Uitspraken van de Geschillencommissie Medezeggenschap Universiteiten die gold tot 1 september 2010
08-01-2009
103935 - Instemmingsgeschil invoering bindend studieadvies WO
De Universiteitsraad heeft geweigerd in te stemmen met het voorstel om m.i.v. 01-09-2009 instellingsbreed een bindend studieadvies (BSA) in te voeren, in verband waarmee het studentenstatuut gewijzigd dient te worden. De haalbaarheid van de invoering bsa is onderzocht door een projectgroep bsa. De door de projectgroep genoemde randvoorwaarden voor de invoering van het bsa zijn in het voorgenomen besluit opgenomen en er is een implementatiecommissie ingesteld die toeziet op de tijdige invulling van alle randvoorwaarden. Gelet op de argumenten om de meerwaarde van het bindend studieadvies te motiveren en op de gegevens, in het bijzonder die van andere universiteiten die het bindend studieadvies toepassen, uit het aan het voorgenomen besluit mede ten grondslag gelegde rapport van de projectgroep bsa, is het voorgenomen besluit toereikend gemotiveerd.De randvoorwaarden hebben onder meer betrekking op de roostering van examens en colleges, personele en financiële gevolgen, studiebegeleiding, de nader te stellen regels, de informatievoorziening aan schoolverlaters en de waarborgen voor de mogelijkheden voor een goede studievoortgang. Mocht bij een of meer opleidingen niet tijdig aan de randvoorwaarden voldaan zijn, dan zal het College voor die opleiding(en) de invoering van het bindend studieadvies opschorten.De Universiteitsraad onderschrijft de randvoorwaarden en heeft niet gemotiveerd waarom de termijn tot 01-09-2009 te kort zou zijn om de invoering van het bsa op zorgvuldige wijze te realiseren. Het College van Bestuur zal erop toezien dat de genoemde randvoorwaarden vóór de invoering van het bindend studieadvies zijn vervuld en heeft daarvoor een Implementatiecommissie ingesteld, die haar werkzaamheden voortvarend ter hand heeft genomen. Op grond van bovenstaande heeft het College van Bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel tot invoering per 1 september 2009 van het bindend studieadvies aan de gehele instelling kunnen komen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
10-06-2008
103705 - Advies en Interpretatiegeschil m.b.t. richtlijnen decanen WO
De richtlijnen ex art. 9.5 WHW zijn genomen in het kader van invoering en implementatie van een nieuw administratief studenteninformatiesysteem en houden in:
1. de laatste tentamenuitslag is geldig; 2. er worden 12 universiteitsbrede examendata (één per maand) aangewezen; 3. er geldt één uniforme voldoende grens, namelijk 5,5 met één cijfer achter de komma. CSR heeft negatief advies uitgebracht omdat hij vindt dat het instemmingsrecht van de FSR-en op de OER-en, wordt ondermijnd.
De Commissie overweegt dat CvB terughoudendheid dient te betrachten omdat richtlijnen kunnen treden in de eigen verantwoordelijkheid van de faculteit waar het de inhoud en vormgeving van het onderwijs betreft. Richtlijnen zullen vooral randvoorwaarden betreffen die de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek en de studeerbaarheid bevorderen. De Commissie oordeelt dat de drie besluiten niet de grens van de organisatie en coördinatie van het onderwijs en de examens overschrijden en dat het CvB deze besluiten als richtlijnen kon vaststellen. De besluiten zijn voldoende gemotiveerd en het CvB heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden besluiten kunnen komen.
In het interpretatiegeschil overweegt de Commissie dat wettelijk uitgangspunt is dat een CvB richtlijnen kan vaststellen die de organisatie en coördinatie van de bevoegdheid tot vaststelling van een OER betreffen. Achtergrond daarvan is de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek en de studeerbaarheid van het onderwijs. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat een richtlijn die aan de vereisten voldoet en niet op ongeoorloofde wijze treedt in de bevoegdheid van decanen om de OER vast te stellen, één op één door de decaan moet worden overgenomen in de OER. De controle daarop vindt plaats door het CvB via de mogelijkheid tot schorsing en vernietiging van een besluit van de decaan. Dit systeem brengt mee dat de medezeggenschap op facultair niveau beperkt is tot de wijze van omzetting van een richtlijn in de OER.
