08-03-10
104397 - Instemmingsgeschil taakbelasting VO - artikel 12 onder h WMS (taakverdeling respectievelijk taakbelasting personeel, de schoolleiding daaronder niet begrepen)
De PGMR heeft instemming aan het voorstel arbeidsvoorwaardenregeling onthouden vanwege de manier waarop de maatregel ter beperking van de werkdruk van het onderwijzend personeel daarin was opgenomen. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of het onderwijzend personeel een beroep kan doen op zowel de werkdruk verlagende maatregel uit de eigen rechtspositieregeling, als op het trekkingsrecht uit de CAO. Dienaangaande overweegt de Commissie dat de regeling van het trekkingsrecht in de CAO gedeeltelijk voorziet in een onderwerp - verlaging van de werkdruk van onderwijzend personeel - waarvoor in de eigen rechtspositieregeling al een, in uren ruimere, regeling was getroffen. Niet valt in te zien waarom het trekkingsrecht uit de CAO VO bovenop de reeds bestaande werkdruk verlagende maatregel zou moeten komen. Door het trekkingsrecht van de CAO VO in te voeren en daar bovenop de mogelijkheid te laten bestaan om naar eigen inzicht invulling te geven aan 21 uur niet-lesgevende taken, doet het bevoegd gezag geen afbreuk aan de regeling die reeds jaren bij het bevoegd gezag gold. De PGMR heeft niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan het voorgenomen besluit m.b.t. de werkdrukverlaging kunnen komen en het bevoegd gezag kan het besluit ten uitvoer leggen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-03-10
104273 - Instemmingsgeschil VO - artikel 12 onder b WMS (vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie)
De PMR erkent dat de financiële situatie van de school dermate ernstig is dat formatiereductie noodzakelijk is, maar stemde niet in met het meerjarenformatieplan omdat zij het niet terecht achtte dat het begrotingstekort grotendeels wordt afgewenteld op het personeel. Het bevoegd gezag ontvangt bekostiging voor 1 fte onderwijzend personeel per 17,14 leerlingen maar er is bij het formatieplan uitgegaan van 1 fte per 20 leerlingen. Het bevoegd gezag en de PMR zijn het erover eens dat de ratio in de loop der jaren afgebouwd moet worden. Wat partijen nog verdeeld houdt, is onder welke omstandigheden de afbouw wel kan plaatsvinden en onder welke omstandigheden dit niet het geval kan zijn. Het bevoegd gezag wil de ratio bijstellen zodra er financiële ruimte is. Met die toezegging neemt de PMR geen genoegen. Dit is naar het oordeel van de Commissie niet terecht omdat gebleken is dat het bevoegd gezag in 2009 al gebruik heeft gemaakt van de financiële ruimte om extra formatie in te zetten. Dat er mogelijk verschil van mening kan ontstaan over de vraag of er nu wel of geen financiële ruimte is om de ratio af te bouwen, is naar het oordeel van de Commissie geen reden voor de PMR om nu en in algemene zin niet in te stemmen met het voorstel over de afbouw van de ratio. Daarover kan advies ingewonnen worden bij een onafhankelijk financieel deskundige. De PMR heeft niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan het voorgestelde formatieplan 2009-2012 kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-02-10
104282 - Instemmingsgeschil vaststelling strategienota "Onderzoek en Lectoren"; HBO
De Hogeschoolraad weigert in te stemmen met de strategienota omdat deze te vrijblijvend is. Er is geen structurele en formele verbinding tussen academies en lectoraten. Daarenboven worden de bijdragen van de lectoren nergens gekwantificeerd en worden de studenten te weinig bij het lectoraat betrokken. De Commissie overweegt dat inherent is aan een strategienota dat er sprake is van in algemene zin geformuleerde uitgangspunten die nog nadere vertaling/uitwerking in de praktijk zullen krijgen. Het College van Bestuur heeft in de strategienota in Hoofdstuk 3 aandacht besteed aan de verbinding lectoraat en onderwijs. Het heeft aangegeven dat het belangrijk is dat er stevige verbindingen tussen onderwijs en onderzoek ontstaan en dat een sterke verbinding van het onderzoek met de beroepspraktijk kenmerkend is voor het type onderzoek dat de hogeschool wil doen. Ook is aandacht besteed aan de betekenis van het lectoraat voor de studenten en aan de verhouding tussen het lectoraat en de academies. Dat het College van Bestuur hiermee onvoldoende blijk heeft gegeven van verbinding tussen de lectoren en het onderwijs en dat het College van Bestuur de nota te eenzijdig vanuit de onderzoekscomponent heeft opgezet, is aldus niet gebleken, net zomin als dat de rol van de student onderbelicht zou zijn. Immers, de door de Hogeschoolraad genoemde verbinding is door het College van Bestuur in de nota aan de orde gesteld en - op strategisch niveau - vormgegeven. Het College van Bestuur heeft in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-12-09
104290 - Instemmingsgeschil invoering werkrooster docenten; MBO
Het werkrooster bestaat uit een overzicht van in enig jaar door een docent te verrichten werkzaamheden (planning) en de daaraan daadwerkelijk bestede tijd (realisatie). Voorts bevat de notitie "Werkrooster docenten" onder meer bepalingen over overuren, werktijden en (het opnemen van) vrije dagen. De Commissie merkt het voorstel aan als betrekking hebbend op de vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel 8 lid 1 onder d WMO 1992. Gelet op het nieuwe systeem van taakverdeling in de CAO-BVE waarbij de taken binnen de teams verdeeld dienen te worden en de aanhoudende signalen over de werkdruk van docenten acht de Commissie het verkrijgen van - ook cijfermatig - inzicht in de tijdsbesteding van docenten niet onredelijk. Dit inzicht kan er toe bijdragen dat de taakverdeling binnen de teams realistisch, dit wil zeggen op basis van reëel te besteden tijd, plaatsvindt. Het bevoegd gezag heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel, neergelegd in de notitie "Werkrooster docenten", kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-12-09
104276 - Interpretatiegeschil VO - artikel 14 lid 2 onder c en d WMS (bestemming middelen die van ouder/leerlingen gevraagd worden)
Een interpretatiegeschil met het ouderdeel van een deelraad. Het bevoegd gezag verhoogt jaarlijks de schoolspecifieke ouderbijdragen op een school voor internationaal onderwijs, zonder dit voor te leggen aan het ouderdeel van de deelraad. Zowel de oudergeleding als het ouderdeel van een deelraad is op grond van de WMS bevoegd een geschil aan de Commissie voor te leggen. Ingevolge artikel 27 lid 2 WVO zijn er twee soorten geldelijke bijdragen van ouders mogelijk: de bijdrage die bij of krachtens wet geregeld is en de vrijwillige bijdrage. Alleen voor de vrijwillige bijdrage geldt dat de toelating van de leerling daarvan niet afhankelijk gesteld kan worden. De in het geding zijnde Schoolfee is voor ouders verplicht en wordt aangegaan bij overeenkomst vóór toelating op de school. Dit vindt voor deze school zijn basis in artikel 73 WVO. Aldus dient de Schoolfee te worden aangemerkt als een bijdrage, meer bepaald een cursusgeld, waarvoor een wettelijke verplichting bestaat, welke in artikel 14 lid 2 onder c WMS is uitgezonderd van het instemmingsrecht.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-12-09
104312 - Interpretatiegeschil PO - artikel 10 onder b en artikel 16 lid 1 WMS (bevoegdheid MR of GMR zorgplan samenwerkingsverband)
Het bevoegd gezag neemt met twee, respectievelijk vier scholen deel aan twee samenwerkingsverbanden. De overige scholen van het bevoegd gezag vormen tezamen een samenwerkingsverband. Het bevoegd gezag en de GMR verschillen van mening over de vraag of aan de GMR of aan de MR'en instemmingsrecht toekomt ten aanzien van de zorgplannen van de samenwerkingsverbanden. Uit de bewoordingen van artikel 16 lid 1 WMS blijkt dat de aard van de desbetreffende aangelegenheid kan bewerkstelligen dat de GMR bevoegd is, ook indien ogenschijnlijk minder dan de helft van de onder het bevoegd gezag vallende scholen direct bij de aangelegenheid betrokken is. In het onderhavige geval heeft de GMR niet aannemelijk gemaakt dat het vaststellen van de zorgplannen van de twee samenwerkingsverbanden naar zijn aard een aangelegenheid is, die van gemeenschappelijk belang is voor alle of voor de meerderheid van de scholen van het bevoegd gezag.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
30-11-09
104240 - Interpretatiegeschil PO - artikel 16 lid 2 onder c en lid 3 (bevoegdheid GMR bij benoeming bovenschools directeur en uitbreiding College van Bestuur)
De GMR heeft een interpretatiegeschil ingediend over de vraag welke rol voor de GMR is weggelegd bij de benoeming van centraal directeuren en bij de uitbreiding van het College van Bestuur met één lid. Uit de aanhef van artikel 16 lid 2 WMS blijkt dat de GMR over bevoegdheden beschikt naast de in artikel 16 lid 1 WMS genoemde bevoegdheid. Deze wettekst biedt naar het oordeel van de Commissie geen ruimte voor een andere uitleg dan dat het adviesrecht van de GMR ten aanzien van de aanstelling en het ontslag van personeel dat belast is met managementtaken geldt, ook wanneer dit niet voor de meerderheid van de scholen van het bevoegd gezag van belang is. De leden van het College van Bestuur vallen niet onder het begrip personeel dat in artikel 1 onder i WMS is gedefinieerd. Dit betekent dat het begrip "personeel" in artikel 16 lid 2 onder c en lid 3 WMS niet mede omvat de leden van het College van Bestuur. Het besluit tot uitbreiding van het College van Bestuur valt onder het meerjarig financieel beleid waarvoor de MR adviesrecht heeft op grond van artikel 16 lid 2 onder a WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-11-09
104215 - Interpretatiegeschil begrip functiebouwwerk; VO
Interpretatiegeschil met betrekking tot de vraag of de beschrijving van de functie van de adjunct-directeur onder het functiebouwwerk valt en of de PMR daarover instemmingsrecht heeft. Nadat de werkgever de PMR had verzocht in te stemmen met het voorgenomen besluit om voor de schoolleiding te gaan werken met één eindverantwoordelijke directeur en twee adjunct-directeuren, wilde de PMR nader over de procedure geïnformeerd wil worden. De PMR kon zich globaal in het voorgestelde functiewerk vinden. Vervolgens stemde de PMR stemde wel in met de benoemingsprocedure voor de adjunct-directeur maar niet met de functiebeschrijving van de adjunct-directeur. Dat was volgens de werkgever ook niet nodig, volgens de PMR wel. De Commissie is van oordeel dat, vanwege de samenhang met artikel 20.2. lid 2 CAO-VO, het begrip 'functiebouwwerk' als bedoeld in artikel 10.1 lid 1 CAO-VO aldus dient te worden verstaan dat daaronder tevens de beschrijvingen van de functies zijn begrepen. Invulling van het functiebouwwerk houdt naar het oordeel van de Commissie immers in dat de werkgever niet alleen aangeeft welke functies de organisatie heeft maar dat de werkgever daarbij aan de hand van functiebeschrijvingen ook aangeeft welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden horen bij de genoemde functies. Op grond van artikel 10.1 lid 1 juncto artikel 20.2 lid 1 CAO-VO kan de werkgever het aldus ingevulde functiebouwwerk niet vaststellen zonder instemming van de P(G)MR.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-11-09
104268 - Interpretatiegeschil PO - artikel 11 onder h (benoeming directeur) en artikel 17 WMS
Het bevoegd gezag heeft zonder voorafgaand advies van de MR een directeur benoemd voor één jaar op basis van detachering. Volgens de MR is het besluit adviesplichtig en moeten de verplichtingen van artikel 17 WMS worden nageleefd. Hangende het geschil voor de Commissie, zijn partijen het erover eens dat het adviesrecht van de MR ten aanzien van de aanstelling van de schoolleiding (art. 11 onder h WMS) zich mede uitstrekt over een tijdelijke aanstelling, ook als deze op detacheringsbasis plaatsvindt. Naar het oordeel van de Commissie is deze zienswijze juist: wettekst en parlementaire behandeling geven geen argumenten een constructie op detacheringbasis buiten het bereik van het adviesrecht te plaatsen. Voor het concrete geval betekent dit dat bij de adviesaanvraag van het bevoegd gezag ten aanzien van de tijdelijke benoeming van de directeur artikel 17 WMS in zijn geheel dient te worden nageleefd. Partijen verschillen nog wel van mening over de gevolgen die aan deze interpretatie dienen te worden verbonden nu de benoeming ten tijde van de adviesaanvraag reeds had plaatsgevonden. De Commissie oordeelt dat niet valt in te zien waarom de voorschriften van artikel 17 WMS geen gelding meer zouden hebben indien het bevoegd gezag in afwijking van de WMS ten tijde van de adviesaanvraag reeds een besluit heeft genomen. Ten overvloede wijst de Commissie er op dat een eventuele vordering van de MR tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de MR is geregeld in artikel 36 WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-11-09
104236 - Instemmingsgeschil taakbelastingbeleid; BVE
De PMR heeft instemming onthouden aan de notitie "Gezamenlijke kaders taakbelasting". Aan de teams moet volgens het bevoegd gezag de ruimte worden geboden om over de normering van activiteiten naar eigen inzicht afspraken te maken. Het voorstel leidt waarschijnlijk tot verhoging van de werkdruk, aldus de PMR. Bovendien is nagenoeg het gehele taakbelastingsbeleid onttrokken aan invloed van de PMR. In geschil is of de rechtszekerheid van het personeel door het stellen van summiere kaders in het gedrang komt. Allerminst valt uit te sluiten dat de invoering van het competentiegerichte onderwijs in samenhang met de aanstelling van praktijkassistenten niet noodzakelijkerwijs tot taakverzwaring hoeven te leiden. In dat licht is van belang de toezegging om na een jaar van werken met de voorgestelde kaders het effect grondig te evalueren. Indien het ontbreken van striktere kaders leidt tot een onbillijke uitkomst van de werkverdeling op teamniveau voor een individuele werknemer, biedt artikel F-8 CAO aan de interne geschillencommissie de mogelijkheid om deze onbillijkheid ongedaan te maken. Het CvB heeft bij afweging van de belangen in redelijkheid tot het voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-11-09
104234 - Interpretatiegeschil start duale opleiding; HBO
Geschil over de vraag of de MR instemmingsrecht heeft ten aanzien van ene voorgenomen besluit te starten met enkele duale opleidingen in een ander deel van het land. Volgens de MR is dit een instemmingsaangelegenheid die rechtstreeks raakt aan drie instemmingsaangelegenheden uit het medezeggenschapsreglement: wijziging of vaststelling van het instellingsplan (artikel 22 onder a), regels op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn (artikel 22 onder g) en het beleid met betrekking tot de besteding van de middelen van de hogeschool (artikel 22 onder h).
Het besluit enkele duale opleidingen te starten is in dit geval niet aan te merken als strijdig met het instellingsplan en evenmin als een wijziging daarvan. De Commissie is daarnaast niet gebleken dat de start van een duale opleiding tot wijziging van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden heeft geleid of zou moeten leiden. Vele besluiten van een College van Bestuur hebben financiële gevolgen. Dat betekent echter nog niet dat, indien er geen specifieke aangelegenheden zijn die betrekking hebben op de inhoud van het besluit, die besluiten dan dienen te worden aangemerkt als een wijziging van het financieel beleid waarvoor ingevolge het medezeggenschapsreglement instemmingsrecht geldt. Dat laatste zal slechts het geval zijn indien het besluit van zodanig fundamenteel belang is dat er sprake is van een wijziging van de visie op de besteding van de middelen. Daarvan is hier geen sprake gezien de geringe druk die het besluit op de begroting legt. Op grond van artikel 10.20 onder e WHW heeft de MR een instemmingsbevoegdheid ten aanzien van het vaststellen of wijzigen van de onderwijs- en examenregeling (OER). Artikel 7.13 tweede lid onder f WHW bepaalt dat in de OER "de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding" moet zijn geregeld. In de OER dient dus de vormgeving van de duale opleiding beschreven te worden. Naar het oordeel van de Commissie is 'vaststelling en wijziging van de onderwijs- en examenregeling' de specifieke aangelegenheid waar het starten van de duale opleiding Verpleegkunde, die de aanleiding vormt voor dit geschil, onder valt.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
21-10-09
104224 - Instemmingsgeschil instellen centrale stafeenheid; HBO
Het College van Bestuur heeft met instemming van de MR een strategisch plan vastgesteld voor de periode 2009-2012. Vervolgens heeft de MR niet ingestemd met het voorgenomen besluit van het College van Bestuur om de beleidsmatige ondersteuning van de in het plan neergelegde visie onder te brengen in een centrale stafeenheid, onder de leiding van een projectleider.
