de hele vrije dagen die men in het huidige systeem als compensatie geniet. Ook acht zij de grotere belasting van de jonge leerlingen een bezwaar. De PMR vreest dat er veel aanpassingen in het lesrooster nodig zullen zijn die ten koste van de kwaliteit van het onderwijs zullen gaan.
De Commissie stelt vast dat de PMR de door het bevoegd gezag gestelde noodzaak om de lestijden aan te passen aan de maatschappelijke ontwikkelingen en de verlaging van de wekelijkse werkdruk van het personeel in de onderbouw, niet heeft weersproken. Het lesrooster van 940 uur is in de CAO PO als mogelijkheid opgenomen en de voorgestelde regeling betreft een beperkte groep leerkrachten en er blijven mogelijkheden om ook hele compensatiedagen op te bouwen. De zorg van de PMR voor de belasting van de leerlingen is onvoldoende onderbouwd. De discussie over de aanpassing van de lesstof die noodzakelijk zal zijn als het systeem ook voor de bovenbouw wordt ingevoerd zal te zijner tijd gevoerd moeten worden met inachtneming van de bevoegdheden van de MR en zijn geledingen.
De Commissie oordeelt dat de argumenten van de PMR afgewogen tegen die van het bevoegd gezag onvoldoende gewicht hebben om te concluderen dat de PMR in redelijkheid de instemming heeft kunnen onthouden.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, prof. mr. dr. D. Mentink, en mr. dr. W.J.J. Beurskens.)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-12-2007
103552 - Adviesgeschil en interpretatiegeschil invoering nieuwe functies VO
De geschillen hebben betrekking op het besluit om aan één van de Colleges van de school de functie van coördinerend docent LC op te heffe en twee functies teamleider in te voeren, namelijk een plaatsvervangend directeur schaal 12 en een docent LD. Aan de MR is advies gevraagd; de MR heeft negatief gereageerd; vervolgens is overleg gevoerd waarna de MR zonder nadere motivering heeft medegedeeld dat hij akkoord gaat met 2 LC-functies. De Commissie oordeelt in het interpretatiegeschil dat het besluit een wijziging van het beleid van de organisatie van de school is, ten aanzien waarvan de MR adviesrecht heeft op grond van artikel 11 onder f WMS en artikel 22 onder f van het per 4 juli 2007 vastgestelde medezeggenschapsreglement. Het gaat immers om de invoering van 2 leidinggevende functies die deel uitmaken van het management van de School. Voor de invoering van de functies is gekozen vanwege de organisatie van de aansturing van het college. Voor het bevoegd gezag was er keuzevrijheid en dus is er sprake van beleid. Ten aanzien van het adviesgeschil oordeelt de Commissie dat het bevoegd gezag uit de enkele mededeling van de MR dat hij akkoord gaat met 2 LC-functies redelijkerwijze niet heeft hoeven te begrijpen dat het niet volgen van het advies bij de MR zou leiden tot de mening dat daardoor de belangen van de school of de MR ernstig worden geschaad als bedoeld in artikel 31 onder c WMS. De stelling van de MR dat het bevoegd gezag nog overleg met hem had moeten voeren, acht de Commissie niet juist omdat het in artikel 17 aanhef en onder d WMS voorgeschreven overleg reeds eerder had plaatsgevonden. De MR heeft in zijn reactie ook niet heeft aangedrongen op nader overleg alvorens tot een besluit wordt gekomen. Gelet hierop en hetgeen ter zitting door het bevoegd gezag is gesteld ten aanzien van de inkrimping van de overhead van de Colleges, de versterking van de aansturing op de Colleges zelf en de groei van het desbetreffende College, is de Commissie van oordeel dat het bevoegd gezag bij het niet volgen van het advies van de MR bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen. De Commissie bepaalt dat het betrokken besluit in stand kan blijven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-12-2007
103532 - Instemmingsgeschil begroting School HBO