De richtlijnen ex art. 9.5 WHW zijn genomen in het kader van invoering en implementatie van een nieuw administratief studenteninformatiesysteem en houden in:
1. de laatste tentamenuitslag is geldig; 2. er worden 12 universiteitsbrede examendata (één per maand) aangewezen; 3. er geldt één uniforme voldoende grens, namelijk 5,5 met één cijfer achter de komma. CSR heeft negatief advies uitgebracht omdat hij vindt dat het instemmingsrecht van de FSR-en op de OER-en, wordt ondermijnd. De Commissie overweegt dat CvB terughoudendheid dient te betrachten omdat richtlijnen kunnen treden in de eigen verantwoordelijkheid van de faculteit waar het de inhoud en vormgeving van het onderwijs betreft. Richtlijnen zullen vooral randvoorwaarden betreffen die de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek en de studeerbaarheid bevorderen. De Commissie oordeelt dat de drie besluiten niet de grens van de organisatie en coördinatie van het onderwijs en de examens overschrijden en dat het CvB deze besluiten als richtlijnen kon vaststellen. De besluiten zijn voldoende gemotiveerd en het CvB heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden besluiten kunnen komen. In het interpretatiegeschil overweegt de Commissie dat wettelijk uitgangspunt is dat een CvB richtlijnen kan vaststellen die de organisatie en coördinatie van de bevoegdheid tot vaststelling van een OER betreffen. Achtergrond daarvan is de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek en de studeerbaarheid van het onderwijs. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat een richtlijn die aan de vereisten voldoet en niet op ongeoorloofde wijze treedt in de bevoegdheid van decanen om de OER vast te stellen, één op één door de decaan moet worden overgenomen in de OER. De controle daarop vindt plaats door het CvB via de mogelijkheid tot schorsing en vernietiging van een besluit van de decaan. Dit systeem brengt mee dat de medezeggenschap op facultair niveau beperkt is tot de wijze van omzetting van een richtlijn in de OER.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
08-01-2008
103615 - Interpretatiegeschillen bevoegdheden reorganisatiecode, reorganisatie en financieel verdeelmodel WO
De Universiteitsraad verschilt met het College van Bestuur van mening over de bevoegdheid van de Universiteitsraad ten aanzien van de reorganisatiecode, eenheidsoverstijgende reorganisaties en het financieel verdeelmodel. De Commissie constateert dat de reorganisatiecode een generiek document is dat de hoofdlijnen van de procedurele aanpak van een reorganisatie beschrijft. Nu de code betrekking heeft op alle reorganisaties binnen de universiteit en ook op de gevolgen daarvan voor het personeel, is de Commissie van oordeel dat de reorganisatiecode is aan te merken als een 'aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel' als bedoeld in art. 9.36 lid 1 WHW en art. 11 lid 2 UR-reglement. Daarom heeft het personeelsdeel van de Universiteitsraad instemmingsrecht ten aanzien van een wijziging van de reorganisatiecode. Art. 10.8 van de CAO Nederlandse Universiteiten heeft slechts betrekking op de bevoegdheden van het lokaal overleg en bevat geen inhoudelijke regeling zodat de uitoefening van het instemmingsrecht daar niet door beperkt wordt.
Art. 11 lid 3 onder 2 UR-reglement bepaalt dat de Universiteitsraad instemmingsrecht heeft ten aanzien van een reorganisatie die een majeure organisatieverandering als gevolg heeft en die voortkomt uit nieuw beleid. Naar het oordeel van de Commissie dragen eenheidsoverstijgende reorganisaties in de regel een majeur karakter terwijl reorganisaties in het algemeen voortvloeien uit beleidswijzigingen. In de regel zal art. 11 lid 3 onder 2 UR-reglement van toepassing zijn. De CAO kan geen afbreuk doen aan deze in het reglement vastgelegde bevoegdheid van de Universiteitsraad. Het financieel verdeelmodel bevat de bekostigingssystematiek en de richtlijnen voor de begroting en is als zodanig van wezenlijk belang voor het opstellen van de begroting. Omdat de bekostigingssystematiek deel uitmaakt van het verdeelmodel strekt het in het UR-reglement vastgelegde adviesrecht van de Universiteitsraad ten aanzien van de begroting en de bekostigingssystematiek zich mede uit tot het financieel verdeelmodel. Het gegeven dat de Universiteitsraad in het verleden ten aanzien van het financieel verdeelmodel instemmingsrecht heeft uitgeoefend, doet niet af aan het adviesrecht. Aan een niet in het UR-reglement vastgestelde overeenstemming met het toenmalige College van bestuur kan de Universiteitsraad niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het financieel verdeelmodel ook in de toekomst ter instemming wordt voorgelegd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
22-09-2006
103134 - Interpretatiegeschil wijziging BBR en reorganisatie WO
College van Bestuur en Universiteitsraad verschillen van mening over de vraag welke bevoegdheid de Universiteitsraad en de Dienstraad toekomt ter zake van besluiten in verband met de opheffing van een centrale dienst. Een lijst van ingestelde centrale diensten is in een bijlage bij het BBR is opgenomen.