De bezwaren hebben met name betrekking op de nieuwe functie van projectleider. De Commissie overweegt dat, nog los van de vraag of projectleider een topfunctie is, er niet meer managementfuncties komen aangezien er in ieder geval twee directeursfuncties komen te vervallen in de nieuwe constructie. In die zin is er geen sprake van een uitbreiding van de formatie of van de top. Het is voldoende gebleken dat door de ambities in het strategisch plan en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden voor de staf in relatie met het opheffen van de oude organisatorische stafdiensten en de nieuw te vormen stafeenheid, er een dusdanig nieuwe situatie ontstaat dat het niet onredelijk is dat daar één leidinggevende voor wordt aangesteld. Gezien de aard en inhoud van de in het voorstel beschreven beoogde werkzaamheden van de leidinggevende, lijkt het de Commissie niet realistisch dat één van de senior-beleidsmedewerkers dit naast zijn eigenlijke werkzaamheden zou kunnen doen, zoals door de MR is gesuggereerd.
Alles overziende oordeelt de Commissie dat het College van Bestuur in redelijkheid tot het voorstel tot instelling van een centrale stafeenheid met daarbij de functie van projectleider heeft kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden
19-10-09
104227 - Interpretatiegeschil VO - artikel 11 onder i, artikel 11 onder h, artikel 12 onder b WMS (concrete taakverdeling schoolleiding, samenstelling formatie, aanstelling en ontslag schoolleiding)
Na het vertrek van de rector heeft het bevoegd gezag één van de twee conrectoren benoemd tot rector. De vrijgevallen functie van conrector wordt niet meer vervuld. In geschil is welke bevoegdheid de (P)MR ten aanzien van deze beslissingen toekomt. De Commissie overweegt dat door de inkrimping van de schoolleiding een herschikking van taken dient plaats te vinden. Dit komt neer op een wijziging van de concrete taakverdeling binnen de schoolleiding en op een wijziging van het managementstatuut, waarvoor de MR op grond van het medezeggenschapsreglement adviesbevoegdheid heeft. De inkrimping van de directieformatie is ook een wijziging van de samenstelling van de formatie waarvoor de (P)MR instemmingsrecht heeft. Voorts valt de benoeming van de rector onder de aangelegenheid 'aanstelling van de schoolleiding' waarvoor de PMR op grond van het medezeggenschapsreglement instemmingsrecht heeft. Weliswaar was de benoemde rector voorheen reeds lid van de schoolleiding maar de functie van rector is een wezenlijk andere dan de functie van conrector. Overgang van functie kan volgens de CAO VO niet anders plaatsvinden dan door ontslag uit de oude functie en benoeming in de nieuwe functie en de benoeming is niet louter formatie maar ook rechtspositioneel.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-10-09
104238 - Instemmingsgeschil PMR taakbelasting VO - artikel 16 WMS (bevoegdheid GMR)
Instemmingsgeschil met de PMR van een school over een voorgenomen maatregel tot werkdrukvermindering die onderdeel is van een voorgestelde rechtspositieregeling voor het personeel van alle onder het bevoegd gezag ressorterende scholen. Op grond van artikel 16 lid 1 WMS treedt de PGMR in de plaats van de PMR indien het een aangelegenheid betreft die van gemeenschappelijk belang is voor alle scholen of voor de meerderheid van de scholen van het bevoegd gezag. Dit betekent dat de PGMR ter zake van het instemmingsrecht ten aanzien van de voorgestelde maatregel tot werkdrukverlaging in de plaats treedt van de PMR-en van de scholen van het bevoegd gezag. Derhalve is niet de PMR maar de PGMR bevoegd tot het uitoefenen van het instemmingsrecht. Nu het instemmingsrecht terzake toekomt aan de PGMR kan het bevoegd gezag geen instemmingsgeschil met de PMR hebben. Dientengevolge kan het bevoegd gezag niet worden ontvangen in zijn verzoek aan de Commissie tot behandeling van een instemmingsgeschil met de PMR.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-10-09
104139 - Interpretatiegeschil PO - artikel 16 WMS (bevoegdheden GMR)
Enkele jaren na de oprichting van een Stichting ten behoeve van meerdere scholen voor primair onderwijs, heeft het bevoegd gezag in het kader van de ontwikkeling van de organisatie, onder meer voorgesteld om het takenpakket van de schooldirecteur aan te passen en om de verdelingssystematiek van de financiële middelen aan te passen. Volgens de MR van een school betreft het schoolspecifieke aangelegenheden die het bevoegd gezag ter instemming aan de MR had moeten voorleggen. Het bevoegd gezag meent dat het gaat om zaken die van gemeenschappelijk belang zijn als gevolg waarvan de GMR op grond van de WMS van rechtswege treedt in de bevoegdheden van de MR.
De Commissie stelt vast dat het besluit over de wijziging van de directeursfunctie geldt voor alle scholen die vallen onder het bevoegd gezag en derhalve ook gevolgen heeft voor alle scholen en voor de organisatie als geheel. Dit betekent dat er sprake is van een besluit dat van gemeenschappelijk belang is voor alle scholen als bedoeld in artikel 16 lid 1 WMS, zodat de GMR ter zake in de plaats treedt van de MR. Echter, daar waar er binnen de kaders van het genomen besluit nog ruimte is voor nadere invulling van de directietaak op schoolniveau, dient het bevoegd gezag daarover aan de desbetreffende MR-en advies te vragen op grond van artikel 11 aanhef en onder i WMS. Voor wat betreft de toedeling van de middelen aan de scholen zijn partijen het erover eens dat deze toedeling is aangepast en dat de GMR ter zake om advies is gevraagd. Nu het gaat om de bestemming van de middelen en de criteria die worden toegepast bij de verdeling van de middelen over voorzieningen op bovenschools niveau en op schoolniveau, is er sprake van een aangelegenheid die valt onder artikel 16 lid 2 WMS ten aanzien waarvan niet de MR maar de GMR van rechtswege adviesrecht heeft. De wijze waarop de toegedeelde middelen vervolgens op schoolniveau worden ingezet is een aangelegenheid die valt onder artikel 11 lid b WMS.
Tot slot merkt de Commissie op dat het gegeven dat het gaat om aangelegenheden waarover de GMR geconsulteerd dient te worden, onverlet laat dat het bevoegd gezag de MR-en hierover dient te informeren. Dat volgt uit het informatierecht zoals geregeld in artikel 8 lid 1 WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-10-09
104148 - Interpretatiegeschil VO - artikel 24 lid 1 onder g WMS (termijn voor instemming) en reglementsbepaling
In het medezeggenschapsreglement is opgenomen dat als de GMR niet binnen de afgesproken reactietermijn uitsluitsel heeft gegeven of hij al dan niet instemt met het voorgenomen besluit, het voornemen kan worden omgezet in een definitief besluit. Ondanks dat het GMR-reglement ten tijde van het instemmingsverzoek niet gold, doet de Commissie ambsthalve uitspraak over de interpretatie omdat het GMR-reglement een werkingsduur heeft tot 1 augustus 2010. De WMS geeft niet aan of instemming mondeling of schriftelijk gegeven moet worden. Ook heeft de WMS niet geregeld of de instemming expliciet gegeven moet worden dan wel ook impliciet gegeven kan worden. De WMS geeft in dit verband aan dat in het reglement in ieder geval wordt geregeld binnen welke termijnen tot instemming of tot onthouding van instemming dient te worden besloten (artikel 24 lid 1 aanhef en onder g). Uit het dwingend karakter van de wet, voortvloeiend uit artikel 2 WMS, en de formuleringen in de WMS dat het bevoegd gezag de voorafgaande instemming behoeft, alsmede dat in het reglement de termijnen worden geregeld binnen welke tot instemming of tot onthouding dient te worden besloten, leidt de Commissie af dat het uitblijven van een reactie van (een geleding van) de (G)MR binnen een in het reglement bepaalde termijn niet aangemerkt kan worden als een besluit tot instemming, ook niet als dat als zodanig in een (G)MR-reglement is opgenomen. Binnen het systeem van de wet past het naar het oordeel van de Commissie wel dat als (een geleding van) de (G)MR is gevraagd binnen een bepaalde termijn met een voorgenomen besluit in te stemmen en dit niet binnen die termijn doet, te veronderstellen dat er dan geen instemming is verleend. Op dat moment kan het bevoegd gezag een instemmingsgeschil voorleggen aan de Commissie, mits over het voornemen overleg heeft plaatsgevonden. Immers, op grond van artikel 31 aanhef en onder a WMS is de Commissie op verzoek van het bevoegd gezag bevoegd van een zogenoemd instemmingsgeschil kennis te nemen. Aldus kan het bevoegd gezag voorkomen dat het nemen van besluiten door het uitblijven van een reactie op het instemmingsverzoek, onevenredig lang wordt opgehouden.
De complete tekst kunt u hier downloaden
22-07-09
104174 - Geschil uitoefening trekkingsrecht; VO
De werknemer heeft gevraagd of hij zijn volledige trekkingsrecht (artikel 7.2 CAO VO 2008-2010) in de vorm van een vermindering van zijn lestaak in één periode, bijvoorbeeld een week, kon laten vallen. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of de leraar, die kiest voor vermindering van zijn lestaak, zelf kan bepalen in welke periode die vermindering verwezenlijkt wordt en in welke periode hij de vervangende taken zal verrichten. Gelet op de bewoordingen in de CAO staat het de leraar in beginsel vrij om, naast het aangeven welke werkzaamheden hij door andere werkzaamheden wenst te vervangen, aan te geven in welke periode hij het trekkingsrecht wil effectueren. Doel van de regeling is immers dat de individueel ervaren werkdruk verminderd wordt. Gelet op het individuele recht van de werknemer kan de werkgever slechts op grond van zwaarwegende redenen die verband houden met de organisatie van de school en het onderwijs, weigeren aan de uitgesproken keuze van de werknemer tegemoet te komen. Omdat werknemer heeft geopteerd voor uitbetaling en niet duidelijk heeft aangegeven hoe hij het trekkingsrecht anders had willen uitoefenen is hij niet belemmerd in die uitoefening.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-07-09
104094 - Instemmingsgeschil begroting School HBO
De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de begroting 2008-2009 omdat hij het niet eens is met het in de begroting uitgewerkte taakbelastingsbeleid, bezwaren heeft tegen het ontbreken van een personeelsplan en over onvoldoende informatie beschikt. De Commissie stelt vast dat het overleg tussen partijen zijn gebreken heeft gehad; beide partijen zullen daarin een rol hebben gespeeld. Een arbeidsconflict met de voorzitter van de SMR is daarbij in grote mate een complicerende factor. De deelraad heeft zijn instemming mede onthouden vanwege het taakbeleid van de school zoals dat de afgelopen jaren is uitgevoerd en de wijze waarop vorm en uitvoering werd gegeven aan de door het College van Bestuur opgelegde bezuiniging. De Commissie stelt vast dat deze twee onderwerpen vallen onder het instemmingsrecht t.a.v. taakbelastingsbeleid en het personeelsplan. Niet gebleken is dat in de begroting een onlangs vast- of voorgesteld taakbeleid is verwerkt. Indien de deelraad meent dat de directeur ten onrechte geen taakbelastingsbeleid of personeelsplan ter instemming aan hem voorlegt, is de juiste weg hierover bij de kantonrechter naleving van de wet als bedoeld in artikel 10.33 WHW af te dwingen. De (deel)raad heeft dat niet gedaan, terwijl dit bezwaar wel reeds langere tijd speelt en hij zich kennelijk niet kan verenigen met de werkwijze van de School. M.b.t. het ontbreken van een personeelsplan en met name de wijze waarop gekomen is tot een aantal functiegroepen in het kader van het vaststellen van boventalligheid, merkt de Commissie op dat het beleid inzake boventalligheid is vormgegeven en vastgesteld in het overleg tussen College van Bestuur en vakorganisaties. Hoewel het de Commissie bevreemdt dat niet met een indeling van vergelijkbare functies en leeftijdscohorten gewerkt is (conform de op bestuursniveau vastgestelde regelingen), geldt ook hier dat niet de instemmingsprocedure met betrekking tot de begroting de geëigende weg is om deze kwestie aan de orde te stellen. Alles overziende is de Commissie van oordeel dat de verhoudingen tussen partijen dermate zijn verstoord dat van reële medezeggenschap geen sprake is geweest. Nu niet gebleken is dat het compleet spaak gelopen overleg - en dus de kwaliteit van de wederzijdse informatie uitwisseling - tussen partijen in overwegende mate aan de directeur dan wel de deelraad te verwijten is en daarenboven het begrotingsjaar bijna voorbij is, meent de Commissie dat het risico hiervan thans niet eenzijdig bij het College van Bestuur/de directeur kan worden neergelegd in die zin dat zou moeten worden geconcludeerd dat het College van Bestuur/de directeur niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De Commissie concludeert dat onder de gegeven omstandigheden geoordeeld moet worden dat het instellingsbestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgestelde begroting heeft kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-07-09
104156 - Instemmingsgeschil SPO - artikel 12 onder f en h WMS (arbeids- en rusttijden en taakbeleid)
De PGMR van drie scholen voor speciaal onderwijs cluster 4 heeft geweigerd in te stemmen met de voorgestelde wijziging van het taakbeleid en de lunchpauzetijd. De PGMR weigerde in te stemmen omdat in het voorstel een aantal categorieën personeelsleden wordt uitgesloten van de mogelijkheid om gebruik te maken van de compensatieregeling die in de CAO PO is vastgelegd. De PGMR stemde ook niet in met het voorstel om te voorzien in een dagelijkse ongestoorde lunchpauze van 15 tot 20 minuten voor het personeel. Omdat de voorgestelde pauzetijd in strijd is met artikel 2.4 lid 3 CAO PO oordeelt de Commissie dat de PGMR in redelijkheid haar instemming aan het voorstel heeft kunnen onthouden.
De voorgestelde uitsluiting van parttimers van gebruikmaking van de compensatieregeling is in strijd met het verbod op het maken van onderscheid naar arbeidsduur (art. 7:648 BW). Als er vanwege de bijzondere leerling-populatie al sprake is van een legitiem doel, namelijk maximaal twee leerkrachten per groep, dan is niet gebleken dat dit doel niet door middel van efficiënte verdeling van taken en roostering bereikt kan worden. M.b.t. de voorgestelde uitsluiting van de OOP-ers en de ambulante begeleiders overweegt de Commissie dat niet is onderbouwd dat er onvoldoende werk is om werknemers op weekbasis voor meer uren in te roosteren. Het tweede argument, dat het in het belang van de organisatie is dat de bedoelde werknemers aanwezig zijn als de leerlingen en het lesgevend en behandelende personeel er zijn, kan op zichzelf de uitsluiting niet rechtvaardigen.
De PGMR heeft in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan de voorgenomen wijziging van het taakbeleid en de werktijdenregeling kunnen komen en er geen sprake is van zwaarwegende omstandigheden die het voorstel rechtvaardigen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-06-09
104176 - Instemmingsgeschil VO - artikel 12 lid 1 onder o WMS (regeling aanstellingsbeleid).
De PMR heeft niet ingestemd met de voorgestelde benoemingsprocedure voor de schoolleiding omdat de MR daarin geen rol van betekenis heeft. Het bevoegd gezag stelt dat de PMR in verband met het adviesrecht van de MR t.a.v. een voorgenomen besluit tot benoeming van de schoolleiding, geen zeggenschap heeft over de benoemingsprocedure.
