18-09-2008

103764 - Interpretatiegeschil bevoegdheid MR verkoop gebouwen HBO

Interpretatiegeschil over de vraag of de CMR instemmingsrecht toekomt ten aanzien van het verkopen en terughuren van panden van de hogeschool, meer bepaald of dit valt onder het instemmingsrecht m.b.t.' beleid besteding van de middelen', 'nieuwbouw of belangrijke verbouwing' of 'onderhoudsbeleid van de gebouwen'. Het recht om een interpretatiegeschil aan de Commissie voor te leggen is niet verwerkt door het verlenen van goedkeuring aan opeenvolgende begrotingen. Naar zijn aard doet een interpretatiegeschil zich immers eerst voor indien blijkt dat partijen van mening verschillen over de interpretatie van een bepaling. Of het recht om al dan niet instemming te verlenen is verwerkt door gedurende een reeks van jaren in te stemmen met de begroting waarin een dergelijk voornemen is opgenomen, staat thans niet ter beoordeling van de Commissie, doch zou in een eventueel instemmingsgeschil aan de orde kunnen worden gesteld. Denkbaar is dat verkoop en terughuur van panden onderdeel vormt van een huisvestingsplan, maar dit is niet noodzakelijkerwijs het geval. In het onderhavige geval is de transactie niet te beschouwen als deel van het huisvestingsplan aangezien er (nog) geen gevolgen voor de huisvesting aan verbonden zijn. Dat zou anders zijn indien het pand na verkoop voor een betrekkelijk korte termijn zou worden teruggehuurd en duidelijk zou zijn dat één of meer faculteiten na verloop van die korte periode zouden moeten verhuizen. De transactie is te beschouwen als het beheren van middelen, niet als een wijziging van het beleid ten aanzien van de besteding van middelen. Een wijziging in de verplichtingen tot onderhoud is nog geen wijziging van het onderhoudsbeleid. Aan de CMR komt niet op grond van het medezeggenschapsreglement instemmingsrecht toe.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

25-08-2008

103748 - Interpretatiegeschil vakantieregeling BVE

Interpretatiegeschil over de bevoegdheid van de MR ten aanzien van de regeling van vakantie en verlof. De MR stelt op grond van medezeggenschapsreglement instemmingsrecht te hebben op de vaststelling of wijziging van de regeling van vakantie en verlof. Door niet met een voorstel ter zake te komen frustreert het CvB dit recht. Het CvB stelt zich op het standpunt dat de nieuwe bepalingen inzake de organisatie van het werk en de inzetbaarheid van werknemers (hoofdstuk F CAO-BVE 2007-2009) het overbodig maken om naast de vakantieregeling van de CAO nog een eigen regeling te treffen. De wijziging van het taakbeleid heeft gevolgen voor de tijdstippen waarop vakantie en verlof kan worden opgenomen. Nu de verdeling van de werkzaamheden plaatsvindt op het niveau van de teams, geldt datzelfde voor de vaststelling van de vakantie en het verlof voor de medewerkers. Een verplichting tot het vaststellen van een instellingsbrede regeling waarin is aangegeven op welke dagen vakantie en verlof genoten wordt, verdraagt zich niet met het beginsel dat de verdeling van werkzaamheden plaatsvindt op teamniveau. Ten aanzien van een mogelijke aanvullende regeling op instellingsniveau of op het niveau van de domeinen, hebben de MR dan wel de desbetreffende Domeinraden ter zake instemmingsrecht.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

25-08-2008

103740 - Interpretatiegeschil aanwijzing verplichte vakantiedagen HBO

Geschil met betrekking tot de vraag of aan de MR instemmingsrecht toekomt ten aanzien van de aanwijzing van verplichte vrije dagen. Het medezeggenschapsreglement bepaalt dat de MR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel, respectievelijk de regeling van de vakantie. Het voorstel dient te worden aangemerkt als een aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel. Ten aanzien van deze aangelegenheid heeft de PMR op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht. Het betreft een wettelijk instemmingsrecht van de PMR en de WHW biedt geen ruimte om dit instemmingsrecht bij reglement om te zetten in een instemmingsrecht van de MR. De CAO bevat bepalingen over vakantie en verlof. Die bepalingen zijn inhoudelijke regelingen, maar niet uitputtend. Dit betekent dat het instemmingsrecht van de PMR dient te worden uitgeoefend ten aanzien van de aanwijzing van verplichte vakantiedagen. De in het voorstel genoemde niet-werkdagen zijn reeds in de CAO als niet-werkdag aangemerkt. Op het punt van de niet-werkdagen is het voorstel derhalve geen aanvulling op de CAO zodat het instemmingsrecht van de PMR daar niet op van toepassing is.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