De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de begroting omdat volgens hem uit de begroting blijkt dat het taakbeleid van de School is gewijzigd, waar de deelraad het niet mee eens is. Naar het oordeel van de Commissie is het aan de hogeschool centraal vastgestelde taakbeleid dermate ruim geformuleerd dat daarvan noodzakelijkerwijze op Schoolniveau een nadere uitwerking van beleidsmatige aard dient plaats te vinden. Het rekenmodel voor de invulling van de normjaartaak van de docenten dat jaarlijks bij de Schoolbegroting is gevoegd, is volgens de Commissie een beleidsstuk van de directeur van de School waarin het centrale taakbeleid op Schoolniveau wordt geconcretiseerd. Aldus ligt er tussen het centraal vastgestelde beleid en de concrete taaktoedeling van de docent klaarblijkelijk door de directeur vastgesteld beleid, inhoudende nadere uitgangspunten bij de invulling van de concrete taaktoedeling van de docent. Dit kan naar het oordeel van de Commissie niet anders worden aangemerkt dan als taakbelastingsbeleid. Op grond van artikel G-2 lid 4 CAO-HBO jo artikel 33.1 aanhef en onder h jo artikel 43.7 onder a van het medezeggenschapsreglement heeft de personeelsgeleding van de SMR instemmingsrecht op het taakbelastingsbeleid. Het terugbrengen door de directeur van de uren 'Algemeen beheer' in het rekenmodel 2006-2007 van 166 naar 80 klokuur, is derhalve een wijziging in het taakbelastingsbeleid. Die wijziging is ten onrechte niet ter instemming voorgelegd aan de personeelsgeleding van de deelraad. De deelraad is slechts naar aanleiding van het verzoek tot instemming met de begroting en dus via deze omweg op de hoogte gebracht van deze wijziging in het taakbelastingsbeleid. Onder deze omstandigheden berust het personele deel van de Schoolbegroting 2006-2007 op een rechtens niet juist gewijzigd schooltaakbeleid en is het belang van de medezeggenschap van het personeel onvoldoende in de voorgestelde vaststelling van de begroting meegewogen. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de voorgestelde begroting heeft kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-11-2007
103530 - Interpretatiegeschil functiebouwwerk art. 10-24 WHW. HBO
Partijen verschillen van mening over de bevoegdheid van de CMR-P ten aanzien van het aanbrengen van wijzigingen aan het functiebouwwerk. Eerder heeft de Commissie reeds gemotiveerd uitgesproken welke bevoegdheden aan de (P)CMR toekomen ten aanzien van de besluitvorming over de nieuwe functieordening. De Commissie is van oordeel dat de PMR van een hogeschool instemmingsrecht heeft bij het vaststellen van het functiebouwwerk. De Commissie overweegt dat het functiebouwwerk een samenstel van functies is. Het wijzigen van een functie of het toevoegen van een functie aan het functiebouwwerk is van invloed op de rechtspositie van alle in die functie benoemde medewerkers en raakt mogelijk de onderlinge verhouding tussen verschillende in het functiebouwwerk opgenomen functies. De Commissie is daarom van oordeel dat het aanbrengen van wijzigingen in het functiehuis van algemeen belang is voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel en onder het instemmingsrecht van de CMR-P valt. De Commissie overweegt dat in het medezeggenschapsrecht wijziging en vaststelling van een aangelegenheid doorgaans hand in hand gaan. Het ligt dan ook in de rede dat instemmingsrecht ten aanzien van de vaststelling van het functiebouwwerk gepaard gaat met instemming met de wijziging daarvan. Dat het CvB voor het aanbrengen van wijzigingen in het functiehuis instemming van het lokale overleg nastreeft, doet aan het instemmingsrecht van de (P)CMR niet af. Oordeel: de CMR-P heeft op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht ten aanzien van de wijziging van het functiebouwwerk.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-10-2007
103519 - Instemmingsgeschil heroverwogen functiebouwwerk VO
De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met de invulling van het functiebouwwerk vanwege de daarin opgenomen functies van de centrale directie (CD). In haar uitspraak van 24-07-2006 (103195) heeft de Commissie uitgesproken dat de werkgever bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het voorgestelde functiebouwwerk heeft kunnen komen en de PGMR terecht zijn instemming heeft onthouden. Na de uitspraak van de Commissie heeft de werkgever besloten zijn besluit te handhaven en een onderzoeksopdracht aan een adviesbureau gegeven. Dat bureau heeft het onderzoek beperkt tot de procedure van de externe functiewaarderingsadviseur van de werkgever. Alleen kijken naar de procedure is onvoldoende om te beoordelen of de daarop gebaseerde conclusie redelijk is. Niet het advies van de externe deskundige maar het besluit van de werkgever moet de redelijkheidtoets kunnen doorstaan.