Omdat de voorgestelde procedure geen enkele vorm van participatie van de MR inhoudt, is er volgens de Commissie sprake van een ingrijpende wijziging van de bestaande regeling aan de school. Die wijziging dient met de nodige zorgvuldigheid tot stand te komen. Tot die zorgvuldigheid rekent de Commissie het voeren van reëel overleg met de PMR en een voldoende motivering van het voorstel. Vanwege tijdsdruk was er voor de PMR weinig tijd voor onderzoek en intern beraad en heeft er ook onvoldoende reëel overleg over het voorstel plaatsgevonden.
Ten aanzien van de motivering van het voorstel oordeelt de Commissie dat participatie van de MR in de wervings- en selectieprocedure niet op gespannen voet staat met het adviesrecht van de MR t.a.v. de benoeming van de schoolleider (art. 11 onder h WMS): het betreft twee aangelegenheden die niet op één lijn te brengen zijn. Het voorstel is voorts deels onjuist en niet draagkrachtig gemotiveerd.
De PMR is in redelijkheid tot het onthouden van instemming gekomen en er is geen sprake van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel rechtvaardigen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
23-06-09
104123 - Interpretatiegeschil SVO over begrip onderwijstijd (artikel 13 onder h WMS)
De oudergeleding van de MR (OMR) heeft instemming onthouden aan het voorgestelde lestijdenrooster 2008-2009 omdat daarin de lunchtijd als onderwijstijd werd aangemerkt, vanwege de omvang van de lunchtijd en omdat niet alle daadwerkelijk genoten/gegeven vrije dagen in het voorstel waren opgenomen. Daraop heeft het bevoegd gezag een interpretatiegeschil over het begrip onderwijstijd' aan de Commissie voorgelegd.
Volgens het bevoegd gezag wordt de lunchtijd benut in het kader van het bijbrengen van sociale vaardigheden aan de leerlingen en het bevorderen van sociale redzaamheid en gezond gedrag. De OMR meent dat de lunchtijd, zoals die op de school wordt ingevuld, niet als onderwijstijd kan worden aangemerkt. Volgens de OMR voegt de school onderwijsinhoudelijk niets toe tijdens de lunchtijd niets toe.
De Commissie sluit aan bij de bewoordingen van de brief van de minister en de staatssecretaris van OCW van 7 september 2006 (TK 2005-2006, 27451, nr. 60), in welke brief ten aanzien het gehele voortgezet onderwijs de criteria worden gesteld voor activiteiten ter voldoening aan de urennorm:
1. het moet gaan om begeleid onderwijs, dat wil zeggen dat de leerlingen afdwingbaar aanspraak kunnen maken op begeleiding;
2. het onderwijs moet deel uitmaken van het door de school geplande en voor alle leerlingen van een bepaalde stroom verplichte onderwijsprogramma;
3. het onderwijs moet onder verantwoordelijkheid van een leraar worden verzorgd, die op grond van de wet met die werkzaamheden mag worden belast.
Hieruit volgt naar het oordeel van de Commissie dat in beginsel activiteiten tijdens de lunchtijd kunnen worden gerekend tot de onderwijstijd mits zij voldoen aan voornoemde criteria.
Voor de interpretatie van het begrip 'onderwijstijd' zijn aanvullende eisen van de Onderwijsinspectie, van belang voor de controlefunctie, niet doorslaggevend.
De complete tekst kunt u hier downloaden
16-04-09
08.023 / 104010 - Interpretatiegeschil VO - artikel 4 lid 3, artikel 21 lid 2 en artikel 2 jo 11 onder h WMS
Vast staat dat de MR en het bevoegd gezag van mening verschillen over enkele bepalingen in het medezeggenschapsreglement. Evenzeer staat echter vast dat het bevoegd gezag het medezeggenschapsreglement niet ter instemming aan de MR heeft voorgelegd. Van een reglementsgeschil is eerst sprake indien het bevoegd gezag niet de vereiste instemming van de MR heeft verkregen nadat het voorstel ter instemming aan de MR is voorgelegd. Nu dit niet heeft plaatsgevonden, en er dus ook geen overleg in de zin van de WMS over het voorstel is gevoerd, is het geschil op dit onderdeel niet ontvankelijk.
De medezeggenschap is als volgt vormgegeven: iedere school heeft een MR. Daarboven bevinden zich drie platforms, één voor elke geleding. Uit en door de leden van de platforms worden de leden van de GMR gekozen. Aldus wordt het actief kiesrecht van de MR-leden vervangen door dit van hun vertegenwoordiger in het platform. Gelet op het uit artikel 2 WMS voortvloeiende dwingende karakter van de bepalingen van de WMS, oordeelt de Commissie deze beperking van het actief kiesrecht van de MR-leden in strijd met artikel 4 lid 3 WMS.
Ten aanzien van de medezeggenschapsdocumenten bepaalt artikel 21 lid 2 WMS dat het bevoegd gezag het medezeggenschapsstatuut als voorstel aan de GMR of bij het ontbreken daarvan aan de MR ter instemming voorlegt. Het bevoegd gezag heeft voor zijn scholen een GMR ingesteld. In dat geval komt aan de afzonderlijke MR'en geen bevoegdheid meer toe ten aanzien van het medezeggenschapsstatuut.
Artikel 11 onder h WMS bepaalt dat aan de MR adviesbevoegdheid toekomt met betrekking tot aanstelling en ontslag van de schoolleiding. In het MR-reglement is bepaald dat de MR over adviesbevoegdheid beschikt met betrekking tot benoeming en ontslag van de schoolleiding, met uitzondering van de eindverantwoordelijke schoolleider. Voor het voortgezet onderwijs wordt onder schoolleiding verstaan: de rector, de directeur of de leden van de centrale directie, bedoeld in de WVO, alsmede de conrectoren en de adjunct-directeuren (art. 1 WMS). De Commissie vermag niet in te zien dat de eindverantwoordelijke schoolleider buiten het begrip "schoolleiding" als genoemd in artikel 11 onder h WMS zou vallen. Dientengevolge komt de MR terzake het bijzondere adviesrecht als bedoeld in de WMS toe. Landelijke Commissie voor Geschillen
De complete tekst kunt u hier downloaden.
01-04-09
08.030 / 104011 - Interpretatiegeschil PO - artikel 13 onder g WMS (vaststelling schoolgids)
Geschil over de betekenis van het instemmingrecht van de oudergeleding van de MR (OMR) ten aanzien van de vaststelling van de schoolgids.
De MR heeft een tekst voor de schoolgids aangeleverd die melding maakt van een rolverdeling tussen het bevoegd gezag en de MR waar het bevoegd gezag het niet mee eens is. Het bevoegd gezag nam de tekst niet op in de schoolgids en meent dat het daartoe gerechtigd was omdat het eindverantwoordelijk is voor de inhoud van de schoolgids. Het bevoegd gezag verzoekt de Commissie uitspraak te doen over de interpretatie van artikel 13 onder g WMS.
De OMR stelt dat er geen sprake is van een interpretatiegeschil maar van een instemmingsgeschil. De OMR heeft haar instemming onthouden aan dat deel van de schoolgids waarin de informatie over de MR zou komen te staan.
De Commissie overweegt dat het voorstel dat aan de MR is voorgelegd en waarmee is ingestemd niet de complete schoolgids behelsde want het stukje tekst over de MR moest nog ingevuld worden. Nu de WMS spreekt over de aangelegenheid 'vaststelling van de schoolgids' en daarbij geen beperking noemt, gaat het om het vaststellen van de gehele schoolgids. Op grond van artikel 13 onder g WMS dient het bevoegd gezag dan ook een voorstel met betrekking tot de volledige schoolgids ter instemming aan de oudergeleding voor te leggen. Als de oudergeleding vervolgens niet instemt met dit voldragen voorstel van het bevoegd gezag, kan het bevoegd gezag, indien het zijn voorstel wenst te handhaven, een instemmingsgeschil aan de Commissie voorleggen. In dat instemmingsgeschil kan de onthouding van de instemming van de oudergelding door de Commissie beoordeeld worden.
Door niet een volledig voorstel met betrekking tot de schoolgids ter instemming aan de MR voor te leggen, heeft het bevoegd gezag geen juiste toepassing gegeven aan artikel 13 aanhef en onder g WMS.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
11-03-09
08.027 / 103987 - Interpretatiegeschil VO - artikel16 lid 1 WMS (aangelegenheden van gemeenschappelijk belang)
Geschil over de vraag of bepaalde besluiten van een door het bevoegd gezag vastgesteld Masterplan, handelend over de herschikking van het onderwijsaanbod, te beschouwen zijn als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang als genoemd in artikel 16 lid 1 Wet medezeggenschap op scholen (WMS). Een van de besluiten betreft de fusie tussen twee van de onder het bevoegd gezag ressorterende scholen, waaronder de school van deze MR. De MR stelt zich op het standpunt dat het Masterplan een kaderstellend plan is dat nog nadere uitwerking behoeft waarvoor de MR en niet de GMR bevoegd is. Het bevoegd gezag stelt dat de besluiten in het Masterplan niet los van elkaar kunnen worden gezien en van gemeenschappelijk belang zijn voor alle, althans de meerderheid van de scholen. De Commissie overweegt dat het bevoegd gezag met de in het Masterplan opgenomen besluiten beoogt de gevolgen van de regionale demografische ontwikkelingen voor de scholen te ondervangen. De besluiten hebben gevolgen voor het onderwijsaanbod van vijf van de zes onder het bevoegd gezag ressorterende scholen. Het besluit tot fusie dient te worden beschouwd als een structuurbepalend onderdeel van het integrale plan. Dit geldt eveneens voor de besluiten over de herschikking van het onderwijsaanbod op de verschillende scholen. Deze herschikking maakt als zelfstandig en dragend onderwerp deel uit van het Masterplan. Het Masterplan bevat derhalve een complex van besluiten met gevolgen voor alle, althans de meerderheid van de betrokken scholen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
11-03-09
08.026 / 103984 - Instemmingsgeschil VO vaststelling formatieplan (artikel 12 lid 1 onder h WMS)
In het jaar 2007 is het taakbeleid 2007-2008 vastgesteld. In het schooljaar 2007-2008 heeft een projectgroep taakbeleid enkele voorstellen tot optimalisering van de regeling gedaan, welke zijn overgenomen door het bevoegd gezag. Daarbij zijn enkele aanvullende wijzigingsvoorstellen gedaan, vanuit gevoelde noodzaak te bezuinigen. Het bevoegd gezag en de PMR werden het niet eens over de wijzigingsvoorstellen hetgeen er toe heeft geleid dat de werkgever zijn voorstellen heeft ingetrokken. Hij heeft daarbij aangekondigd het geldende taakbeleid naar de letter te zullen uitvoeren. De PMR heeft vervolgens meegedeeld niet in te kunnen stemmen met het voorgestelde formatieplan. Het bevoegd gezag heeft daarop een instemmingsgeschil met de PMR aan de Commissie voorgelegd.
De Commissie overweegt dat de vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie wordt vastgelegd in het jaarlijks vast te stellen formatieplan. Gebleken is dat na de intrekking van het voorstel tot wijziging van het taakbeleid, tussen partijen geen inhoudelijk overleg over het aangepaste formatieplan plaatsgevonden. Over de gedane voorstellen tot aanpassing van het taakbeleid noch over de uitwerking van de nieuwe strikte toepassing van het taakbeleid is herleidbare adequate informatie terug te vinden in het formatieplan. In het formatieplan is voorts geen informatie over beleidsvoornemens van het bevoegd gezag te vinden noch over de financiële situatie van de school. Het door het bevoegd gezag voorgestelde formatieplan kent slechts enkele algemene uitgangspunten en hoofdlijnen met daarbij een overzicht van de besteding van de beschikbare formatie per categorie personeel. Van een kenbare vertaalslag van het taakbeleid of algemeen beleid in het formatieplan, is geen sprake. Derhalve heeft de PMR uit het voorgestelde formatieplan niet kunnen opmaken of en zo ja welke verandering in het taakbeleid is opgetreden noch wat de strikte toepassing van het taakbeleid zoals door het bevoegd gezag is aangekondigd, inhoudt. Hiermee voldoet het formatieplan niet aan de daaraan redelijkerwijze te stellen eis van een kenbare motivering. Onder deze omstandigheden heeft de PMR in redelijkheid tot het onthouden van instemming aan het voorgestelde formatieplan 2008-2009 kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-02-09
103959 - Interpretatiegeschil taakbeleid CAO-VO
De A heeft een geschil aan de Commissie voorgelegd met betrekking tot het taakbeleid en navolging van de CAO-VO. De Commissie is niet bevoegd om zich uit te spreken over passende, compenserende maatregelen in geval het taakbeleid niet correct zou zijn toegepast, en de CAO-VO noch het reglement van de Commissie geven haar de bevoegdheid zich uit te spreken over de verplichting tot naleving van een eerdere uitspraak van een geschillencommissie medezeggenschap.Partijen verschillen van mening over de vraag welk taakbeleid voor het schooljaar 2008-2009 van toepassing is.De werkgever heeft gesteld dat met de toenmalige MR is afgesproken de Nota taakbeleid 2005 te verlengen voor de duur van één schooljaar. Uit niets blijkt deze afspraak. Evenmin is gebleken dat de geplande evaluatie van de regeling in het voorjaar 2006 heeft plaats gevonden. Derhalve heeft de Nota taakbeleid 2005 haar werking verloren per einde schooljaar 2006-2007. De Commissie concludeert dat de regeling die gold vóór dat de Nota taakbeleid van kracht werd, weer van kracht wordt. Dit is de regeling taakbeleid zoals opgenomen in de CAO-VO 2003-2005, bijlage 7.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-01-09
103935 - Instemmingsgeschil invoering bindend studieadvies WO
De Universiteitsraad heeft geweigerd in te stemmen met het voorstel om m.i.v. 01-09-2009 instellingsbreed een bindend studieadvies (BSA) in te voeren, in verband waarmee het studentenstatuut gewijzigd dient te worden. De haalbaarheid van de invoering bsa is onderzocht door een projectgroep bsa. De door de projectgroep genoemde randvoorwaarden voor de invoering van het bsa zijn in het voorgenomen besluit opgenomen en er is een implementatiecommissie ingesteld die toeziet op de tijdige invulling van alle randvoorwaarden.Gelet op de argumenten om de meerwaarde van het bindend studieadvies te motiveren en op de gegevens, in het bijzonder die van andere universiteiten die het bindend studieadvies toepassen, uit het aan het voorgenomen besluit mede ten grondslag gelegde rapport van de projectgroep bsa, is het voorgenomen besluit toereikend gemotiveerd.De randvoorwaarden hebben onder meer betrekking op de roostering van examens en colleges, personele en financiële gevolgen, studiebegeleiding, de nader te stellen regels, de informatievoorziening aan schoolverlaters en de waarborgen voor de mogelijkheden voor een goede studievoortgang. Mocht bij een of meer opleidingen niet tijdig aan de randvoorwaarden voldaan zijn, dan zal het College voor die opleiding(en) de invoering van het bindend studieadvies opschorten.De Universiteitsraad onderschrijft de randvoorwaarden en heeft niet gemotiveerd waarom de termijn tot 01-09-2009 te kort zou zijn om de invoering van het bsa op zorgvuldige wijze te realiseren. Het College van Bestuur zal erop toezien dat de genoemde randvoorwaarden vóór de invoering van het bindend studieadvies zijn vervuld en heeft daarvoor een Implementatiecommissie ingesteld, die haar werkzaamheden voortvarend ter hand heeft genomen. Op grond van bovenstaande heeft het College van Bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel tot invoering per 1 september 2009 van het bindend studieadvies aan de gehele instelling kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-01-09
08.021 - Interpretatiegeschil PO – artikel 12 lid 1 onder b WMS dan wel artikel 11 onder i (harmonisatie functiehuis), artikel 11 onder h WMS (ontslag van de directeur) en artikel 28 lid 2 WMS (vergoeding van de kosten
Tussen het bevoegd gezag en twee MR-en bestaat verschil van mening over de vraag of de harmonisatie van het functiehuis een aangelegenheid is die voor medezeggenschap van de beide betrokken MR-en dan wel de GMR in aanmerking komt en zo ja onder welke bevoegdheid. Tevens is de Commissie gevraagd of de MR adviesrecht toekwam ten aanzien van het ontslag van de directeur, als gevolg van de voorgenomen harmonisatie. Tenslotte vroegen de MR-en een oordeel over de redelijkheid van hun verzoek om vergoeding van kosten voor bijstand.