08-07-2008

103744 - Adviesgeschil vakantieregeling deelnemers BVE

Het bevoegd gezag heeft in afwijking van het advies van de MR het Suikerfeest en het Offerfeest als vrije dagen opgenomen in het vakantierooster van de deelnemers. De Commissie onderzoekt of voldoende is gemotiveerd waarom van het advies is afgeweken. Als belangrijkste motief om van het advies van de MR af te wijken, heeft het bevoegd gezag genoemd de wens om actief uit te dragen dat de school een multiculturele gemeenschap is waarin de deelnemers werkelijk met elkaar willen samenleven. Dit signaal heeft het bevoegd gezag ook aan de autochtone deelnemers willen geven. Naar het oordeel van de Commissie past hierbij dat niet (Turks) islamitische deelnemers vrij hebben op twee dagen, die voor een deel van hun klasgenoten van grote religieuze betekenis zijn, net zoals dat voor een ander deel van de schoolpopulatie voor de christelijke feestdagen geldt. Deze signaalfunctie vormt een redelijke grond om van het advies van de MR af te wijken. Nu het om slechts twee dagen gaat, niet gebleken is dat de voortgang van het onderwijsproces hierdoor in belangrijke mate wordt verstoord en het slechts een geringe afwijking van de vakantieroosters van andere onderwijsinstellingen betreft, acht de Commissie de signaalfunctie als motivering om aan het negatieve advies van de MR voorbij te gaan voldoende draagkrachtig.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

23-06-2008

103774 - Interpretatiegeschil taakverdelings- en taakbelastingsbeleid (art. 8 onder h WMO) BVE

De Commissie oordeelt dat het taakverdelingsbeleid in artikel F-5 en F-6 CAO-BVE 2007-2009 in beginsel uitputtend geregeld is maar dat in de CAO nog ruimte is voor taakbelastingsbeleid dat door het bevoegd gezag met instemming van de PMR dient te worden ingevuld. Nu in de CAO-BVE 2007-2009 de taakverdeling binnen het team van medewerkers de hoofdregel is geworden en bovendien het geregelde model in de CAO niet meer voorkomt, dient redelijkerwijze te worden geconcludeerd dat het huidige aan de instelling geldende taakbeleid dat op basis van het geregelde model uit de CAO 2005-2007 is vastgesteld, niet meer past bij de nieuwe situatie die met ingang van 01-08-2008 in de CAO geregeld is. Op de werkgever rust de verplichting om een nieuw taakbelastingsbeleid, passend bij de nieuwe situatie, vast te stellen. De Commissie is van oordeel dat dit taakbelastingsbeleid specifiek dient te worden geformuleerd en dat het bevoegd gezag niet kan volstaan met te verwijzen naar bestuurlijke kaders die in diverse documenten als bijvoorbeeld de begroting zijn terug te vinden. Wel acht de Commissie het voorstelbaar dat in het te formuleren beleid aan de teams ruim baan gegeven wordt om zelf het (onderlinge) gewicht van taken te bepalen - ook dat is formulering van beleid - terwijl in het geval van gebruikmaking van de terugvaloptie de kaders zodanig in het beleid tot uitdrukking worden gebracht dat aan de medezeggenschap van het personeel als voorgeschreven in de WMO en de CAO-BVE recht gedaan wordt.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

14-12-2007

103532 - Instemmingsgeschil begroting School HBO

De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de begroting omdat volgens hem uit de begroting blijkt dat het taakbeleid van de School is gewijzigd, waar de deelraad het niet mee eens is. Naar het oordeel van de Commissie is het aan de hogeschool centraal vastgestelde taakbeleid dermate ruim geformuleerd dat daarvan noodzakelijkerwijze op Schoolniveau een nadere uitwerking van beleidsmatige aard dient plaats te vinden. Het rekenmodel voor de invulling van de normjaartaak van de docenten dat jaarlijks bij de Schoolbegroting is gevoegd, is volgens de Commissie een beleidsstuk van de directeur van de School waarin het centrale taakbeleid op Schoolniveau wordt geconcretiseerd. Aldus ligt er tussen het centraal vastgestelde beleid en de concrete taaktoedeling van de docent klaarblijkelijk door de directeur vastgesteld beleid, inhoudende nadere uitgangspunten bij de invulling van de concrete taaktoedeling van de docent. Dit kan naar het oordeel van de Commissie niet anders worden aangemerkt dan als taakbelastingsbeleid. Op grond van artikel G-2 lid 4 CAO-HBO jo artikel 33.1 aanhef en onder h jo artikel 43.7 onder a van het medezeggenschapsreglement heeft de personeelsgeleding van de SMR instemmingsrecht op het taakbelastingsbeleid. Het terugbrengen door de directeur van de uren 'Algemeen beheer' in het rekenmodel 2006-2007 van 166 naar 80 klokuur, is derhalve een wijziging in het taakbelastingsbeleid. Die wijziging is ten onrechte niet ter instemming voorgelegd aan de personeelsgeleding van de deelraad. De deelraad is slechts naar aanleiding van het verzoek tot instemming met de begroting en dus via deze omweg op de hoogte gebracht van deze wijziging in het taakbelastingsbeleid. Onder deze omstandigheden berust het personele deel van de Schoolbegroting 2006-2007 op een rechtens niet juist gewijzigd schooltaakbeleid en is het belang van de medezeggenschap van het personeel onvoldoende in de voorgestelde vaststelling van de begroting meegewogen. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de voorgestelde begroting heeft kunnen komen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