Er is een discrepantie tussen het besturingsmodel en bestuurs- en directiereglement van begin 2005 en de voorgelegde functiebeschrijvingen. Die discrepantie houdt volgens de werkgever verband met het feit dat de feitelijke werkzaamheden als uitgangspunt zijn genomen. De Commissie oordeelt dat het op de weg van de werkgever lig ervoor zorg te dragen dat de feitelijke aansturing vanuit bestuur en management aansluit op hetgeen daarover met inachtneming van de medezeggenschap is vastgesteld.
De Commissie oordeelt dat de werkgever bij afweging van de betrokken belangen en rekening houdend met de omstandigheden van het geval niet in redelijkheid tot de heroverwogen voorgestelde invulling van de CD in het functiebouwwerk heeft kunnen komen en de PGMR daaraan terecht instemming heeft onthouden.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-06-2007
103509 - Instemmingsgeschil regeling gevolgen opheffing scholen voor ouders/leerlingen PO
Het bevoegd gezag van drie islamitische scholen heeft besloten twee scholen per 1 augustus 2007 te sluiten. De sluiting van de derde school per 1 augustus 2007 is een feit vanwege stopzetting van de subsidie als gevolg van leegloop. Voor de leerlingen is een regeling getroffen voor inschrijving aan andere scholen via een inschrijvingsformulier dat speciaal voor deze leerlingen bestemd is. Met de scholen in de gemeente is afgesproken dat zij zullen meewerken. De oudergeleding GMR weigerde in te stemmen omdat de scholen zouden moeten worden overgenomen door een islamitisch schoolbestuur. De Commissie overweegt dat dit argument primair het besluit tot opheffing van de scholen betreft, welk besluit voor de Commissie een gegeven is dat haar thans niet ter beoordeling staat. Het argument dat het bevoegd gezag zou dienen mee te werken aan een regeling waarbij de huidige schoolgebouwen bestemd worden als dependances van een andere islamitische school, betreft wel de gevolgen van de opheffing van de scholen voor zover daarmee bedoeld wordt dat het bevoegd gezag zich dient in te spannen dat na de opheffing van de scholen de gebouwen de bedoelde dependances worden. Deze door de ouders voorgestane oplossing ligt in de bevoegdhedensfeer van de desbetreffende islamitische school en de gemeente. Nu de staatssecretaris van mening is dat de desbetreffende school niet voldoet aan de door haar gestelde randvoorwaarden waaraan een overnamekandidaat dient te voldoen, kan naar het oordeel van de Commissie redelijkerwijze niet van het bevoegd gezag gevergd worden dat het een regeling voorstelt die er in feite op neer komt dat de scholen opgaan in die school. Niettemin kan de Commissie er enig begrip voor opbrengen dat de oudergeleding van de GMR, gelet op het hevige verzet van de ouders tegen de sluiting van de scholen, er niet voor heeft kunnen kiezen formeel in te stemmen met de voorgestelde regeling die een rechtstreeks uitvloeisel is van de omstreden sluiting. Maar als dit voor de Commissie al reden zou zijn om te oordelen dat de oudergeleding in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen, zijn er voldoende zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. De sluiting per 1 augustus 2007 is immers een feit omdat er geen haalbare alternatieven zijn: er is geen geschikte overnamekandidaat gevonden en uit het financieel rapport van KPMG blijkt dat een doorstart van de scholen zou leiden tot faillissement. De regeling die de herplaatsing van de SIBA-leerlingen onder deze omstandigheden structureert, is daarom passend. Tegen de voorgestelde regeling als zodanig zijn, behoudens het hierboven behandelde argument met betrekking tot de bestemming van de gebouwen als dependances voor een andere islamitische school, door de oudergeleding GMR geen bezwaren ingebracht. De Commissie stelt bindend vast dat het bevoegd gezag het voorgenomen besluit tot regeling van de gevolgen voor ouders en leerlingen mag omzetten in een definitief besluit.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
27-04-2007
103435 - Interpretatiegeschil artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO
Werkgever maakt voor werving personeel ter vervulling van reguliere functies gebruik van uitzendbureaus. De werkgever doet dit om de financiële risico's te beperken. Volgens de PMR is dit in strijd met artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO.