De Commissie acht het voorstel tot harmonisatie van het functiehuis van gemeenschappelijk belang voor alle onder het bevoegd gezag vallende scholen en daarom in de GMR thuishoren. Oogmerk van dit voorstel is immers dat in de toekomst aan elke school een eigen directeur als aanspreekpunt verbonden zal zijn. Voor wat betreft zijn gevolgen dient het voorstel te worden voorgelegd aan elke MR van een afzonderlijke school die van dit voorstel direct gevolgen ondervindt. In dit geval raakt het voorstel twee scholen in de samenstelling van hun formatie zodat het personeelsgeledingen van de beide MR-en (artikel 12 lid 1 onder b WMS) instemmingsrecht hadden.
Omdat het ontslag van de directeur formeel geen vrijwillig ontslag betrof, kwam de MR-en het adviesrecht toe op basis van artikel 11 aanhef en onder h WMS. Door de faciliteitenregeling voor MR-leden te willen regelen in het medezeggenschapsreglement en niet in het medezeggenschapsstatuut, heeft het bevoegd gezag de WMS niet juist geïnterpreteerd en nagelaten uitvoering te geven aan artikel 22 aanhef en onder e juncto 28 lid 2 WMS
De complete tekst kunt u h hier downloaden.
10-06-08
103705 Advies en Interpretatiegeschil m.b.t. richtlijnen decanen WO
De richtlijnen ex art. 9.5 WHW zijn genomen in het kader van invoering en implementatie van een nieuw administratief studenteninformatiesysteem en houden in:
1. de laatste tentamenuitslag is geldig; 2. er worden 12 universiteitsbrede examendata (één per maand) aangewezen; 3. er geldt één uniforme voldoende grens, namelijk 5,5 met één cijfer achter de komma. CSR heeft negatief advies uitgebracht omdat hij vindt dat het instemmingsrecht van de FSR-en op de OER-en, wordt ondermijnd.
De Commissie overweegt dat CvB terughoudendheid dient te betrachten omdat richtlijnen kunnen treden in de eigen verantwoordelijkheid van de faculteit waar het de inhoud en vormgeving van het onderwijs betreft. Richtlijnen zullen vooral randvoorwaarden betreffen die de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek en de studeerbaarheid bevorderen. De Commissie oordeelt dat de drie besluiten niet de grens van de organisatie en coördinatie van het onderwijs en de examens overschrijden en dat het CvB deze besluiten als richtlijnen kon vaststellen. De besluiten zijn voldoende gemotiveerd en het CvB heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden besluiten kunnen komen.
In het interpretatiegeschil overweegt de Commissie dat wettelijk uitgangspunt is dat een CvB richtlijnen kan vaststellen die de organisatie en coördinatie van de bevoegdheid tot vaststelling van een OER betreffen. Achtergrond daarvan is de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek en de studeerbaarheid van het onderwijs. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat een richtlijn die aan de vereisten voldoet en niet op ongeoorloofde wijze treedt in de bevoegdheid van decanen om de OER vast te stellen, één op één door de decaan moet worden overgenomen in de OER. De controle daarop vindt plaats door het CvB via de mogelijkheid tot schorsing en vernietiging van een besluit van de decaan. Dit systeem brengt mee dat de medezeggenschap op facultair niveau beperkt is tot de wijze van omzetting van een richtlijn in de OER.
De richtlijnen ex art. 9.5 WHW zijn genomen in het kader van invoering en implementatie van een nieuw administratief studenteninformatiesysteem en houden in:
1. de laatste tentamenuitslag is geldig; 2. er worden 12 universiteitsbrede examendata (één per maand) aangewezen; 3. er geldt één uniforme voldoende grens, namelijk 5,5 met één cijfer achter de komma. CSR heeft negatief advies uitgebracht omdat hij vindt dat het instemmingsrecht van de FSR-en op de OER-en, wordt ondermijnd. De Commissie overweegt dat CvB terughoudendheid dient te betrachten omdat richtlijnen kunnen treden in de eigen verantwoordelijkheid van de faculteit waar het de inhoud en vormgeving van het onderwijs betreft. Richtlijnen zullen vooral randvoorwaarden betreffen die de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek en de studeerbaarheid bevorderen. De Commissie oordeelt dat de drie besluiten niet de grens van de organisatie en coördinatie van het onderwijs en de examens overschrijden en dat het CvB deze besluiten als richtlijnen kon vaststellen. De besluiten zijn voldoende gemotiveerd en het CvB heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden besluiten kunnen komen. In het interpretatiegeschil overweegt de Commissie dat wettelijk uitgangspunt is dat een CvB richtlijnen kan vaststellen die de organisatie en coördinatie van de bevoegdheid tot vaststelling van een OER betreffen. Achtergrond daarvan is de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek en de studeerbaarheid van het onderwijs. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat een richtlijn die aan de vereisten voldoet en niet op ongeoorloofde wijze treedt in de bevoegdheid van decanen om de OER vast te stellen, één op één door de decaan moet worden overgenomen in de OER. De controle daarop vindt plaats door het CvB via de mogelijkheid tot schorsing en vernietiging van een besluit van de decaan. Dit systeem brengt mee dat de medezeggenschap op facultair niveau beperkt is tot de wijze van omzetting van een richtlijn in de OER.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-01-08
103615 Interpretatiegeschillen bevoegdheden reorganisatiecode, reorganisatie en financieel verdeelmodel WO
De Universiteitsraad verschilt met het College van Bestuur van mening over de bevoegdheid van de Universiteitsraad ten aanzien van de reorganisatiecode, eenheidsoverstijgende reorganisaties en het financieel verdeelmodel. De Commissie constateert dat de reorganisatiecode een generiek document is dat de hoofdlijnen van de procedurele aanpak van een reorganisatie beschrijft. Nu de code betrekking heeft op alle reorganisaties binnen de universiteit en ook op de gevolgen daarvan voor het personeel, is de Commissie van oordeel dat de reorganisatiecode is aan te merken als een 'aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel' als bedoeld in art. 9.36 lid 1 WHW en art. 11 lid 2 UR-reglement. Daarom heeft het personeelsdeel van de Universiteitsraad instemmingsrecht ten aanzien van een wijziging van de reorganisatiecode. Art. 10.8 van de CAO Nederlandse Universiteiten heeft slechts betrekking op de bevoegdheden van het lokaal overleg en bevat geen inhoudelijke regeling zodat de uitoefening van het instemmingsrecht daar niet door beperkt wordt.
Art. 11 lid 3 onder 2 UR-reglement bepaalt dat de Universiteitsraad instemmingsrecht heeft ten aanzien van een reorganisatie die een majeure organisatieverandering als gevolg heeft en die voortkomt uit nieuw beleid. Naar het oordeel van de Commissie dragen eenheidsoverstijgende reorganisaties in de regel een majeur karakter terwijl reorganisaties in het algemeen voortvloeien uit beleidswijzigingen. In de regel zal art. 11 lid 3 onder 2 UR-reglement van toepassing zijn. De CAO kan geen afbreuk doen aan deze in het reglement vastgelegde bevoegdheid van de Universiteitsraad. Het financieel verdeelmodel bevat de bekostigingssystematiek en de richtlijnen voor de begroting en is als zodanig van wezenlijk belang voor het opstellen van de begroting. Omdat de bekostigingssystematiek deel uitmaakt van het verdeelmodel strekt het in het UR-reglement vastgelegde adviesrecht van de Universiteitsraad ten aanzien van de begroting en de bekostigingssystematiek zich mede uit tot het financieel verdeelmodel. Het gegeven dat de Universiteitsraad in het verleden ten aanzien van het financieel verdeelmodel instemmingsrecht heeft uitgeoefend, doet niet af aan het adviesrecht. Aan een niet in het UR-reglement vastgestelde overeenstemming met het toenmalige College van bestuur kan de Universiteitsraad niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het financieel verdeelmodel ook in de toekomst ter instemming wordt voorgelegd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-09-06
103134 Interpretatiegeschil wijziging BBR en reorganisatie WO
College van Bestuur en Universiteitsraad verschillen van mening over de vraag welke bevoegdheid de Universiteitsraad en de Dienstraad toekomt ter zake van besluiten in verband met de opheffing van een centrale dienst. Een lijst van ingestelde centrale diensten is in een bijlage bij het BBR is opgenomen.
De Commissie oordeelt dat opheffing van een centrale dienst neerkomt op en wijziging van het BBR waarvoor de Universiteitsraad een wettelijk instemmingsrecht heeft. Het BBR is het fundament van de inrichting van de universiteit en kan niet worden aangemerkt als slechts een gevolg van een ander besluit. Het is mogelijk dat de wijziging van de inrichting van de universiteit leidt tot een besluit waarvoor het personeelsdeel in de Universiteitsraad op grond van art. 9.36 lid 1 WHW instemmingsrecht heeft. Het gegeven dat de opheffing van een centrale dienst een situatie met zich brengt die onder het begrip 'reorganisatie' als bedoeld in de CAO valt, maakt dit niet anders. De CAO kan geen afbreuk doen aan de wettelijke bevoegdheden van de Universiteitsraad. Het wettelijk instemmingsrecht kan ook niet beperkt worden door een beroep op art. 9.34 lid 3 onder b WHW. Die bepaling gaat ervan uit dat in het universiteitsreglement concrete aangelegenheden worden genoemd waarvoor de Universiteitsraad adviesrecht heeft. Het begrip 'reorganisatie' is niet als adviesaangelegenheid in het universiteitsreglement opgenomen doch indien dat wel het geval zou zijn, valt nog niet in te zien dat het reorganisatiebesluit aan het besluit tot wijziging BBR vooraf zou dienen te gaan. Er is eerder sprake van met elkaar samenvallende besluiten en de opheffing van de centrale dienst wordt slechts gerealiseerd door een wijziging van het BBR. De Dienstraad heeft geen bevoegdheid ten aan zien van de opheffing van de centrale dienst omdat het geen besluit van het hoofd van dienst betreft. Als het hoofd van dienst bij de uitvoering van de opheffings- en reorganisatiebesluiten maatregelen op het gebied van aangelegenheden genoemd in art. 9.50 leden 2 WHW dient te treffen, waarbij nog keuzevrijheid is, heeft de Dienstraad het wettelijk advies- en instemmingsrecht als bedoeld in art. 9.50 leden 2 en 4 WHW.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-07-06
103239 Interpretatiegeschil bevoegdheid GV en SR m.b.t. toelatingseis aansluitende masteropleidingen in model-OER WO
Het College van Bestuur heeft een nieuwe model-OER vastgesteld waarin de mogelijkheid vervalt dat een student op in de OER vastgestelde voorwaarden alvast begint met een aansluitende masteropleiding zonder in het bezit te zijn van het bachelorgetuigschrift.
De GV en SR menen dat er sprake is van een wijziging van het Instellingsplan en het Studentenstatuut, waarvoor de GV en SR respectievelijk de SR instemmingsrecht hebben.
Door in de model-OER de zogenoemde regel 'BSc-vóór-MSc' op te nemen geeft het College van Bestuur naar de mening van de Commissie een voorschrift aan de decanen die de OER-en dienen vast te stellen. Het voorschrift is een richtlijn als bedoeld in artikel 9.5 WHW en betreft de coördinatie van de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen. Er is geen rechtstreeks instemmingsrecht GV en/of SR ten aanzien van een richtlijn aan de decanen. De richtlijn is geen wijziging van het Instellingsplan aangezien het Instellingsplan niet de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen vermeldt. Het hebben van het bachelorgetuigschrift als enige toelatingseis kan ook niet gezien worden als een wijziging van de strategische koers van de universiteit. De nieuwe regel dient wel te leiden tot een wijziging van het Studentenstatuut waarvoor de SR instemminsgrecht heeft. Omdat de SR geen rechtstreeks instemmingsrecht heeft t.a.v. de richtlijn c.q. de model-OER of de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen, is het instemmingsrecht van de SR beperkt tot de wijze waarop de desbetreffende toelatingseis in het Studentenstatuut wordt opgenomen. Dientengevolge staat de nog door te voeren wijziging van het Studentenstatuut niet aan de inwerkingtreding van de richtlijn in de weg. Het subsidiair voorgelegde instemmingsgeschil oordeelt de Commissie niet-ontvankelijk omdat er geen voorstel ter instemming aan de SR is voorgelegd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
28-10-08
LCG WMS 08.017. Uitspraak 28 oktober 2008
Interpretatiegeschil PO – artikel 11 onder b en f en (hoofdlijnen meerjarig financieel beleid, beleid organisatie) en artikel 12 lid 1 onder b en h WMS (samenstelling van de formatie; taakverdeling/taakbelasting personeel)
Het bevoegd gezag heeft de combinatiegroep 3/4 opgeheven en de leerlingen van deze groep verdeeld over de andere groepen 3 en 4 en de leerkracht van de combinatiegroep als taken te geven: het vervangen bij kortdurende afwezigheid en de coördinatie van de onderbouw.
Onder ‘samenstelling van de formatie’ verstaat de Commissie het geheel van de functies, hun aard en aantal, in de school en de hiervoor beschikbare middelen. Dat bepaalde informatie tezamen met het formatieplan ter instemming is voorgelegd aan de PMR, is niet voldoende om de aangelegenheid ruimer uit te leggen.
Er is geen sprake van een nieuwe taak of wijziging van de taakbelasting. Ook het vervangen bestaat uit lesgevende taken. Er is ook geen sprake van ‘wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school’: de aangeboden scholing aan de leerkracht van de voormalige combinatiegroep kan binnen het vastgestelde budget worden bekostigd.
Een besluit met betrekking tot een ‘belangrijke inkrimping van de werkzaamheden van de school’, betreft het beëindigen van een deel van de werkzaamheden. De Commissie stelt vast dat daarvan hier geen sprake is.
Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een wijziging van de organisatie van de school. Artikel 11 onder f WMS betreft het ‘beleid m.b.t. de organisatie van de school’. Niet elk besluit tot wijziging in de organisatie is ook een besluit dat valt onder deze aangelegenheid. Het in geschil zijnde besluit is wel aan te merken als een besluit tot wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie, omdat er sprake is van een wijziging van het uitgangspunt inzake de vervanging bij kortdurende afwezigheid van de leerkracht. Er is, anders dan voorheen, structureel gekozen voor kortdurende vervanging door één vaste leerkracht die geen eigen groep heeft.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P.Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-10-08
LCG WMS 08.019. Uitspraak 13 oktober 2008
Interpretatiegeschil VO – artikel 10 onder b WMS (wijziging onderwijs- en examenregeling)
Het bevoegd gezag heeft besloten het schoolexamenvak Maatschappijleer te verplaatsen van het 4de naar het 3de leerjaar VMBO-T. Tussen het bevoegd gezag en de MR bestaat een verschil van mening over de bevoegdheid van de MR ten aanzien van dit besluit: valt het onder de aangelegenheid ‘Onderwijs- en examenregeling’ waarvoor de MR instemmingsrecht heeft of valt het onder de aangelegenheid ‘lessentabel’ waarvoor de MR adviesrecht heeft.
De Commissie overweegt dat het PTA dient te worden aangemerkt als behorend tot de ‘onderwijs- en examenregeling’ als bedoeld in de WMS en het medezeggenschapsreglement. Niet alleen de lessen maar ook het afsluitende schoolexamen van het vak Maatschappijleer is verplaatst van het 4de naar het 3de leerjaar. Dit is slechts mogelijk door een wijziging van de onderwerpen die op grond van het Eindexamenbesluit verplicht in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) geregeld dienen te worden. Die wijziging is niet slechts een wijziging van de lessentabel maar ook een noodzakelijke wijziging van het PTA, waarvoor de MR instemmingsrecht heeft.