13-11-2007

103530 - Interpretatiegeschil functiebouwwerk art. 10-24 WHW. HBO

Partijen verschillen van mening over de bevoegdheid van de CMR-P ten aanzien van het aanbrengen van wijzigingen aan het functiebouwwerk. Eerder heeft de Commissie reeds gemotiveerd uitgesproken welke bevoegdheden aan de (P)CMR toekomen ten aanzien van de besluitvorming over de nieuwe functieordening. De Commissie is van oordeel dat de PMR van een hogeschool instemmingsrecht heeft bij het vaststellen van het functiebouwwerk. De Commissie overweegt dat het functiebouwwerk een samenstel van functies is. Het wijzigen van een functie of het toevoegen van een functie aan het functiebouwwerk is van invloed op de rechtspositie van alle in die functie benoemde medewerkers en raakt mogelijk de onderlinge verhouding tussen verschillende in het functiebouwwerk opgenomen functies. De Commissie is daarom van oordeel dat het aanbrengen van wijzigingen in het functiehuis van algemeen belang is voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel en onder het instemmingsrecht van de CMR-P valt. De Commissie overweegt dat in het medezeggenschapsrecht wijziging en vaststelling van een aangelegenheid doorgaans hand in hand gaan. Het ligt dan ook in de rede dat instemmingsrecht ten aanzien van de vaststelling van het functiebouwwerk gepaard gaat met instemming met de wijziging daarvan. Dat het CvB voor het aanbrengen van wijzigingen in het functiehuis instemming van het lokale overleg nastreeft, doet aan het instemmingsrecht van de (P)CMR niet af. Oordeel: de CMR-P heeft op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht ten aanzien van de wijziging van het functiebouwwerk.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

06-12-2006

103244 - Interpretatiegeschil functiebouwwerk art. 10.24 WHW en reglementsbepaling HBO

Partijen verschillen van mening over de bevoegdheid van de CMR-P ten aan zien van de vaststelling van het nieuwe functiebouwwerk. De wijziging van de CAO, die naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie op 26-10-2006 heeft plaatsgevonden, erkent het instemmingsrecht door aan te geven dat de nog te nemen stappen uit het plan van aanpak ter instemming worden voorgelegd het zogenoemde tripartite overleg. In casu heeft het tripartite overleg wel plaatsgevonden, doch het College van Bestuur meent dat daarin alleen het plan van aanpak ter instemming moest worden voorgelegd. De Commissie acht het niet aannemelijk dat uitgaande van dit plan van aanpak, alleen dit 250 pagina's tellend boekwerk met deze inhoud kon voortvloeien. Bovendien vooronderstelt de naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie opgenomen wijziging in de CAO, dat het functiegebouw niet rechtstreeks voortvloeit uit het plan van aanpak: punt 3 van Bijlage XIV CAO-HBO 2006-2007. Hieruit leidt de Commissie af dat in de uitwerking van het plan van aanpak, waaronder het functiebouwwerk, keuzes kunnen worden gemaakt, waarbij ruimte is voor beleid. De CMR moet door middel van het instemmingsrecht enerzijds kunnen controleren of het plan van aanpak in het functiegebouw juist is uitgewerkt en anderzijds of hij kan instemmen met de keuzes die daarbij binnen de bestaande beleidsruimte zijn gemaakt. De CMR-P dient zich wel te realiseren dat, indien hij weigert in te stemmen met eventuele onderdelen die wél zonder keuzemogelijkheid rechtstreeks voortvloeien uit het plan van aanpak, de Commissie de CMR bij een eventueel instemmingsgeschil op die onderdelen in het ongelijk zal dienen te stellen daar hij met die onderdelen via de goedkeuring met het plan van aanpak reeds eerder heeft ingestemd. Oordeel: de CMR-P heeft op grond van artikel 10.24 lid 1 WHW instemmingsrecht ten aanzien van het nieuwe functiebouwwerk.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