De Commissie oordeelt dat artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin uitzendarbeid mogelijk is. Een andere uitleg zou dit artikellid zinloos maken en zonder gevolg laten, hetgeen niet in de rede ligt. Het begrip 'kennelijk onvoorziene omstandigheden' in artikel 3.b.4 lid 1 onder c CAO VO heeft betrekking op omstandigheden die zich ten tijde van het aangaan van de uitzendarbeid reeds hebben voorgedaan en die duidelijk niet voorzien waren; zaken als de toekomstige ontwikkeling van het leerlingaantal en de vraag of nieuwe docenten beschikken over de vereiste kwaliteiten zijn niet aan te merken als kennelijk onvoorziene omstandigheden. De stelling van de werkgever dat werving van docenten via personeelsadvertenties geen respons oplevert, is niet onderbouwd en eerst ter zitting aan de orde gesteld. De Commissie is van oordeel dat dit argument tardief is en niet kan worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid die aanleiding is geweest voor het inschakelen van uitzendbureaus vanaf schooljaar 2005-2006.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-02-2007
103358 - Interpretatiegeschil artikel 1.1 CAO-VO
De Raad van Toezicht van de werkgever heeft besloten om de salariëring van de leden en de voorzitter van het College van Bestuur aan te passen naar schaal 17 voor de leden en schaal 18 voor de voorzitter. De GMR meent daarop instemmingsrecht te hebben. Volgens de Raad van Toezicht is dit niet het geval omdat de leden van het College van Bestuur een individuele arbeidsovereenkomst met de Raad van Toezicht sluiten en formeel niet onder de bepalingen van de CAO-VO vallen. De PGMR legt aan de Commissie de vraag voor of de leden van het College van Bestuur vallen onder het begrip werknemer zoals dit is omschreven in artikel 1.1 CAO-VO en of daardoor de CAO-VO op hen van toepassing is.
Het begrip "werknemer" wordt in artikel 1.1 CAO-VO voor het bijzonder onderwijs gedefinieerd als "het personeelslid dat een dienstverband heeft bij de werkgever". De statuten van de werkgeverbevatte de volgende bepaling "De Raad van Toezicht benoemt, schorst en ontslaat de leden van het College van Bestuur. De leden van het College van Bestuur zijn in dienst van de stichting en worden in dier voege bezoldigd." Omdat de leden van het College van Bestuur in dienst zijn van de stichting en de stichting de werkgever als bedoeld in de CAO-VO is, vallen de leden van het College van Bestuur onder het begrip werknemer van artikel 1.1 CAO-VO. Derhalve is op grond van artikel 1.2 lid 1 aanhef en onder a CAO-VO de CAO-VO op hen van toepassing.
Het is de Commissie bekend dat de werkelijkheid ten aanzien van de bestuursvormen in het voortgezet onderwijs vooruitloopt op hetgeen ter zake geregeld is in de wet en de CAO. Een afwijkende regeling zoals door de werkgever gewenst, kan niet bereikt worden door een bepaalde interpretatie van de CAO in een uitspraak van de Commissie, waarvoor de CAO zelf geen aanleiding geeft. Het is aan de wetgever en aan CAO-partijen om ter zake wijzigingen in wet en CAO door te voeren.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-02-2007
103341 - Interpretatiegeschil art. 2.5 lid 5 CAO-VO / taakbeleid VO
Partijen verschillen van mening over de uitleg van begrip "het systeem van taakbeleid" in artikel 2.5 lid 5 CAO-VO.