De Commissie overweegt voorts dat de MR door middel van een bepaling in het PTA geen afstand van zijn recht op instemming heeft gedaan. De medezeggenschapsrechten van de MR vormen op grond van de WMS dwingend recht. Daarvan kan niet in het algemeen voor de toekomst afstand gedaan worden. Afstand van het recht op instemming of advies kan slechts plaatsvinden in een concreet geval en vereist een uitdrukkelijke en duidelijke verklaring van de MR dat hij in dat concrete geval afziet van zijn recht op instemming of advies. Daarvan is hier geen sprake
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking.)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-09-08
103764 - Interpretatiegeschil bevoegdheid MR verkoop gebouwen HBO
Interpretatiegeschil over de vraag of de CMR instemmingsrecht toekomt ten aanzien van het verkopen en terughuren van panden van de hogeschool, meer bepaald of dit valt onder het instemmingsrecht m.b.t.' beleid besteding van de middelen', 'nieuwbouw of belangrijke verbouwing' of 'onderhoudsbeleid van de gebouwen'. Het recht om een interpretatiegeschil aan de Commissie voor te leggen is niet verwerkt door het verlenen van goedkeuring aan opeenvolgende begrotingen. Naar zijn aard doet een interpretatiegeschil zich immers eerst voor indien blijkt dat partijen van mening verschillen over de interpretatie van een bepaling. Of het recht om al dan niet instemming te verlenen is verwerkt door gedurende een reeks van jaren in te stemmen met de begroting waarin een dergelijk voornemen is opgenomen, staat thans niet ter beoordeling van de Commissie, doch zou in een eventueel instemmingsgeschil aan de orde kunnen worden gesteld. Denkbaar is dat verkoop en terughuur van panden onderdeel vormt van een huisvestingsplan, maar dit is niet noodzakelijkerwijs het geval. In het onderhavige geval is de transactie niet te beschouwen als deel van het huisvestingsplan aangezien er (nog) geen gevolgen voor de huisvesting aan verbonden zijn. Dat zou anders zijn indien het pand na verkoop voor een betrekkelijk korte termijn zou worden teruggehuurd en duidelijk zou zijn dat één of meer faculteiten na verloop van die korte periode zouden moeten verhuizen. De transactie is te beschouwen als het beheren van middelen, niet als een wijziging van het beleid ten aanzien van de besteding van middelen. Een wijziging in de verplichtingen tot onderhoud is nog geen wijziging van het onderhoudsbeleid. Aan de CMR komt niet op grond van het medezeggenschapsreglement instemmingsrecht toe.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
04-09-08
LCG WMS 08.018. Uitspraak 4 september 2008
Interpretatiegeschil PO – artikel 31 aanhef en onder d WMS, over de bevoegdheid van de MR inzake de nieuwbouw van de school na een eerder uitgebracht positief advies daarover.
Volgens de MR bestaat er een interpretatiegeschil tussen partijen over de vraag of er na het positieve advies van de MR in 2003 sprake is van een zodanige wijziging in de huisvestingssituatie waarover de MR toentertijd advies heeft uitgebracht dat het horen van de MR opnieuw vereist is.
De Commissie oordeelt dat het verzoek van de MR niet betreft de uitleg van het bepaalde bij of krachtens de WMS, het medezeggenschapsreglement of medezeggenschapsstatuut. Het verzoek betreft in feite uitsluitend de toetsing of het destijds overeengekomen besluit ook in zijn uitvoering past binnen de door de MR aan zijn positieve advies gestelde voorwaarden. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Commissie om inzake een verzoek met deze inhoud uitspraak te doen.
Met het oog op de bevordering van een vruchtbare samenwerking doet de Commissie een aanbeveling ten aanzien van het toekomstig overleg.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, voorzitter, drs. K.A. Kool en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-08-08
103748 - Interpretatiegeschil vakantieregeling BVE
Interpretatiegeschil over de bevoegdheid van de MR ten aanzien van de regeling van vakantie en verlof. De MR stelt op grond van medezeggenschapsreglement instemmingsrecht te hebben op de vaststelling of wijziging van de regeling van vakantie en verlof. Door niet met een voorstel ter zake te komen frustreert het CvB dit recht. Het CvB stelt zich op het standpunt dat de nieuwe bepalingen inzake de organisatie van het werk en de inzetbaarheid van werknemers (hoofdstuk F CAO-BVE 2007-2009) het overbodig maken om naast de vakantieregeling van de CAO nog een eigen regeling te treffen. De wijziging van het taakbeleid heeft gevolgen voor de tijdstippen waarop vakantie en verlof kan worden opgenomen. Nu de verdeling van de werkzaamheden plaatsvindt op het niveau van de teams, geldt datzelfde voor de vaststelling van de vakantie en het verlof voor de medewerkers. Een verplichting tot het vaststellen van een instellingsbrede regeling waarin is aangegeven op welke dagen vakantie en verlof genoten wordt, verdraagt zich niet met het beginsel dat de verdeling van werkzaamheden plaatsvindt op teamniveau. Ten aanzien van een mogelijke aanvullende regeling op instellingsniveau of op het niveau van de domeinen, hebben de MR dan wel de desbetreffende Domeinraden ter zake instemmingsrecht.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-08-08
103740 - Interpretatiegeschil aanwijzing verplichte vakantiedagen HBO
Geschil met betrekking tot de vraag of aan de MR instemmingsrecht toekomt ten aanzien van de aanwijzing van verplichte vrije dagen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt dat de MR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel, respectievelijk de regeling van de vakantie. Het voorstel dient te worden aangemerkt als een aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel. Ten aanzien van deze aangelegenheid heeft de PMR op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht. Het betreft een wettelijk instemmingsrecht van de PMR en de WHW biedt geen ruimte om dit instemmingsrecht bij reglement om te zetten in een instemmingsrecht van de MR. De CAO bevat bepalingen over vakantie en verlof. Die bepalingen zijn inhoudelijke regelingen, maar niet uitputtend. Dit betekent dat het instemmingsrecht van de PMR dient te worden uitgeoefend ten aanzien van de aanwijzing van verplichte vakantiedagen. De in het voorstel genoemde niet-werkdagen zijn reeds in de CAO als niet-werkdag aangemerkt. Op het punt van de niet-werkdagen is het voorstel derhalve geen aanvulling op de CAO zodat het instemmingsrecht van de PMR daar niet op van toepassing is.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-07-08
LCG WMS 08.014. Uitspraak 10 juli 2008
Interpretatiegeschil PO – artikel 11 onder j WMS (beleid m.b.t. toelating van leerlingen)
De OMR heeft aan de Commissie de vraag voorgelegd of het besluit tot toelating van een groep leerlingen van een andere school die gesloten zal worden, aangemerkt dient te worden als de vaststelling van nieuw of de wijziging van het bestaande toelatingsbeleid, waarvoor aan de MR een adviesbevoegdheid toekomt.
De artikelen waarop het verzoek van de OMR betrekking heeft, betreffen een aangelegenheid waarvoor niet de OMR maar de MR een bevoegdheid toekomt. De Commissie oordeelt dat de OMR in een dergelijk verzoek ontvankelijk is. De bijzin in artikel 37 WMS ‘voor zover het een aangelegenheid betreft waarvoor de raad is ingesteld’ heeft alleen betrekking op de themaraad. De WMS bevat geen bepalingen die zich tegen de ontvankelijkheid verzetten en de OMR kan er als geleding van de MR belang bij hebben dat wordt vastgesteld dat een bepaalde aangelegenheid in de MR aan de orde dient te komen ter uitoefening van de medezeggenschap. Gelet op dit belang dient een geleding een interpretatieverzoek aan de Commissie te kunnen voorleggen indien de MR als zodanig niet besluit om dit te doen.
De Commissie gaat bij haar oordeel over het vereiste belang in beginsel uit van de situatie ten tijde van de aanmelding van het geschil.
De Commissie oordeelt dat gelet op het geldende beleid het toelaten van een groep leerlingen van een andere school die zal sluiten niet is aan te merken als een wijziging van het bestaande beleid.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P.Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens, en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-07-08
103744 - Adviesgeschil vakantieregeling deelnemers BVE
Het bevoegd gezag heeft in afwijking van het advies van de MR het Suikerfeest en het Offerfeest als vrije dagen opgenomen in het vakantierooster van de deelnemers. De Commissie onderzoekt of voldoende is gemotiveerd waarom van het advies is afgeweken. Als belangrijkste motief om van het advies van de MR af te wijken, heeft het bevoegd gezag genoemd de wens om actief uit te dragen dat de school een multiculturele gemeenschap is waarin de deelnemers werkelijk met elkaar willen samenleven. Dit signaal heeft het bevoegd gezag ook aan de autochtone deelnemers willen geven. Naar het oordeel van de Commissie past hierbij dat niet (Turks) islamitische deelnemers vrij hebben op twee dagen, die voor een deel van hun klasgenoten van grote religieuze betekenis zijn, net zoals dat voor een ander deel van de schoolpopulatie voor de christelijke feestdagen geldt. Deze signaalfunctie vormt een redelijke grond om van het advies van de MR af te wijken. Nu het om slechts twee dagen gaat, niet gebleken is dat de voortgang van het onderwijsproces hierdoor in belangrijke mate wordt verstoord en het slechts een geringe afwijking van de vakantieroosters van andere onderwijsinstellingen betreft, acht de Commissie de signaalfunctie als motivering om aan het negatieve advies van de MR voorbij te gaan voldoende draagkrachtig.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-07-08
LCG WMS 08.005. Uitspraak 3 juli 2008
Interpretatiegeschil VO –artikel 12 WMS (beleid met betrekking tot invoering LC-functies)
De PMR heeft ingestemd met het maken van een ‘ínhaalslag’ ten aanzien van de benoemingen in LC-functies in de omvang die in de CAO VO 2003-2005 is vastgelegd. Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de vraag of bij de uitvoering van de inhaalslag is afgeweken van het beleid dat met instemming van de PMR was vastgesteld. De PMR stelt dat er sprake is van nieuw beleid dat de instemming van de PMR behoeft. Het bevoegd gezag stelt dat er geen sprake is van een interpretatiegeschil maar van een vordering tot nakoming van de verplichtingen op grond van de WMS, zodat de Commissie niet bevoegd is.
De Commissie komt tot de conclusie dat het verzoek van de PMR niet betreft de uitleg van het bepaalde bij of krachtens de WMS, het medezeggenschapsreglement of medezeggenschapsstatuut, maar in feite uitsluitend de vaststelling van de inhoud van de afspraken die gemaakt zijn tussen de PMR en het bevoegd gezag met betrekking tot de invoering van de LC-functies. De Commissie oordeelt dat zij niet bevoegd is om inzake een verzoek met deze inhoud uitspraak te doen.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens, en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-07-08
LCG WMS 08.011. Uitspraak 3 juli 2008
Interpretatiegeschil PO- artikel 11 aanhef en onder h WMS (ontslag schoolleiding),artikel 8 lid 1 WMS (informatierecht),
Adviesgeschil PO - artikel 11 aanhef en onder h WMS (ontslag schoolleiding)
In het interpretatiegeschil verschillen partijen van mening over de vraag of de aanduiding ‘aanstelling en ontslag schoolleiding’ in artikel 11 aanhef en onder h WMS ziet op het concrete ontslag van de directeur van de school.
De Commissie oordeelt dat dit het geval is. In dit artikel ontbreekt het woord ‘beleid’ dat in veel andere onderdelen van de artikelen 10 tot en met 14 WMS wel voorkomt. De bevoegdheden met betrekking tot het beleid tot aanstelling en ontslag zijn geregeld in de artikelen 11 onder g en 12 lid 1 onder o WMS. Bijzondere omstandigheden daargelaten, valt elk voorgenomen besluit tot ontslag van een lid van de schoolleiding onder de reikwijdte van artikel 11 onder h WMS, daaronder begrepen het verzoek van het bevoegd gezag om ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter. Het ingaan van een mediationtraject met de directeur valt niet onder artikel 11 onder h WMS. Mediation is een vorm van alternatieve geschillenbeslechting die juist gericht is op het oplossen van conflicten.
De verplichting tot het tijdig verstrekken van alle inlichtingen zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 WMS gaat niet zo ver dat de MR geïnformeerd zou moeten worden over enkel het mediationtraject dat het bevoegd gezag en de directeur zijn ingegaan in hun verhouding van werkgever-werknemer.
De Commissie oordeelt de MR niet-ontvankelijk in zijn verzoek een adviesgeschil te behandelen. Het systeem van de WMS brengt niet met zich mee dat door het uitbrengen van een ongevraagd advies een rechtsgang op grond van artikel 34 WMS bij de Commissie gecreëerd kan worden.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-07-08
LCG WMS 08.010. Uitspraak 2 juli 2008
Interpretatiegeschil VO – artikel 12 lid 1 onder h WMS (wijziging taakbelasting binnen het personeel)
Het bevoegd gezag heeft een notitie vastgesteld waarin is opgenomen dat bij incidentele lesuitval van een docent, wordt waargenomen door andere docenten. De PMR heeft aan de Commissie de vraag voorgelegd of de notitie een wijziging van het taakbeleid is die ter instemming aan de PMR had moeten zijn voorgelegd.
Niet de PGMR maar de PMR heeft instemmingsrecht ten aanzien van de aangelegenheid van artikel 12 lid 1 onder h WMS. Het bevoegd gezag heeft nog geen GMR. In het reglement is geen juiste toepassing gegeven aan artikel 16 lid 1 en artikel 24 lid 2 WMS.
De Commissie overweegt dat voorheen voor docenten geen verplichting bestond om de lessen waar te nemen. Door de notitie zijn docenten thans verplicht de lessen van uitgevallen collega’s waar te nemen, hetgeen er ook toe kan leiden dat docenten een les moeten waarnemen in een ander vak dan het vak waarvoor zij zijn aangetrokken of bevoegd zijn. Voor de belasting van de docenten betekent dit een ingrijpende wijziging van algemene strekking. Daarom merkt de Commissie de notitie aan als een wijziging van de taakbelasting binnen het personeel ten aanzien waarvan de PMR op grond van artikel 12 lid 1 aanhef en onder h WMS instemmingrecht heeft. Dit geldt ook voor het geval de notitie niet zou leiden tot overschrijding van de in acht te nemen maximale normen van het taakbeleid.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier donloaden.
23-06-08
103774 - Interpretatiegeschil taakverdelings- en taakbelastingsbeleid (art. 8 onder h WMO) BVE
De Commissie oordeelt dat het taakverdelingsbeleid in artikel F-5 en F-6 CAO-BVE 2007-2009 in beginsel uitputtend geregeld is maar dat in de CAO nog ruimte is voor taakbelastingsbeleid dat door het bevoegd gezag met instemming van de PMR dient te worden ingevuld. Nu in de CAO-BVE 2007-2009 de taakverdeling binnen het team van medewerkers de hoofdregel is geworden en bovendien het geregelde model in de CAO niet meer voorkomt, dient redelijkerwijze te worden geconcludeerd dat het huidige aan de instelling geldende taakbeleid dat op basis van het geregelde model uit de CAO 2005-2007 is vastgesteld, niet meer past bij de nieuwe situatie die met ingang van 01-08-2008 in de CAO geregeld is. Op de werkgever rust de verplichting om een nieuw taakbelastingsbeleid, passend bij de nieuwe situatie, vast te stellen. De Commissie is van oordeel dat dit taakbelastingsbeleid specifiek dient te worden geformuleerd en dat het bevoegd gezag niet kan volstaan met te verwijzen naar bestuurlijke kaders die in diverse documenten als bijvoorbeeld de begroting zijn terug te vinden. Wel acht de Commissie het voorstelbaar dat in het te formuleren beleid aan de teams ruim baan gegeven wordt om zelf het (onderlinge) gewicht van taken te bepalen - ook dat is formulering van beleid - terwijl in het geval van gebruikmaking van de terugvaloptie de kaders zodanig in het beleid tot uitdrukking worden gebracht dat aan de medezeggenschap van het personeel als voorgeschreven in de WMO en de CAO-BVE recht gedaan wordt.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-06-08
LCG WMS 08.013. Uitspraak 26 juni 2008
Instemmingsgeschil invoering functie Directeur bedrijfsvoering - artikel 12 onder b WMS (wijziging samenstelling van de formatie)
De PMR weigert in te stemmen met het voorgenomen besluit om aan de school de functie van Directeur bedrijfsvoering als leidinggevende van de Centraal Ondersteunende Diensten in te voeren. Nadat de PMR had aangegeven het niet eens te zijn met de invoering van de nieuwe functie, heeft het bevoegd gezag het besluit aangehouden en extern onderzoek laten uitvoeren. Na het verschijnen van het onderzoeksrapport heeft tussen partijen overleg plaatsgevonden en is een gewijzigd voorgenomen besluit tot invoering van de functie van Directeur bedrijfsvoering aan de PMR voorgelegd.