De Commissie oordeelt dat opheffing van een centrale dienst neerkomt op en wijziging van het BBR waarvoor de Universiteitsraad een wettelijk instemmingsrecht heeft. Het BBR is het fundament van de inrichting van de universiteit en kan niet worden aangemerkt als slechts een gevolg van een ander besluit. Het is mogelijk dat de wijziging van de inrichting van de universiteit leidt tot een besluit waarvoor het personeelsdeel in de Universiteitsraad op grond van art. 9.36 lid 1 WHW instemmingsrecht heeft. Het gegeven dat de opheffing van een centrale dienst een situatie met zich brengt die onder het begrip 'reorganisatie' als bedoeld in de CAO valt, maakt dit niet anders. De CAO kan geen afbreuk doen aan de wettelijke bevoegdheden van de Universiteitsraad. Het wettelijk instemmingsrecht kan ook niet beperkt worden door een beroep op art. 9.34 lid 3 onder b WHW. Die bepaling gaat ervan uit dat in het universiteitsreglement concrete aangelegenheden worden genoemd waarvoor de Universiteitsraad adviesrecht heeft. Het begrip 'reorganisatie' is niet als adviesaangelegenheid in het universiteitsreglement opgenomen doch indien dat wel het geval zou zijn, valt nog niet in te zien dat het reorganisatiebesluit aan het besluit tot wijziging BBR vooraf zou dienen te gaan. Er is eerder sprake van met elkaar samenvallende besluiten en de opheffing van de centrale dienst wordt slechts gerealiseerd door een wijziging van het BBR. De Dienstraad heeft geen bevoegdheid ten aan zien van de opheffing van de centrale dienst omdat het geen besluit van het hoofd van dienst betreft. Als het hoofd van dienst bij de uitvoering van de opheffings- en reorganisatiebesluiten maatregelen op het gebied van aangelegenheden genoemd in art. 9.50 leden 2 WHW dient te treffen, waarbij nog keuzevrijheid is, heeft de Dienstraad het wettelijk advies- en instemmingsrecht als bedoeld in art. 9.50 leden 2 en 4 WHW.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
24-07-2006
103239 - Interpretatiegeschil bevoegdheid GV en SR m.b.t. toelatingseis aansluitende masteropleidingen in model-OER WO
Het College van Bestuur heeft een nieuwe model-OER vastgesteld waarin de mogelijkheid vervalt dat een student op in de OER vastgestelde voorwaarden alvast begint met een aansluitende masteropleiding zonder in het bezit te zijn van het bachelorgetuigschrift.
De GV en SR menen dat er sprake is van een wijziging van het Instellingsplan en het Studentenstatuut, waarvoor de GV en SR respectievelijk de SR instemmingsrecht hebben.
Door in de model-OER de zogenoemde regel 'BSc-vóór-MSc' op te nemen geeft het College van Bestuur naar de mening van de Commissie een voorschrift aan de decanen die de OER-en dienen vast te stellen. Het voorschrift is een richtlijn als bedoeld in artikel 9.5 WHW en betreft de coördinatie van de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen. Er is geen rechtstreeks instemmingsrecht GV en/of SR ten aanzien van een richtlijn aan de decanen. De richtlijn is geen wijziging van het Instellingsplan aangezien het Instellingsplan niet de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen vermeldt. Het hebben van het bachelorgetuigschrift als enige toelatingseis kan ook niet gezien worden als een wijziging van de strategische koers van de universiteit. De nieuwe regel dient wel te leiden tot een wijziging van het Studentenstatuut waarvoor de SR instemminsgrecht heeft. Omdat de SR geen rechtstreeks instemmingsrecht heeft t.a.v. de richtlijn c.q. de model-OER of de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen, is het instemmingsrecht van de SR beperkt tot de wijze waarop de desbetreffende toelatingseis in het Studentenstatuut wordt opgenomen. Dientengevolge staat de nog door te voeren wijziging van het Studentenstatuut niet aan de inwerkingtreding van de richtlijn in de weg. Het subsidiair voorgelegde instemmingsgeschil oordeelt de Commissie niet-ontvankelijk omdat er geen voorstel ter instemming aan de SR is voorgelegd.
De complete tekst kunt u hier downloaden.
Zojuist verschenen: jaarverslag Onderwijsgeschillen 2011 en jaarverslag van de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs 2011
Uitspraak LCG WMS 11 april 2012 : termijnen voor indienen van instemmingsgeschil zijn dwingend
Nieuwe publicatie Onderwijsgeschillen: artikel in School en Wet over disciplinaire maatregel
Arrest Ondernemingskamer inzake vordering tot naleving WMS m.b.t. vergoeding kosten van rechtsbijstand
Advies Landelijke Bezwarencommissie Schoolbestuursbeslissingen (LBS): ontslag uit ID-betrekking