De Commissie oordeelt dat niet iedere wijziging in het taakbeleid tevens beschouwd moet worden als een systeemwijziging. Er is in ieder geval sprake van een "wijziging van het systeem van taakbeleid" indien een wijziging binnen een onderdeel gevolgen heeft voor een of meerdere andere onderdelen. In een dergelijk geval wordt immers de verhouding tussen de verschillende onderdelen gewijzigd en daardoor de kaders van het taakbeleid. De voorgestelde mogelijkheid om uren, bestemd voor het onderdeel deskundigheidsbevordering, over te hevelen naar het onderdeel coördinatie/beheer betreft derhalve een wijziging van het systeem van taakbeleid. Gelet hierop moet het voorstel van de werkgever ter goedkeuring aan het voltallige (onderwijzend) personeel worden voorgelegd alvorens het geldende taakbeleid kan worden gewijzigd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-12-2006
103244 - Interpretatiegeschil functiebouwwerk art. 10.24 WHW en reglementsbepaling HBO
Partijen verschillen van mening over de bevoegdheid van de CMR-P ten aan zien van de vaststelling van het nieuwe functiebouwwerk. De wijziging van de CAO, die naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie op 26-10-2006 heeft plaatsgevonden, erkent het instemmingsrecht door aan te geven dat de nog te nemen stappen uit het plan van aanpak ter instemming worden voorgelegd het zogenoemde tripartite overleg. In casu heeft het tripartite overleg wel plaatsgevonden, doch het College van Bestuur meent dat daarin alleen het plan van aanpak ter instemming moest worden voorgelegd. De Commissie acht het niet aannemelijk dat uitgaande van dit plan van aanpak, alleen dit 250 pagina's tellend boekwerk met deze inhoud kon voortvloeien. Bovendien vooronderstelt de naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie opgenomen wijziging in de CAO, dat het functiegebouw niet rechtstreeks voortvloeit uit het plan van aanpak: punt 3 van Bijlage XIV CAO-HBO 2006-2007. Hieruit leidt de Commissie af dat in de uitwerking van het plan van aanpak, waaronder het functiebouwwerk, keuzes kunnen worden gemaakt, waarbij ruimte is voor beleid. De CMR moet door middel van het instemmingsrecht enerzijds kunnen controleren of het plan van aanpak in het functiegebouw juist is uitgewerkt en anderzijds of hij kan instemmen met de keuzes die daarbij binnen de bestaande beleidsruimte zijn gemaakt. De CMR-P dient zich wel te realiseren dat, indien hij weigert in te stemmen met eventuele onderdelen die wél zonder keuzemogelijkheid rechtstreeks voortvloeien uit het plan van aanpak, de Commissie de CMR bij een eventueel instemmingsgeschil op die onderdelen in het ongelijk zal dienen te stellen daar hij met die onderdelen via de goedkeuring met het plan van aanpak reeds eerder heeft ingestemd. Oordeel: de CMR-P heeft op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht ten aanzien van het nieuwe functiebouwwerk.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
27-07-2006
103185 - Interpretatiegeschil samenwerkingsovereenkomst BVE
Het bevoegd gezag heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten, gericht op het verkrijgen van een licentie en het starten van een opleiding door een JC-College en het ondersteunen en coördineren van het JC-College. De MR meent ter zake instemmingsrecht te hebben naar aanleiding waarvan het bevoegd gezag een interpretatiegeschil aan de Commissie heeft voorgelegd. Aangezien het medezeggenschapsreglement reeds meer dan 2 jaar oud is, is op grond van art. 17 lid 1 WMO de WMO bepalend voor de advies- en instemmingsbevoegdheden van de (geledingen van) de MR. Het sluiten van de overeenkomst dient naar het oordeel van de Commissie te worden aangemerkt als het aangaan van een duurzame samenwerking met een andere instelling. Niet valt in te zien dat de contractspartner vanwege zijn commerciële activiteiten niet zou kunenn worden aangemerkt als een 'andere instelling'. De overeengekomen duur van het contract in combinatie met de aard van de activiteiten die in die periode worden verricht (opstarten, ondersteunen en coördineren) leiden ertoe dat niet gesproken kan worden van incidentele activiteiten. Aldus heeft de MR op grond van art. 7 aanhef en onder f WMO adviesrecht. De PMR heeft op grond van art. 8 lid 1 aanhef en onder a WMO instemmingsrecht ten aanzien van de gevolgen van de samenwerkingsovereenkomst voor het personeel. De ouder/leerling-geleding heeft op grond van art. 9 aanhef en onder a WMO instemmingsrecht ten aanzien van de gevolgen voor de ouders/leerlingen. Adviesrecht MR, instemmingsrecht PMR en ouder/leerling-geleding ten aanzien van gevolgen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