De PMR heeft dit voorgenomen besluit zonder enige motivering afgewezen. Dit acht de Commissie niet redelijk. Het ligt op de weg van de PMR om reëel overleg te voeren hetgeen er redelijkerwijze toe had moeten leiden dat de PMR duidelijk aangaf om welke redenen zij niet met het gewijzigde en gemotiveerde voorstel instemde. Nu dit niet is gebeurd, oordeelt de Commissie dat de PMR niet in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, mr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier donloaden.
27-06-08
LCG WMS 08.015. Uitspraak 27 juni 2008
Interpretatiegeschil VO – artikel 41 lid 1 en 2 WMS (vaststelling nieuw medezeggenschapsreglement)
De GMR in zijn bestaande samenstelling bevat geen leerlingen. Het leerlingdeel van de MR meent dat het door een bepaalde uitleg van artikel 41 lid 2 WMS ten onrechte geen invloed kan uitoefenen op belangrijke bovenschoolse besluiten. Het bevoegd gezag meent dat het op grond van artikel 41 lid 2 WMS tot 01-08-2008 de tijd heeft voor de vaststelling van een nieuw GMR-reglement en daarop volgende verkiezingen voor de GMR.
De Commissie oordeelt dat de GMR niet tot 01-08-2008 in haar bestaande samenstelling kan voortbestaan zonder nadere maatregelen met betrekking tot de door de WMS gewijzigde positie van de leerlingen. Artikel 41 lid 2 WMS (oude reglement vervalt uiterlijk m.i.v. 01-08-2008) beoogt niet het bevoegd gezag de ruimte te geven om de in artikel 41 lid 1 WMS genoemde termijnen (4 maanden voor GMR-reglementsvoorstel en 4 maanden voor reactie GMR) m.b.t. het vaststellen van een nieuw GMR-reglement op te rekken tot uiterlijk 01-08-2008. Indien onverhoopt de in artikel 41 lid 1 WMS genoemde termijnen niet kunnen worden nageleefd, rust op het bevoegd gezag de plicht om zich van de gevolgen daarvan expliciet rekenschap te geven en om actief gebruik te maken van de mogelijkheden die de WMS en het bestaande reglement bieden om op te treden om te verzekeren dat zo veel als mogelijk sprake is van medezeggenschap in overeenstemming met de WMS. De bepalingen in het GMR-reglement hadden niet aan het uitschrijven van nieuwe GMR-verkiezingen in de weg hoeven staan.
De Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(prof. mr. I. P. Asscher-Vonk, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-06-08
LCG WMS 08.016. Uitspraak 12 juni 2008
Interpretatiegeschil PO - artikel 13 onder d WMS (beleid voorzieningen ten behoeve van de leerlingen)
Het besluit van het bevoegd gezag om het gebruik van noodlokalen te beëindigen brengt verandering mee voor het gebruik van het handvaardigheidlokaal en de aula en heeft gevolgen voor het overblijven en voor de speelmogelijkheden van de onderbouw. De oudergeleding meent dat er sprake is van een wijziging van het beleid ten aanzien van voorzieningen ten behoeve van de leerlingen, waarvoor de oudergeleding instemmingrecht heeft.
De Commissie oordeelt dat van voorzieningen ten behoeve van de leerlingen alleen sprake is als de voorziening uitsluitend of nagenoeg uitsluitend van belang is voor de leerlingen (en hun ouders), terwijl daarvan geen sprake is als de voorziening rechtstreeks en onlosmakelijk verband houdt met (de uitvoering van) het onderwijsprogramma. In onderhavig geval is alleen de inrichting van het overblijven te beschouwen als een voorziening ten behoeve van de leerlingen. De mogelijkheid om over te blijven of de voorwaarden voor deelname aan het overblijven zijn door het besluit niet gewijzigd. Het besluit heeft uitsluitend gevolgen voor de praktische invulling van het overblijven. Het besluit is niet aan te merken als een wijziging van het beleid ten aanzien van het overblijven.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, mr. W.J.J. Beurskens en mr. J.M. Vrakking)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
15-05-08
LCG WMS 08.003. Uitspraak 15 mei 2008
Instemmingsgeschil VO – artikel 12 lid 1 onder b WMS (vaststelling van de samenstelling van de formatie)
De PMR had haar instemming onthouden aan het voorgestelde formatieplan 2007-2008 omdat het bevoegd gezag daarin bezuinigingen had voorgesteld die neerkwamen op overheveling van budget dat voorheen aan personeel werd besteed naar materiële bestemmingen. De daaraan ten grondslag liggende wens het weerstandsvermogen op peil te brengen, kon de PMR niet overtuigen. Zij voelde zich bovendien niet serieus genomen door de korte termijn waarop zij moest reageren alsmede niet gehoord in de tegenvoorstellen van haar kant.
De Commissie heeft uitgesproken dat het overleg tussen bevoegd gezag en PMR als onvoldoende kan worden gekwalificeerd en dat dit des te meer klemt nu de PMR aan de hand van het formatieplan gevraagd werd in te stemmen met majeure bezuinigingen waarvoor de grondslag haar aan de hand van andere documenten van de kant van het bevoegd gezag niet eerder was voorgelegd. De PMR heeft in redelijkheid haar instemming aan het voorstel kunnen onthouden en ook anderszins ziet de Commissie geen zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen.
Het bezwaar van de PMR met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bevoegd gezag wegens overschrijding van de indieningstermijn van zes weken, heeft de Commissie verworpen. Zij achtte het bevoegd gezag ontvankelijk.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(Prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, drs. K.A. Kool, prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-06-08
LCG WMS 08.004. Uitspraak 2 juni 2008
Interpretatiegeschil VO - artikel 12 lid 1 onder d WMS (werkreglement voor het personeel en de opzet en de inrichting van het werkoverleg)
Aan de Commissie is de vraag voorgelegd of de PMR instemmingsrecht heeft ten aanzien van het Personeelsboekje dat jaarlijks voor de school wordt vastgesteld en waarin diverse binnen de school geldende regels, afspraken en protocollen zijn samengevoegd. Volgens de Commissie bevat het boekje een regeling van de aspecten op het gebied van het werkoverleg en een regeling van andere rechten en plichten van het personeel op velerlei gebied. De Commissie oordeelt dat het Personeelsboekje een formeel document van de school is dat onder de reikwijdte van de aangelegenheid ‘werkreglement voor het personeel’ als bedoeld in artikel 12 lid 1 onder d WMS valt. Dit betekent dat de PMR terzake instemmingsrecht heeft. Door het hele boekje jaarlijks als voorgenomen besluit aan de PMR voor te leggen, bevordert het bevoegd gezag de communicatie en de duidelijkheid over het boekje, hetgeen de schoolorganisatie als geheel ten goede komt. De vermelding in het boekje van bepalingen die op grond van de wet, de CAO of een andere regeling geldend zijn, vallen als zodanig buiten het instemmingsrecht van de PMR. Dit geldt evenzeer voor in het boekje vermelde feitelijke gegevens, zoals namen en functies, die geen rechten en plichten (willen) geven.Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(mr. H.C. Naves, mr. dr. W.J.J. Beurskens en prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-06-08
LCG WMS 08.006. Uitspraak 2 juni 2008
Instemmingsgeschil PO – verdeling/besteding van budget voor Personeel- en arbeidsmarktbeleid (voortgezet geschil, vallend onder WMO-regelgeving)
In het verleden verschilden het bevoegd gezag en de MR reeds van mening over de inzet van het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid (BPA) over de jaren 2005 en 2006. Het bevoegd gezag wilde een groter gedeelte bovenschools inzetten dan de MR wenselijk achtte. Volgens de MR dienen de BPA-gelden voornamelijk op schoolniveau te worden ingezet. De Landelijke Geschillencommissie Onderwijs heeft hierover in 2004 en 2006 uitspraken tussen partijen gedaan.
De Commissie oordeelt thans dat het gebrekkige en geheel vastgelopen overleg aan beide partijen te wijten is geweest. Omdat partijen kennelijk niet meer in staat waren uit de ontstane impasse te geraken, heeft de Commissie geen grond gezien uit te spreken dat het voorgenomen besluit wegens onvoldoende overleg niet omgezet mocht worden in een definitief besluit. Het voorgenomen besluit was voldoende gemotiveerd en de motivering is niet door de MR weersproken. De MR heeft niet weersproken dat zijn wens, om uit het BPA-budget tijdelijke vakleerkrachten aan te stellen, uit de reserves van de school verwezenlijkt kan worden.
De Commissie oordeelt dat de MR niet in redelijkheid zijn instemming aan het voorgenomen besluit heeft kunnen onthouden.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(Prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, mr.dr. W.J.J. Beurskens, prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-05-08
LCG WMS 08.001. Uitspraak 6 mei 2008
Interpretatiegeschil VO - artikel 12 lid 1 onder i WMS (beleid m.b.t. personeelsbeoordeling).
Aan de Commissie is de vraag voorgelegd of de PMR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de instrumenten die in het voorgestelde protocol personeelsbeoordeling van de school worden genoemd. De instrumenten zijn een standaard beoordelingsformulier, omgevingsonderzoek, leerlingenquêtes, verslagen van werk- of lesobservaties en gespreksverslagen.Volgens de Commissie dient het beleid personeelsbeoordeling zodanig geformuleerd te zijn dat daarin de concrete aangrijpingspunten zijn opgenomen die op genoegzame wijze uitwerking geven aan de essentie van het beleid en de mogelijke consequenties van dit beleid. De betekenis van het beleid voor de uitkomsten van het beoordelingsproces dient voldoende duidelijk te zijn. In de door het bevoegd gezag voorgestelde regeling is onvoldoende duidelijk welke invloed de onderscheiden instrumenten op de totale beoordeling hebben, hoe ze ingezet worden en wat voor de beoordeling het onderlinge gewicht is van de met behulp van de instrumenten verkregen informatie.De Commissie verklaart dat in onderhavig geval onder de aangelegenheid ‘beleid ten aanzien van personeelsbeoordeling’ als bedoeld in artikel 12 lid 1 onder i WMS mede dient te worden verstaan de te beoordelen aspecten van het functioneren van de werknemer, de criteria aan de hand waarvan de in het beleid in te zetten instrumenten worden vastgesteld en gebruikt en evenzeer wat het onderlinge gewicht van de op grond van de instrumenten verkregen informatie is voor de beoordeling van de werknemer.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
(Prof. mr. I.P. Asscher-Vonk, drs. K.A. Kool, prof. mr. dr. D. Mentink)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-04-08
LCG WMS 08.008 uitspraak d.d. 24 april 2008. Dit is datum van de zitting. De uitspraak is begin juni 2008 vastgesteld en verzonden.
Instemmingsgeschil PO – artikel 12 lid 1 onder e WMS (vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel)
De PMR heeft niet ingestemd met het voorstel van het bevoegd gezag tot wijziging van de schooltijden. Het voorstel houdt in dat de groepen 1 tot en met 4 per schooljaar 930 uur les krijgen en dat de leerlingen en leerkrachten van deze groepen elke vrijdagmiddag vrij zijn. In de bovenbouw blijft de situatie ongewijzigd. In 2011 of 2012 wordt een besluit genomen over de wijze waarop het aantal lesuren in de bovenbouw wordt aangepast.
Volgens de PMR zijn de vrije middagen niet gelijkwaardig aan de hele vrije dagen die men in het huidige systeem als compensatie geniet. Ook acht zij de grotere belasting van de jonge leerlingen een bezwaar. De PMR vreest dat er veel aanpassingen in het lesrooster nodig zullen zijn die ten koste van de kwaliteit van het onderwijs zullen gaan.
De Commissie stelt vast dat de PMR de door het bevoegd gezag gestelde noodzaak om de lestijden aan te passen aan de maatschappelijke ontwikkelingen en de verlaging van de wekelijkse werkdruk van het personeel in de onderbouw, niet heeft weersproken. Het lesrooster van 940 uur is in de CAO PO als mogelijkheid opgenomen en de voorgestelde regeling betreft een beperkte groep leerkrachten en er blijven mogelijkheden om ook hele compensatiedagen op te bouwen. De zorg van de PMR voor de belasting van de leerlingen is onvoldoende onderbouwd. De discussie over de aanpassing van de lesstof die noodzakelijk zal zijn als het systeem ook voor de bovenbouw wordt ingevoerd zal te zijner tijd gevoerd moeten worden met inachtneming van de bevoegdheden van de MR en zijn geledingen.
De Commissie oordeelt dat de argumenten van de PMR afgewogen tegen die van het bevoegd gezag onvoldoende gewicht hebben om te concluderen dat de PMR in redelijkheid de instemming heeft kunnen onthouden.
Landelijke Commissie voor Geschillen WMS,
(mr. H.C. Naves, prof. mr. dr. D. Mentink, en mr. dr. W.J.J. Beurskens.)
De complete tekst kunt u hier downloaden.
