HomeMedezeggenschapBezwarencommissie CAO-VOUitspraken Archief uitspraken tot 1 januari 2009

19-10-2007

103519 - Instemmingsgeschil heroverwogen functiebouwwerk VO

De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met de invulling van het functiebouwwerk vanwege de daarin opgenomen functies van de centrale directie (CD). In haar uitspraak van 24-07-2006 (103195) heeft de Commissie uitgesproken dat de werkgever bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het voorgestelde functiebouwwerk heeft kunnen komen en de PGMR terecht zijn instemming heeft onthouden. Na de uitspraak van de Commissie heeft de werkgever besloten zijn besluit te handhaven en een onderzoeksopdracht aan een adviesbureau gegeven.  Dat bureau heeft het onderzoek beperkt tot de procedure van de externe functiewaarderingsadviseur van de werkgever. Alleen kijken naar de procedure is onvoldoende om te beoordelen of de daarop gebaseerde conclusie redelijk is. Niet het advies van de externe deskundige maar het besluit van de werkgever moet de redelijkheidtoets kunnen doorstaan.

Er is een discrepantie tussen het besturingsmodel en bestuurs- en directiereglement van begin 2005 en de voorgelegde functiebeschrijvingen. Die discrepantie houdt volgens de werkgever verband met het feit dat de feitelijke werkzaamheden als uitgangspunt zijn genomen. De Commissie oordeelt dat het op de weg van de werkgever lig ervoor zorg te dragen dat de feitelijke aansturing vanuit bestuur en management aansluit op hetgeen daarover met inachtneming van de medezeggenschap is vastgesteld.
De Commissie oordeelt dat de werkgever bij afweging van de betrokken belangen en rekening houdend met de omstandigheden van het geval niet in redelijkheid tot de heroverwogen voorgestelde invulling van de CD in het functiebouwwerk heeft kunnen komen en de PGMR daaraan terecht instemming heeft onthouden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

27-04-2007

103435 - Interpretatiegeschil artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO

Werkgever maakt voor werving personeel ter vervulling van reguliere functies gebruik van uitzendbureaus. De werkgever doet dit om de financiële risico's te beperken. Volgens de PMR is dit in strijd met artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO.
De Commissie oordeelt dat artikel 3.b.4 lid 1 CAO VO een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin uitzendarbeid mogelijk is. Een andere uitleg zou dit artikellid zinloos maken en zonder gevolg laten, hetgeen niet in de rede ligt. Het begrip 'kennelijk onvoorziene omstandigheden' in artikel 3.b.4 lid 1 onder c CAO VO heeft betrekking op omstandigheden die zich ten tijde van het aangaan van de uitzendarbeid reeds hebben voorgedaan en die duidelijk niet voorzien waren; zaken als de toekomstige ontwikkeling van het leerlingaantal en de vraag of nieuwe docenten beschikken over de vereiste kwaliteiten zijn niet aan te merken als kennelijk onvoorziene omstandigheden. De stelling van de werkgever dat werving van docenten via personeelsadvertenties geen respons oplevert, is niet onderbouwd en eerst ter zitting aan de orde gesteld. De Commissie is van oordeel dat dit argument tardief is en niet kan worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid die aanleiding is geweest voor het inschakelen van uitzendbureaus vanaf schooljaar 2005-2006.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

09-02-2007

103358 - Interpretatiegeschil artikel 1.1 CAO-VO

De Raad van Toezicht van de werkgever heeft besloten om de salariëring van de leden en de voorzitter van het College van Bestuur aan te passen naar schaal 17 voor de leden en schaal 18 voor de voorzitter. De GMR meent daarop instemmingsrecht te hebben. Volgens de Raad van Toezicht is dit niet het geval omdat de leden van het College van Bestuur een individuele arbeidsovereenkomst met de Raad van Toezicht sluiten en formeel niet onder de bepalingen van de CAO-VO vallen. De PGMR legt aan de Commissie de vraag voor of de leden van het College van Bestuur vallen onder het begrip werknemer zoals dit is omschreven in artikel 1.1 CAO-VO en of daardoor de CAO-VO op hen van toepassing is.
Het begrip "werknemer" wordt in artikel 1.1 CAO-VO voor het bijzonder onderwijs gedefinieerd als "het personeelslid dat een dienstverband heeft bij de werkgever".  De statuten van de werkgeverbevatte de volgende bepaling "De Raad van Toezicht benoemt, schorst en ontslaat de leden van het College van Bestuur. De leden van het College van Bestuur zijn in dienst van de stichting en worden in dier voege bezoldigd." Omdat de leden van het College van Bestuur in dienst zijn van de stichting en de stichting de werkgever als bedoeld in de CAO-VO is, vallen de leden van het College van Bestuur onder het begrip werknemer van artikel 1.1 CAO-VO. Derhalve is op grond van artikel 1.2 lid 1 aanhef en onder a CAO-VO de CAO-VO op hen van toepassing.
Het is de Commissie bekend dat de werkelijkheid ten aanzien van de bestuursvormen in het voortgezet onderwijs vooruitloopt op hetgeen ter zake geregeld is in de wet en de CAO. Een afwijkende regeling zoals door de werkgever gewenst, kan niet bereikt worden door een bepaalde interpretatie van de CAO in een uitspraak van de Commissie, waarvoor de CAO zelf geen aanleiding geeft. Het is aan de wetgever en aan CAO-partijen om ter zake wijzigingen in wet en CAO door te voeren.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