27-07-2006
103184 - Instemmingsgeschil OER-en HBO
De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de gemeenschappelijke major van twee opleidingen in de OER-en van het studiejaar 2005-2006.In verband met de uitsluiting van het instemmingsrecht ten aanzien van de inhoud en studielast van de opleiding als genoemd in art. 7.13 lid 2 onder a, b en e WHW, behoort een wijziging van de programmering voor wat betreft de vaststelling van de onderdelen van de opleiding en en de studielast van een of meer onderdelen van de opleiding, niet tot het instemmingsrecht van de deelraad. Wijzigingen in de programmering die hin weerslag hebben op de volgtijdelijkheid van de tentamens en de volgorde waarin gelegenheid wordt geboden tentamens af te leggen, behoren wel tot het instemmingsrecht van de deelraad. Het is de Commissie gebleken dat de deelraad eerst ter zitting duidelijk heeft aangegeven dat hij mede niet heeft ingestemd met de OER-en omdat de logische volgorde in de vakkenopleiding en dus de volgtijdelijkheid van de tentamens in de war is geraakt. Nu de deelraad dit argument niet eerder aan zijn instemmingsweigering ten grondslag heeft gelegd, is de Commissie van oordeel dat het College van Bestuur niet kan worden aangewreven dat het dit argument onvoldoende zou hebben meegewogen. Voorts overweegt de Commissie dat de directeur bij aanvang van het studiejaar 2005-2006 is overgegaan tot uitvoering van de omstreden OER-en en de deelraad zich daar niet tegen verzet heeft door middel van een vordering bij de kantonrechter. Ter zitting heeft de deelraad daarover verklaard dat het voor hem van belang was dat het onderwijs gewoon door kon gaan. Gelet op het beperkte instemmingsrecht van de deelraad, het gegeven dat de deelraad niet bij aanvang heeft duidelijk gemaakt dat het hem mede ging om de volgtijdelijkheid van de tentamens en de deelraad zich niet heeft verzet tegen uitvoering van de omstreden OER-en, is de Commissie van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat het instellingsbestuur niet in redelijkheid tot de voorgestelde OER-en heeft kunnen komen. Een dergelijk oordeel zou ook geen recht doen aan de werkelijkheid en zelfs in strijd zijn met de belangen van de studenten die er immers op moeten kunnen vertrouwen dat zij het gehele studiejaar een opleiding hebben gevolgd op basis van een rechtens geldende OER. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-07-2006
103195 - Instemmingsgeschil functiebouwwerk; VO
De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met de invulling van het functiebouweerk vanwege de daarin opgenomen functies van de centrale directie. Volgens de PGMR rechtvaardigt de omvang en complexiteit van de scholengemeenschap geen centrale directie in de schalen 17, 16 en 16. Naar het oordeel van de Commissie waren er voor de PGMR redelijkerwijze voldoende redenen voorhanden om te kunnen en te mogen twijfelen aan de juistheid van de invulling van de centrale directie in het functiebouwwerk. Die redenen hebben betrekking op het gegeven dat de desbetreffende functies geen voorbeeldfuncties zijn, FUWA-VO geen directiefunctie schaal 17 kent, het Kaderbesluit VO in beginsel uitgaat van directiefuncties tussen schaal 12 en 16, de CAO-VO niet voorziet in functies boven schaal 16 en in de functiebeschrijvingen verantwoordelijkheden worden genoemd die niet logisch aansluiten op het huidige besturingsmodel en bestuurs- en directiereglement. De twijfels van de PGMR dienden volgens de Commissie voor de werkgever reden te zijn om zijn voorstel te heroverwegen en ingeval van handhaving daarvan zijn voorstel nader te onderbouwen. Het doen uitvoeren van een contra-expertise met advies aan de werkgever over de juistheid van de voorgestelde directiefuncties, acht de Commissie daarvoor de geëigende weg. Zowel de functiebeschrijvingen en -waarderingen als de contra-expertise kunnen hier echter niet worden aangemerkt als een voldoende relevante motivering van de invulling van het functiebouwwerk voor wat betreft de centrale directie. De werkgever heeft ook anderszins geen nadere draagkrachtige motivering voor zijn voorstel aangedragen.