17-12-07
103552 - Adviesgeschil en interpretatiegeschil invoering nieuwe functies VO
De geschillen hebben betrekking op het besluit om aan één van de Colleges van de school de functie van coördinerend docent LC op te heffe en twee functies teamleider in te voeren, namelijk een plaatsvervangend directeur schaal 12 en een docent LD. Aan de MR is advies gevraagd; de MR heeft negatief gereageerd; vervolgens is overleg gevoerd waarna de MR zonder nadere motivering heeft medegedeeld dat hij akkoord gaat met 2 LC-functies. De Commissie oordeelt in het interpretatiegeschil dat het besluit een wijziging van het beleid van de organisatie van de school is, ten aanzien waarvan de MR adviesrecht heeft op grond van artikel 11 onder f WMS en artikel 22 onder f van het per 4 juli 2007 vastgestelde medezeggenschapsreglement. Het gaat immers om de invoering van 2 leidinggevende functies die deel uitmaken van het management van de School. Voor de invoering van de functies is gekozen vanwege de organisatie van de aansturing van het college. Voor het bevoegd gezag was er keuzevrijheid en dus is er sprake van beleid. Ten aanzien van het adviesgeschil oordeelt de Commissie dat het bevoegd gezag uit de enkele mededeling van de MR dat hij akkoord gaat met 2 LC-functies redelijkerwijze niet heeft hoeven te begrijpen dat het niet volgen van het advies bij de MR zou leiden tot de mening dat daardoor de belangen van de school of de MR ernstig worden geschaad als bedoeld in artikel 31 onder c WMS. De stelling van de MR dat het bevoegd gezag nog overleg met hem had moeten voeren, acht de Commissie niet juist omdat het in artikel 17 aanhef en onder d WMS voorgeschreven overleg reeds eerder had plaatsgevonden. De MR heeft in zijn reactie ook niet heeft aangedrongen op nader overleg alvorens tot een besluit wordt gekomen. Gelet hierop en hetgeen ter zitting door het bevoegd gezag is gesteld ten aanzien van de inkrimping van de overhead van de Colleges, de versterking van de aansturing op de Colleges zelf en de groei van het desbetreffende College, is de Commissie van oordeel dat het bevoegd gezag bij het niet volgen van het advies van de MR bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen. De Commissie bepaalt dat het betrokken besluit in stand kan blijven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-12-07
103532 - Instemmingsgeschil begroting School HBO
De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de begroting omdat volgens hem uit de begroting blijkt dat het taakbeleid van de School is gewijzigd, waar de deelraad het niet mee eens is. Naar het oordeel van de Commissie is het aan de hogeschool centraal vastgestelde taakbeleid dermate ruim geformuleerd dat daarvan noodzakelijkerwijze op Schoolniveau een nadere uitwerking van beleidsmatige aard dient plaats te vinden. Het rekenmodel voor de invulling van de normjaartaak van de docenten dat jaarlijks bij de Schoolbegroting is gevoegd, is volgens de Commissie een beleidsstuk van de directeur van de School waarin het centrale taakbeleid op Schoolniveau wordt geconcretiseerd. Aldus ligt er tussen het centraal vastgestelde beleid en de concrete taaktoedeling van de docent klaarblijkelijk door de directeur vastgesteld beleid, inhoudende nadere uitgangspunten bij de invulling van de concrete taaktoedeling van de docent. Dit kan naar het oordeel van de Commissie niet anders worden aangemerkt dan als taakbelastingsbeleid. Op grond van artikel G-2 lid 4 CAO-HBO jo artikel 33.1 aanhef en onder h jo artikel 43.7 onder a van het medezeggenschapsreglement heeft de personeelsgeleding van de SMR instemmingsrecht op het taakbelastingsbeleid. Het terugbrengen door de directeur van de uren 'Algemeen beheer' in het rekenmodel 2006-2007 van 166 naar 80 klokuur, is derhalve een wijziging in het taakbelastingsbeleid. Die wijziging is ten onrechte niet ter instemming voorgelegd aan de personeelsgeleding van de deelraad. De deelraad is slechts naar aanleiding van het verzoek tot instemming met de begroting en dus via deze omweg op de hoogte gebracht van deze wijziging in het taakbelastingsbeleid. Onder deze omstandigheden berust het personele deel van de Schoolbegroting 2006-2007 op een rechtens niet juist gewijzigd schooltaakbeleid en is het belang van de medezeggenschap van het personeel onvoldoende in de voorgestelde vaststelling van de begroting meegewogen. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de voorgestelde begroting heeft kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-11-07
103530 - Interpretatiegeschil functiebouwwerk art. 10-24 WHW. HBO
Partijen verschillen van mening over de bevoegdheid van de CMR-P ten aanzien van het aanbrengen van wijzigingen aan het functiebouwwerk. Eerder heeft de Commissie reeds gemotiveerd uitgesproken welke bevoegdheden aan de (P)CMR toekomen ten aanzien van de besluitvorming over de nieuwe functieordening. De Commissie is van oordeel dat de PMR van een hogeschool instemmingsrecht heeft bij het vaststellen van het functiebouwwerk. De Commissie overweegt dat het functiebouwwerk een samenstel van functies is. Het wijzigen van een functie of het toevoegen van een functie aan het functiebouwwerk is van invloed op de rechtspositie van alle in die functie benoemde medewerkers en raakt mogelijk de onderlinge verhouding tussen verschillende in het functiebouwwerk opgenomen functies. De Commissie is daarom van oordeel dat het aanbrengen van wijzigingen in het functiehuis van algemeen belang is voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel en onder het instemmingsrecht van de CMR-P valt. De Commissie overweegt dat in het medezeggenschapsrecht wijziging en vaststelling van een aangelegenheid doorgaans hand in hand gaan. Het ligt dan ook in de rede dat instemmingsrecht ten aanzien van de vaststelling van het functiebouwwerk gepaard gaat met instemming met de wijziging daarvan. Dat het CvB voor het aanbrengen van wijzigingen in het functiehuis instemming van het lokale overleg nastreeft, doet aan het instemmingsrecht van de (P)CMR niet af. Oordeel: de CMR-P heeft op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht ten aanzien van de wijziging van het functiebouwwerk.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-10-07
103519 - Instemmingsgeschil heroverwogen functiebouwwerk VO
De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met de invulling van het functiebouwwerk vanwege de daarin opgenomen functies van de centrale directie (CD). In haar uitspraak van 24-07-2006 (103195) heeft de Commissie uitgesproken dat de werkgever bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het voorgestelde functiebouwwerk heeft kunnen komen en de PGMR terecht zijn instemming heeft onthouden. Na de uitspraak van de Commissie heeft de werkgever besloten zijn besluit te handhaven en een onderzoeksopdracht aan een adviesbureau gegeven. Dat bureau heeft het onderzoek beperkt tot de procedure van de externe functiewaarderingsadviseur van de werkgever. Alleen kijken naar de procedure is onvoldoende om te beoordelen of de daarop gebaseerde conclusie redelijk is. Niet het advies van de externe deskundige maar het besluit van de werkgever moet de redelijkheidtoets kunnen doorstaan.
Er is een discrepantie tussen het besturingsmodel en bestuurs- en directiereglement van begin 2005 en de voorgelegde functiebeschrijvingen. Die discrepantie houdt volgens de werkgever verband met het feit dat de feitelijke werkzaamheden als uitgangspunt zijn genomen. De Commissie oordeelt dat het op de weg van de werkgever lig ervoor zorg te dragen dat de feitelijke aansturing vanuit bestuur en management aansluit op hetgeen daarover met inachtneming van de medezeggenschap is vastgesteld.
De Commissie oordeelt dat de werkgever bij afweging van de betrokken belangen en rekening houdend met de omstandigheden van het geval niet in redelijkheid tot de heroverwogen voorgestelde invulling van de CD in het functiebouwwerk heeft kunnen komen en de PGMR daaraan terecht instemming heeft onthouden.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
25-06-07
103509 - Instemmingsgeschil regeling gevolgen opheffing scholen voor ouders/leerlingen PO
Het bevoegd gezag van drie islamitische scholen heeft besloten twee scholen per 1 augustus 2007 te sluiten. De sluiting van de derde school per 1 augustus 2007 is een feit vanwege stopzetting van de subsidie als gevolg van leegloop. Voor de leerlingen is een regeling getroffen voor inschrijving aan andere scholen via een inschrijvingsformulier dat speciaal voor deze leerlingen bestemd is. Met de scholen in de gemeente is afgesproken dat zij zullen meewerken. De oudergeleding GMR weigerde in te stemmen omdat de scholen zouden moeten worden overgenomen door een islamitisch schoolbestuur. De Commissie overweegt dat dit argument primair het besluit tot opheffing van de scholen betreft, welk besluit voor de Commissie een gegeven is dat haar thans niet ter beoordeling staat. Het argument dat het bevoegd gezag zou dienen mee te werken aan een regeling waarbij de huidige schoolgebouwen bestemd worden als dependances van een andere islamitische school, betreft wel de gevolgen van de opheffing van de scholen voor zover daarmee bedoeld wordt dat het bevoegd gezag zich dient in te spannen dat na de opheffing van de scholen de gebouwen de bedoelde dependances worden. Deze door de ouders voorgestane oplossing ligt in de bevoegdhedensfeer van de desbetreffende islamitische school en de gemeente. Nu de staatssecretaris van mening is dat de desbetreffende school niet voldoet aan de door haar gestelde randvoorwaarden waaraan een overnamekandidaat dient te voldoen, kan naar het oordeel van de Commissie redelijkerwijze niet van het bevoegd gezag gevergd worden dat het een regeling voorstelt die er in feite op neer komt dat de scholen opgaan in die school. Niettemin kan de Commissie er enig begrip voor opbrengen dat de oudergeleding van de GMR, gelet op het hevige verzet van de ouders tegen de sluiting van de scholen, er niet voor heeft kunnen kiezen formeel in te stemmen met de voorgestelde regeling die een rechtstreeks uitvloeisel is van de omstreden sluiting. Maar als dit voor de Commissie al reden zou zijn om te oordelen dat de oudergeleding in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen, zijn er voldoende zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. De sluiting per 1 augustus 2007 is immers een feit omdat er geen haalbare alternatieven zijn: er is geen geschikte overnamekandidaat gevonden en uit het financieel rapport van KPMG blijkt dat een doorstart van de scholen zou leiden tot faillissement. De regeling die de herplaatsing van de SIBA-leerlingen onder deze omstandigheden structureert, is daarom passend. Tegen de voorgestelde regeling als zodanig zijn, behoudens het hierboven behandelde argument met betrekking tot de bestemming van de gebouwen als dependances voor een andere islamitische school, door de oudergeleding GMR geen bezwaren ingebracht. De Commissie stelt bindend vast dat het bevoegd gezag het voorgenomen besluit tot regeling van de gevolgen voor ouders en leerlingen mag omzetten in een definitief besluit.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
27-04-07
103435 - Interpretatiegeschil artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO
Werkgever maakt voor werving personeel ter vervulling van reguliere functies gebruik van uitzendbureaus. De werkgever doet dit om de financiële risico's te beperken. Volgens de PMR is dit in strijd met artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO.
De Commissie oordeelt dat artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin uitzendarbeid mogelijk is. Een andere uitleg zou dit artikellid zinloos maken en zonder gevolg laten, hetgeen niet in de rede ligt. Het begrip 'kennelijk onvoorziene omstandigheden' in artikel 3.b.4 lid 1 onder c CAO VO heeft betrekking op omstandigheden die zich ten tijde van het aangaan van de uitzendarbeid reeds hebben voorgedaan en die duidelijk niet voorzien waren; zaken als de toekomstige ontwikkeling van het leerlingaantal en de vraag of nieuwe docenten beschikken over de vereiste kwaliteiten zijn niet aan te merken als kennelijk onvoorziene omstandigheden. De stelling van de werkgever dat werving van docenten via personeelsadvertenties geen respons oplevert, is niet onderbouwd en eerst ter zitting aan de orde gesteld. De Commissie is van oordeel dat dit argument tardief is en niet kan worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid die aanleiding is geweest voor het inschakelen van uitzendbureaus vanaf schooljaar 2005-2006.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
09-02-07
103358 - Geschil interpretatie artikel 1.1 CAO-VO
De Raad van Toezicht van de werkgever heeft besloten om de salariëring van de leden en de voorzitter van het College van Bestuur aan te passen naar schaal 17 voor de leden en schaal 18 voor de voorzitter. De GMR meent daarop instemmingsrecht te hebben. Volgens de Raad van Toezicht is dit niet het geval omdat de leden van het College van Bestuur een individuele arbeidsovereenkomst met de Raad van Toezicht sluiten en formeel niet onder de bepalingen van de CAO-VO vallen. De PGMR legt aan de Commissie de vraag voor of de leden van het College van Bestuur vallen onder het begrip werknemer zoals dit is omschreven in artikel 1.1 CAO-VO en of daardoor de CAO-VO op hen van toepassing is.
Het begrip "werknemer" wordt in artikel 1.1 CAO-VO voor het bijzonder onderwijs gedefinieerd als "het personeelslid dat een dienstverband heeft bij de werkgever". De statuten van de werkgeverbevatte de volgende bepaling "De Raad van Toezicht benoemt, schorst en ontslaat de leden van het College van Bestuur. De leden van het College van Bestuur zijn in dienst van de stichting en worden in dier voege bezoldigd." Omdat de leden van het College van Bestuur in dienst zijn van de stichting en de stichting de werkgever als bedoeld in de CAO-VO is, vallen de leden van het College van Bestuur onder het begrip werknemer van artikel 1.1 CAO-VO. Derhalve is op grond van artikel 1.2 lid 1 aanhef en onder a CAO-VO de CAO-VO op hen van toepassing.
Het is de Commissie bekend dat de werkelijkheid ten aanzien van de bestuursvormen in het voortgezet onderwijs vooruitloopt op hetgeen ter zake geregeld is in de wet en de CAO. Een afwijkende regeling zoals door de werkgever gewenst, kan niet bereikt worden door een bepaalde interpretatie van de CAO in een uitspraak van de Commissie, waarvoor de CAO zelf geen aanleiding geeft. Het is aan de wetgever en aan CAO-partijen om ter zake wijzigingen in wet en CAO door te voeren.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-02-07
103341 - Interpretatiegeschil art. 2.5 lid 5 CAO-VO / taakbeleid VO
Partijen verschillen van mening over de uitleg van begrip "het systeem van taakbeleid" in artikel 2.5 lid 5 CAO-VO.
De Commissie oordeelt dat niet iedere wijziging in het taakbeleid tevens beschouwd moet worden als een systeemwijziging. Er is in ieder geval sprake van een "wijziging van het systeem van taakbeleid" indien een wijziging binnen een onderdeel gevolgen heeft voor een of meerdere andere onderdelen. In een dergelijk geval wordt immers de verhouding tussen de verschillende onderdelen gewijzigd en daardoor de kaders van het taakbeleid. De voorgestelde mogelijkheid om uren, bestemd voor het onderdeel deskundigheidsbevordering, over te hevelen naar het onderdeel coördinatie/beheer betreft derhalve een wijziging van het systeem van taakbeleid. Gelet hierop moet het voorstel van de werkgever ter goedkeuring aan het voltallige (onderwijzend) personeel worden voorgelegd alvorens het geldende taakbeleid kan worden gewijzigd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
21-12-06
G743 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
21-12-06
G742 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-12-06
103244 - Interpretatiegeschil functiebouwwerk art. 10.24 WHW en reglementsbepaling HBO
Partijen verschillen van mening over de bevoegdheid van de CMR-P ten aan zien van de vaststelling van het nieuwe functiebouwwerk. De wijziging van de CAO, die naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie op 26-10-2006 heeft plaatsgevonden, erkent het instemmingsrecht door aan te geven dat de nog te nemen stappen uit het plan van aanpak ter instemming worden voorgelegd het zogenoemde tripartite overleg. In casu heeft het tripartite overleg wel plaatsgevonden, doch het College van Bestuur meent dat daarin alleen het plan van aanpak ter instemming moest worden voorgelegd. De Commissie acht het niet aannemelijk dat uitgaande van dit plan van aanpak, alleen dit 250 pagina's tellend boekwerk met deze inhoud kon voortvloeien. Bovendien vooronderstelt de naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie opgenomen wijziging in de CAO, dat het functiegebouw niet rechtstreeks voortvloeit uit het plan van aanpak: punt 3 van Bijlage XIV CAO-HBO 2006-2007. Hieruit leidt de Commissie af dat in de uitwerking van het plan van aanpak, waaronder het functiebouwwerk, keuzes kunnen worden gemaakt, waarbij ruimte is voor beleid. De CMR moet door middel van het instemmingsrecht enerzijds kunnen controleren of het plan van aanpak in het functiegebouw juist is uitgewerkt en anderzijds of hij kan instemmen met de keuzes die daarbij binnen de bestaande beleidsruimte zijn gemaakt. De CMR-P dient zich wel te realiseren dat, indien hij weigert in te stemmen met eventuele onderdelen die wél zonder keuzemogelijkheid rechtstreeks voortvloeien uit het plan van aanpak, de Commissie de CMR bij een eventueel instemmingsgeschil op die onderdelen in het ongelijk zal dienen te stellen daar hij met die onderdelen via de goedkeuring met het plan van aanpak reeds eerder heeft ingestemd. Oordeel: de CMR-P heeft op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht ten aanzien van het nieuwe functiebouwwerk.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-12-06
G741 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-10-06
G740 - Adviesgeschil
Adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-09-06
103134 Interpretatiegeschil wijziging BBR en reorganisatie WO
College van Bestuur en Universiteitsraad verschillen van mening over de vraag welke bevoegdheid de Universiteitsraad en de Dienstraad toekomt ter zake van besluiten in verband met de opheffing van een centrale dienst. Een lijst van ingestelde centrale diensten is in een bijlage bij het BBR is opgenomen.