06-02-2007

103341 - Interpretatiegeschil art. 2.5 lid 5 CAO-VO / taakbeleid VO

Partijen verschillen van mening over de uitleg van begrip "het systeem van taakbeleid" in artikel 2.5 lid 5 CAO-VO.
De Commissie oordeelt dat niet iedere wijziging in het taakbeleid tevens beschouwd moet worden als een systeemwijziging. Er is in ieder geval sprake van een "wijziging van het systeem van taakbeleid" indien een wijziging binnen een onderdeel gevolgen heeft voor een of meerdere andere onderdelen. In een dergelijk geval wordt immers de verhouding tussen de verschillende onderdelen gewijzigd en daardoor de kaders van het taakbeleid. De voorgestelde mogelijkheid om uren, bestemd voor het onderdeel deskundigheidsbevordering, over te hevelen naar het onderdeel coördinatie/beheer betreft derhalve een wijziging van het systeem van taakbeleid. Gelet hierop moet het voorstel van de werkgever ter goedkeuring aan het voltallige (onderwijzend) personeel worden voorgelegd alvorens het geldende taakbeleid kan worden gewijzigd.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

24-07-2006

103195 - Instemmingsgeschil functiebouwwerk; VO

De PGMR heeft geweigerd in te stemmen met de invulling van het functiebouweerk vanwege de daarin opgenomen functies van de centrale directie. Volgens de PGMR rechtvaardigt de omvang en complexiteit van de scholengemeenschap geen centrale directie in de schalen 17, 16 en 16. Naar het oordeel van de Commissie waren er voor de PGMR redelijkerwijze voldoende redenen voorhanden om te kunnen en te mogen twijfelen aan de juistheid van de invulling van de centrale directie in het functiebouwwerk. Die redenen hebben betrekking op het gegeven dat de desbetreffende functies geen voorbeeldfuncties zijn, FUWA-VO geen directiefunctie schaal 17 kent, het Kaderbesluit VO in beginsel uitgaat van directiefuncties tussen schaal 12 en 16, de CAO-VO niet voorziet in functies boven schaal 16 en in de functiebeschrijvingen verantwoordelijkheden worden genoemd die niet logisch aansluiten op het huidige besturingsmodel en bestuurs- en directiereglement. De twijfels van de PGMR dienden volgens de Commissie voor de werkgever reden te zijn om zijn voorstel te heroverwegen en ingeval van handhaving daarvan zijn voorstel nader te onderbouwen. Het doen uitvoeren van een contra-expertise met advies aan de werkgever over de juistheid van de voorgestelde directiefuncties, acht de Commissie daarvoor de geëigende weg. Zowel de functiebeschrijvingen en -waarderingen als de contra-expertise kunnen hier echter niet worden aangemerkt als een voldoende relevante motivering van de invulling van het functiebouwwerk voor wat betreft de centrale directie. De werkgever heeft ook anderszins geen nadere draagkrachtige motivering voor zijn voorstel aangedragen.
PGMR heeft terecht zijn instemming aan de de invulling van het functiebouwwerk onthouden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

15-03-2006

103077 - Interpretatiegeschil art. 9.13 CAO-VO / taakbeleid VO

In het taakbeleid van de werkgever zijn voor docenten die de leeftijd van 52 respectievelijk 56 jaar hebben  bereikt, extra faciliteiten boven de in de CAO vermelde regeling vastgesteld. De werkgever meent dat in art. 9.13 CAO-VO 2005-2006 het seniorenverlof uitputtend en imperatief geregeld is terwijl de PGMR meent dat dit niet het geval is.
De Commissie oordeelt dat de bedoelde extra faciliteiten los van de BAPO-regeling onderdeel van het taakbeleid zijn en dat een wijziging van de BAPO-regeling als bedoeld in art. 9.13 lid 2 CAO-VO niet een wijziging van de faciliteiten OP zoals opgenomen in het taakbeleid, met zich brengt. Afschaffing van de extra faciliteiten van het OP komt volgends de Commissie neer op een wijziging van het taakbeleid waarvoor op grond van art. 2.5 lid 4 en 14.2 lid 1 CAO-VO op instemming gericht overleg met de P(G)MR vereist is.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

Print pagina