PGMR heeft terecht zijn instemming aan de de invulling van het functiebouwwerk onthouden.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-04-2006
103036 - Interpretatiegeschil en adviesgeschil directiefunctie BVE
Waardering van directiefunctie op schaal 14 en toevoeging van die functie aan het functieboek, is in dit geval geen aangelegenheid waarvoor de (P)MR op grond van de WMO een bevoegdheid toekomt. In de lange periode van overleg heeft de MR zich nimmer op het standpunt gesteld dat ter zake instemmingsrecht aan de orde zou zijn. Bovendien gaat de MR akkoord met de directiefunctie en met de werkzaamheden die bij die functie behoren. Slechts de waardering op schaal 14 stuit op bezwaren. Waardering van de functie is echter geen onderwerp waarvoor de WMO de MR een bijzondere bevoegdheid toekent. Het gegeven dat de desbetreffende functie geen voorbeeldfunctie is, maakt dit niet anders. De MR heeft ter zake wel adviesrecht op basis van een tussen partijen gesloten convenant. Het adviesgeschil dat subsidiair aan de Commissie is voorgelegd, is te laat aangemeld. De overschrijding van de termijn is niet verschoonbaar. De MR is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot behandeling van het adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
23-03-2006
G733/735 - Instemmingsgeschillen
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
15-03-2006
103077 - Interpretatiegeschil art. 9.13 CAO-VO / taakbeleid VO
In het taakbeleid van de werkgever zijn voor docenten die de leeftijd van 52 respectievelijk 56 jaar hebben bereikt, extra faciliteiten boven de in de CAO vermelde regeling vastgesteld. De werkgever meent dat in art. 9.13 CAO-VO 2005-2006 het seniorenverlof uitputtend en imperatief geregeld is terwijl de PGMR meent dat dit niet het geval is.
De Commissie oordeelt dat de bedoelde extra faciliteiten los van de BAPO-regeling onderdeel van het taakbeleid zijn en dat een wijziging van de BAPO-regeling als bedoeld in art. 9.13 lid 2 CAO-VO niet een wijziging van de faciliteiten OP zoals opgenomen in het taakbeleid, met zich brengt. Afschaffing van de extra faciliteiten van het OP komt volgends de Commissie neer op een wijziging van het taakbeleid waarvoor op grond van art. 2.5 lid 4 en 14.2 lid 1 CAO-VO op instemming gericht overleg met de P(G)MR vereist is.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-12-2005
G727 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-01-2005
G704/G716 - Interpretatiegeschil, adviesgeschil en instemmingsgeschil
Interpretatiegeschil, adviesgeschil en instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-06-2004
102539 - Instemmingsgeschil taakbeleid VO
Het bevoegd gezag kampt met financiële moeilijkheden en heeft als bezuinigingsmaatregel onder meer voorgesteld om voor de toedeling van de OP-formatie binnen de locaties uit te gaan van 25 lessen per week voor de onderbouwlocaties, 26 lessen voor de VMBO-bovenbouwlocaties en 27 lessen voor de HAVO/VWO-bovenbouwlocatie. De GMR erkent de bezuinigingsnoodzaak doch weigert in te stemmen. De GMR meent dat bij gebrek aan gedegen analyse, de pijn gelijkelijk verdeeld dient te worden over de locaties en dat een dergelijke maatregel niet kan worden ingevoerd zonder een totaal samenhangend taakbeleid te voeren. De stelling dat een maatregel die de formatietoedeling en taakbelasting betreft, dient te worden genomen in het kader van een samenhangend taakbelastingsbeleid, kan de Commissie in zijn algemeenheid onderschrijven. In onderhavig geval is echter sprake van een noodzaak tot spoedeisend ingrijpen zonder welke het voortbestaan van de scholen op korte termijn in het gedrang komt. Het nemen van een noodmaatregel laat onverlet dat het bevoegd gezag voor de toekomst dient te werken aan een nieuw taakbeleid. Het voorstel voor de OP-formatietoedeling kan de redelijkheidstoets doorstaan: de Commissie acht het redelijk dat het bevoegd gezag heeft voorgesteld de bezuinigingslast in de onderbouw te beperken vanwege de doelgroepen en het loslaten van de basisvorming. Ook acht de Commissie het niet onredelijk dat in de bovenbouw HAVO/VWO vanwege de doelgroep, het curriculum en het rafelige examenjaar, voorlopig meer bezuiniging op de lessentaak wordt gerealiseerd. Op de directie- en OBP-formatie worden ook bezuinigingen doorgevoerd. De Commissie gaat ervan uit dat zo spoedig mogelijk een voorstel voor een nieuw taakbeleid voor de hele organisatie ter instemming aan de GMR wordt voorgelegd. Het bevoegd gezag heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-12-2003