De Commissie oordeelt dat opheffing van een centrale dienst neerkomt op en wijziging van het BBR waarvoor de Universiteitsraad een wettelijk instemmingsrecht heeft. Het BBR is het fundament van de inrichting van de universiteit en kan niet worden aangemerkt als slechts een gevolg van een ander besluit. Het is mogelijk dat de wijziging van de inrichting van de universiteit leidt tot een besluit waarvoor het personeelsdeel in de Universiteitsraad op grond van art. 9.36 lid 1 WHW instemmingsrecht heeft. Het gegeven dat de opheffing van een centrale dienst een situatie met zich brengt die onder het begrip 'reorganisatie' als bedoeld in de CAO valt, maakt dit niet anders. De CAO kan geen afbreuk doen aan de wettelijke bevoegdheden van de Universiteitsraad. Het wettelijk instemmingsrecht kan ook niet beperkt worden door een beroep op art. 9.34 lid 3 onder b WHW. Die bepaling gaat ervan uit dat in het universiteitsreglement concrete aangelegenheden worden genoemd waarvoor de Universiteitsraad adviesrecht heeft. Het begrip 'reorganisatie' is niet als adviesaangelegenheid in het universiteitsreglement opgenomen doch indien dat wel het geval zou zijn, valt nog niet in te zien dat het reorganisatiebesluit aan het besluit tot wijziging BBR vooraf zou dienen te gaan. Er is eerder sprake van met elkaar samenvallende besluiten en de opheffing van de centrale dienst wordt slechts gerealiseerd door een wijziging van het BBR. De Dienstraad heeft geen bevoegdheid ten aan zien van de opheffing van de centrale dienst omdat het geen besluit van het hoofd van dienst betreft. Als het hoofd van dienst bij de uitvoering van de opheffings- en reorganisatiebesluiten maatregelen op het gebied van aangelegenheden genoemd in art. 9.50 leden 2 WHW dient te treffen, waarbij nog keuzevrijheid is, heeft de Dienstraad het wettelijk advies- en instemmingsrecht als bedoeld in art. 9.50 leden 2 en 4 WHW.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
27-07-06
103185 - Interpretatiegeschil samenwerkingsovereenkomst BVE
Het bevoegd gezag heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten, gericht op het verkrijgen van een licentie en het starten van een opleiding door een JC-College en het ondersteunen en coördineren van het JC-College. De MR meent ter zake instemmingsrecht te hebben naar aanleiding waarvan het bevoegd gezag een interpretatiegeschil aan de Commissie heeft voorgelegd. Aangezien het medezeggenschapsreglement reeds meer dan 2 jaar oud is, is op grond van art. 17 lid 1 WMO de WMO bepalend voor de advies- en instemmingsbevoegdheden van de (geledingen van) de MR. Het sluiten van de overeenkomst dient naar het oordeel van de Commissie te worden aangemerkt als het aangaan van een duurzame samenwerking met een andere instelling. Niet valt in te zien dat de contractspartner vanwege zijn commerciële activiteiten niet zou kunenn worden aangemerkt als een 'andere instelling'. De overeengekomen duur van het contract in combinatie met de aard van de activiteiten die in die periode worden verricht (opstarten, ondersteunen en coördineren) leiden ertoe dat niet gesproken kan worden van incidentele activiteiten. Aldus heeft de MR op grond van art. 7 aanhef en onder f WMO adviesrecht. De PMR heeft op grond van art. 8 lid 1 aanhef en onder a WMO instemmingsrecht ten aanzien van de gevolgen van de samenwerkingsovereenkomst voor het personeel. De ouder/leerling-geleding heeft op grond van art. 9 aanhef en onder a WMO instemmingsrecht ten aanzien van de gevolgen voor de ouders/leerlingen. Adviesrecht MR, instemmingsrecht PMR en ouder/leerling-geleding ten aanzien van gevolgen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
27-07-06
103184 - Instemmingsgeschil OER-en HBO
De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de gemeenschappelijke major van twee opleidingen in de OER-en van het studiejaar 2005-2006.In verband met de uitsluiting van het instemmingsrecht ten aanzien van de inhoud en studielast van de opleiding als genoemd in art. 7.13 lid 2 onder a, b en e WHW, behoort een wijziging van de programmering voor wat betreft de vaststelling van de onderdelen van de opleiding en en de studielast van een of meer onderdelen van de opleiding, niet tot het instemmingsrecht van de deelraad. Wijzigingen in de programmering die hin weerslag hebben op de volgtijdelijkheid van de tentamens en de volgorde waarin gelegenheid wordt geboden tentamens af te leggen, behoren wel tot het instemmingsrecht van de deelraad. Het is de Commissie gebleken dat de deelraad eerst ter zitting duidelijk heeft aangegeven dat hij mede niet heeft ingestemd met de OER-en omdat de logische volgorde in de vakkenopleiding en dus de volgtijdelijkheid van de tentamens in de war is geraakt. Nu de deelraad dit argument niet eerder aan zijn instemmingsweigering ten grondslag heeft gelegd, is de Commissie van oordeel dat het College van Bestuur niet kan worden aangewreven dat het dit argument onvoldoende zou hebben meegewogen. Voorts overweegt de Commissie dat de directeur bij aanvang van het studiejaar 2005-2006 is overgegaan tot uitvoering van de omstreden OER-en en de deelraad zich daar niet tegen verzet heeft door middel van een vordering bij de kantonrechter. Ter zitting heeft de deelraad daarover verklaard dat het voor hem van belang was dat het onderwijs gewoon door kon gaan. Gelet op het beperkte instemmingsrecht van de deelraad, het gegeven dat de deelraad niet bij aanvang heeft duidelijk gemaakt dat het hem mede ging om de volgtijdelijkheid van de tentamens en de deelraad zich niet heeft verzet tegen uitvoering van de omstreden OER-en, is de Commissie van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat het instellingsbestuur niet in redelijkheid tot de voorgestelde OER-en heeft kunnen komen. Een dergelijk oordeel zou ook geen recht doen aan de werkelijkheid en zelfs in strijd zijn met de belangen van de studenten die er immers op moeten kunnen vertrouwen dat zij het gehele studiejaar een opleiding hebben gevolgd op basis van een rechtens geldende OER. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-07-06
103239 Interpretatiegeschil bevoegdheid GV en SR m.b.t. toelatingseis aansluitende masteropleidingen in model-OER WO
Het College van Bestuur heeft een nieuwe model-OER vastgesteld waarin de mogelijkheid vervalt dat een student op in de OER vastgestelde voorwaarden alvast begint met een aansluitende masteropleiding zonder in het bezit te zijn van het bachelorgetuigschrift.
De GV en SR menen dat er sprake is van een wijziging van het Instellingsplan en het Studentenstatuut, waarvoor de GV en SR respectievelijk de SR instemmingsrecht hebben.
Door in de model-OER de zogenoemde regel 'BSc-vóór-MSc' op te nemen geeft het College van Bestuur naar de mening van de Commissie een voorschrift aan de decanen die de OER-en dienen vast te stellen. Het voorschrift is een richtlijn als bedoeld in artikel 9.5 WHW en betreft de coördinatie van de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen. Er is geen rechtstreeks instemmingsrecht GV en/of SR ten aanzien van een richtlijn aan de decanen. De richtlijn is geen wijziging van het Instellingsplan aangezien het Instellingsplan niet de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen vermeldt. Het hebben van het bachelorgetuigschrift als enige toelatingseis kan ook niet gezien worden als een wijziging van de strategische koers van de universiteit. De nieuwe regel dient wel te leiden tot een wijziging van het Studentenstatuut waarvoor de SR instemminsgrecht heeft. Omdat de SR geen rechtstreeks instemmingsrecht heeft t.a.v. de richtlijn c.q. de model-OER of de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen, is het instemmingsrecht van de SR beperkt tot de wijze waarop de desbetreffende toelatingseis in het Studentenstatuut wordt opgenomen. Dientengevolge staat de nog door te voeren wijziging van het Studentenstatuut niet aan de inwerkingtreding van de richtlijn in de weg. Het subsidiair voorgelegde instemmingsgeschil oordeelt de Commissie niet-ontvankelijk omdat er geen voorstel ter instemming aan de SR is voorgelegd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-07-06
103195 - Instemmingsgeschil functiebouwwerk VO
De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met de invulling van het functiebouweerk vanwege de daarin opgenomen functies van de centrale directie. Volgens de PGMR rechtvaardigt de omvang en complexiteit van de scholengemeenschap geen centrale directie in de schalen 17, 16 en 16. Naar het oordeel van de Commissie waren er voor de PGMR redelijkerwijze voldoende redenen voorhanden om te kunnen en te mogen twijfelen aan de juistheid van de invulling van de centrale directie in het functiebouwwerk. Die redenen hebben betrekking op het gegeven dat de desbetreffende functies geen voorbeeldfuncties zijn, FUWA-VO geen directiefunctie schaal 17 kent, het Kaderbesluit VO in beginsel uitgaat van directiefuncties tussen schaal 12 en 16, de CAO-VO niet voorziet in functies boven schaal 16 en in de functiebeschrijvingen verantwoordelijkheden worden genoemd die niet logisch aansluiten op het huidige besturingsmodel en bestuurs- en directiereglement. De twijfels van de PGMR dienden volgens de Commissie voor de werkgever reden te zijn om zijn voorstel te heroverwegen en ingeval van handhaving daarvan zijn voorstel nader te onderbouwen. Het doen uitvoeren van een contra-expertise met advies aan de werkgever over de juistheid van de voorgestelde directiefuncties, acht de Commissie daarvoor de geëigende weg. Zowel de functiebeschrijvingen en -waarderingen als de contra-expertise kunnen hier echter niet worden aangemerkt als een voldoende relevante motivering van de invulling van het functiebouwwerk voor wat betreft de centrale directie. De werkgever heeft ook anderszins geen nadere draagkrachtige motivering voor zijn voorstel aangedragen.
PGMR heeft terecht zijn instemming aan de de invulling van het functiebouwwerk onthouden.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-04-06
103036 - Interpretatiegeschil en adviesgeschil directiefunctie BVE
Waardering van directiefunctie op schaal 14 en toevoeging van die functie aan het functieboek, is in dit geval geen aangelegenheid waarvoor de (P)MR op grond van de WMO een bevoegdheid toekomt. In de lange periode van overleg heeft de MR zich nimmer op het standpunt gesteld dat ter zake instemmingsrecht aan de orde zou zijn. Bovendien gaat de MR akkoord met de directiefunctie en met de werkzaamheden die bij die functie behoren. Slechts de waardering op schaal 14 stuit op bezwaren. Waardering van de functie is echter geen onderwerp waarvoor de WMO de MR een bijzondere bevoegdheid toekent. Het gegeven dat de desbetreffende functie geen voorbeeldfunctie is, maakt dit niet anders. De MR heeft ter zake wel adviesrecht op basis van een tussen partijen gesloten convenant. Het adviesgeschil dat subsidiair aan de Commissie is voorgelegd, is te laat aangemeld. De overschrijding van de termijn is niet verschoonbaar. De MR is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot behandeling van het adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
23-03-06
G733/735 - Instemmingsgeschillen
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
15-03-06
103077 - Interpretatiegeschil art. 9.13 CAO-VO / taakbeleid VO
In het taakbeleid van de werkgever zijn voor docenten die de leeftijd van 52 respectievelijk 56 jaar hebben bereikt, extra faciliteiten boven de in de CAO vermelde regeling vastgesteld. De werkgever meent dat in art. 9.13 CAO-VO 2005-2006 het seniorenverlof uitputtend en imperatief geregeld is terwijl de PGMR meent dat dit niet het geval is.
De Commissie oordeelt dat de bedoelde extra faciliteiten los van de BAPO-regeling onderdeel van het taakbeleid zijn en dat een wijziging van de BAPO-regeling als bedoeld in art. 9.13 lid 2 CAO-VO niet een wijziging van de faciliteiten OP zoals opgenomen in het taakbeleid, met zich brengt. Afschaffing van de extra faciliteiten van het OP komt volgends de Commissie neer op een wijziging van het taakbeleid waarvoor op grond van art. 2.5 lid 4 en 14.2 lid 1 CAO-VO op instemming gericht overleg met de P(G)MR vereist is.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
31-01-06
G731 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden
16-12-05
G725 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-12-05
G727 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
30-11-05
G729 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
28-10-05
G724 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-08-05
G723 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-05-05
G721 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
26-05-05
G717 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-05-05
G713 - Adviesgeschil
Adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
01-03-05
G705 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-01-05
G704/G716 - Interpretatiegeschil, adviesgeschil en instemmingsgeschil
Interpretatiegeschil, adviesgeschil en instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-12-04
G701 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-10-04
G700 - Adviesgeschil
Adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
05-10-04
G698 - Adviesgeschil
Adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-07-04
G699 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-07-04
G694-Interpretaitegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-06-04
102539 - Instemmingsgeschil taakbeleid VO
Het bevoegd gezag kampt met financiële moeilijkheden en heeft als bezuinigingsmaatregel onder meer voorgesteld om voor de toedeling van de OP-formatie binnen de locaties uit te gaan van 25 lessen per week voor de onderbouwlocaties, 26 lessen voor de VMBO-bovenbouwlocaties en 27 lessen voor de HAVO/VWO-bovenbouwlocatie. De GMR erkent de bezuinigingsnoodzaak doch weigert in te stemmen. De GMR meent dat bij gebrek aan gedegen analyse, de pijn gelijkelijk verdeeld dient te worden over de locaties en dat een dergelijke maatregel niet kan worden ingevoerd zonder een totaal samenhangend taakbeleid te voeren. De stelling dat een maatregel die de formatietoedeling en taakbelasting betreft, dient te worden genomen in het kader van een samenhangend taakbelastingsbeleid, kan de Commissie in zijn algemeenheid onderschrijven. In onderhavig geval is echter sprake van een noodzaak tot spoedeisend ingrijpen zonder welke het voortbestaan van de scholen op korte termijn in het gedrang komt. Het nemen van een noodmaatregel laat onverlet dat het bevoegd gezag voor de toekomst dient te werken aan een nieuw taakbeleid. Het voorstel voor de OP-formatietoedeling kan de redelijkheidstoets doorstaan: de Commissie acht het redelijk dat het bevoegd gezag heeft voorgesteld de bezuinigingslast in de onderbouw te beperken vanwege de doelgroepen en het loslaten van de basisvorming. Ook acht de Commissie het niet onredelijk dat in de bovenbouw HAVO/VWO vanwege de doelgroep, het curriculum en het rafelige examenjaar, voorlopig meer bezuiniging op de lessentaak wordt gerealiseerd. Op de directie- en OBP-formatie worden ook bezuinigingen doorgevoerd. De Commissie gaat ervan uit dat zo spoedig mogelijk een voorstel voor een nieuw taakbeleid voor de hele organisatie ter instemming aan de GMR wordt voorgelegd. Het bevoegd gezag heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
29-01-04
G693 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
19-12-03
G689 - Interpretatie- en instemmingsgeschil
Interpretatie- en instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-12-03
G692 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-12-03
G685 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden
17-11-03
G669 - Advies- en interpretatiegeschil
Advies - en Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-10-03
G690 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-10-03
G687 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
06-10-03
G688 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
30-05-03
G680/G681/G682 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-05-03
G674 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
15-04-03
G672 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
14-04-03
G673 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
03-04-03
G677/G678 - Interpretatiegeschillen
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-02-03
G676 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil
De complete tekst kunt u hier downloaden.
13-11-02
G670 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
21-07-02
102162 - Reglementsgeschil met betrekking tot verkiezingsstelsel MR.
Het bevoegd gezag heeft in het reglementsvoorstel opgenomen dat de verkiezingen van de MR worden georganiseerd volgens het lijstenstelsel en dat de MR voor de verkiezing een uitwerkingsplan opstelt dat ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt voorgelegd. Indien het bevoegd gezag zijn goedkeuring aan het uitwerkingsplan onthoudt, kunnen bevoegd gezag en/of MR daarover een reglementsgeschil aan de Commissie voorleggen, aldus het voorstel. De MR wenst dat in het reglement wordt opgenomen dat de verkiezingen voor de MR worden gehouden op basis van het personenstelsel. De Commissie overweegt dat onder de gegeven omstandigheden het passief en actief kiesrecht en de democratische verhoudingen binnen de instelling het meest zijn gediend met een personenstelsel dat zogenoemde kongsi-vorming uitsluit. Op die wijze wordt zowel aan de wensen van het bevoegd gezag als aan die van de MR tegemoet gekomen. Het is voorts een zaak van zowel het bevoegd gezag als de MR om personeel en medewerkers binnen alle units te bewegen tot betrokkenheid bij de medezeggenschap binnen de instelling. Aldus oordeelt de Commissie dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De Commissie bepaalt dat in het vast te stellen medezeggenschapsreglement het lijstenstelsel dient te worden vervangen door het stelsel van de 'Enkelvoudige Overdraagbare Stem' als uiteengezet in de bijlage van de uitspraak van de Commissie.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-06-02
G668 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-06-02
G666 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
02-01-02
G656 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-10-01
G656- Interpretatiegeschil (tussenuitspraak)
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-09-01
G655 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
04-07-01
G665 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
27-06-01
G653 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
31-05-01
G654 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-05-01
G651 - Adviesgeschil
Adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
29-01-01
G649 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
29-01-01
G648 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
15-11-00
G647 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-11-00
G644/G645/G646 - Adviesgeschil
Adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-11-00
G644A/G645A/G646A - Adviesgeschil
Adviesgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-10-00
G643 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
18-10-00
G642 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-07-00
G640 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
12-04-00
G637 - Advies- en interpretatiegeschil
Advies- en interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
07-04-00
G639 - Instemmingsgeschil
Instemmingsgeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
16-02-00
G638 - Interpretatiegeschil
Interpretatiegeschil.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
Instelling van één LCG WMS leidt tot lagere aansluitingskosten voor de scholen !