G689 - Interpretatie- en instemmingsgeschil
Interpretatie- en instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-11-2003
G669 - Advies- en interpretatiegeschil
Advies - en Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
30-05-2003
G680/G681/G682 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-04-2003
G677/G678 - Interpretatiegeschillen
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
21-07-2002
102162 - Reglementsgeschil met betrekking tot verkiezingsstelsel MR.
Het bevoegd gezag heeft in het reglementsvoorstel opgenomen dat de verkiezingen van de MR worden georganiseerd volgens het lijstenstelsel en dat de MR voor de verkiezing een uitwerkingsplan opstelt dat ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt voorgelegd. Indien het bevoegd gezag zijn goedkeuring aan het uitwerkingsplan onthoudt, kunnen bevoegd gezag en/of MR daarover een reglementsgeschil aan de Commissie voorleggen, aldus het voorstel. De MR wenst dat in het reglement wordt opgenomen dat de verkiezingen voor de MR worden gehouden op basis van het personenstelsel. De Commissie overweegt dat onder de gegeven omstandigheden het passief en actief kiesrecht en de democratische verhoudingen binnen de instelling het meest zijn gediend met een personenstelsel dat zogenoemde kongsi-vorming uitsluit. Op die wijze wordt zowel aan de wensen van het bevoegd gezag als aan die van de MR tegemoet gekomen. Het is voorts een zaak van zowel het bevoegd gezag als de MR om personeel en medewerkers binnen alle units te bewegen tot betrokkenheid bij de medezeggenschap binnen de instelling. Aldus oordeelt de Commissie dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De Commissie bepaalt dat in het vast te stellen medezeggenschapsreglement het lijstenstelsel dient te worden vervangen door het stelsel van de 'Enkelvoudige Overdraagbare Stem' als uiteengezet in de bijlage van de uitspraak van de Commissie.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-10-2001
G656- Interpretatiegeschil (tussenuitspraak)
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-04-2000
G637 - Advies- en interpretatiegeschil
Advies- en interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-06-1999
G631 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-02-1999
G626 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
20-03-1998
G616 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
01-10-1997
G607 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-07-1997
G603 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-06-1995
G530 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-04-1995
G520 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
01-03-1995
G515 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-01-1995
G499 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
20-10-1993
G421 - Interpretatiegeschil.
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-10-1993
G379 en G380 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-06-1993
G391 - Interpretatiegeschil.
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-06-1993
G386 - Interpretatiegeschil.
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-05-1993
G385 - Interpretatiegeschil.
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-02-1993
G375 - Interpretatiegeschil.
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-02-1993
G376 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
Zojuist verschenen: jaarverslag Onderwijsgeschillen 2011 en jaarverslag van de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs 2011
Uitspraak LCG WMS 11 april 2012 : termijnen voor indienen van instemmingsgeschil zijn dwingend
Nieuwe publicatie Onderwijsgeschillen: artikel in School en Wet over disciplinaire maatregel
Arrest Ondernemingskamer inzake vordering tot naleving WMS m.b.t. vergoeding kosten van rechtsbijstand
Advies Landelijke Bezwarencommissie Schoolbestuursbeslissingen (LBS): ontslag uit ID-betrekking