27-07-2006

103185 - Interpretatiegeschil samenwerkingsovereenkomst BVE

Het bevoegd gezag heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten, gericht op het verkrijgen van een licentie en het starten van een opleiding door een JC-College en het ondersteunen en coördineren van het JC-College. De MR meent ter zake instemmingsrecht te hebben naar aanleiding waarvan het bevoegd gezag een interpretatiegeschil aan de Commissie heeft voorgelegd. Aangezien het medezeggenschapsreglement reeds meer dan 2 jaar oud is, is op grond van art. 17 lid 1 WMO de WMO bepalend voor de advies- en instemmingsbevoegdheden van de (geledingen van) de MR. Het sluiten van de overeenkomst dient naar het oordeel van de Commissie te worden aangemerkt als het aangaan van een duurzame samenwerking met een andere instelling. Niet valt in te zien dat de contractspartner vanwege zijn commerciële activiteiten niet zou kunenn worden aangemerkt als een 'andere instelling'. De overeengekomen duur van het contract in combinatie met de aard van de activiteiten die in die periode worden verricht (opstarten, ondersteunen en coördineren) leiden ertoe dat niet gesproken kan worden van incidentele activiteiten. Aldus heeft de MR op grond van art. 7 aanhef en onder f WMO adviesrecht. De PMR heeft op grond van art. 8 lid 1 aanhef en onder a WMO instemmingsrecht ten aanzien van de gevolgen van de samenwerkingsovereenkomst voor het personeel. De ouder/leerling-geleding heeft op grond van art. 9 aanhef en onder a WMO instemmingsrecht ten aanzien van de gevolgen voor de ouders/leerlingen. Adviesrecht MR, instemmingsrecht PMR en ouder/leerling-geleding ten aanzien van gevolgen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

27-07-2006

103184 - Instemmingsgeschil OER-en HBO

De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de gemeenschappelijke major van twee opleidingen in de OER-en van het studiejaar 2005-2006.In verband met de uitsluiting van het instemmingsrecht ten aanzien van de inhoud en studielast van de opleiding  als genoemd in art. 7.13 lid 2 onder a, b en e WHW, behoort een wijziging van de programmering voor wat betreft de vaststelling van de onderdelen van de opleiding en en de studielast van een of meer onderdelen van de opleiding, niet tot het instemmingsrecht van de deelraad. Wijzigingen in de programmering die hin weerslag hebben op de volgtijdelijkheid van de tentamens en de volgorde waarin gelegenheid wordt geboden tentamens af te leggen, behoren wel tot het instemmingsrecht van de deelraad. Het is de Commissie gebleken dat de deelraad eerst ter zitting duidelijk heeft aangegeven dat hij mede niet heeft ingestemd met de OER-en omdat de logische volgorde in de vakkenopleiding en dus de volgtijdelijkheid van de tentamens in de war is geraakt. Nu de deelraad dit argument niet eerder aan zijn instemmingsweigering ten grondslag heeft gelegd, is de Commissie van oordeel dat het College van Bestuur niet kan worden aangewreven dat het dit argument onvoldoende zou hebben meegewogen. Voorts overweegt de Commissie dat de directeur bij aanvang van het studiejaar 2005-2006 is overgegaan tot uitvoering van de omstreden OER-en en de deelraad zich daar niet tegen verzet heeft door middel van een vordering bij de kantonrechter. Ter zitting heeft de deelraad daarover verklaard dat het voor hem van belang was dat het onderwijs gewoon door kon gaan. Gelet op het beperkte instemmingsrecht van de deelraad, het gegeven dat de deelraad niet bij aanvang heeft duidelijk gemaakt dat het hem mede ging om de volgtijdelijkheid van de tentamens en de deelraad zich niet heeft verzet tegen uitvoering van de omstreden OER-en, is de Commissie van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat het instellingsbestuur niet in redelijkheid tot de voorgestelde OER-en heeft kunnen komen. Een dergelijk oordeel zou ook geen recht doen aan de werkelijkheid en zelfs in strijd zijn met de belangen van de studenten die er immers op moeten kunnen vertrouwen dat zij het gehele studiejaar een opleiding hebben gevolgd op basis van een rechtens geldende OER. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

19-04-2006

103036 - Interpretatiegeschil en adviesgeschil directiefunctie BVE

Waardering van directiefunctie op schaal 14 en toevoeging van die functie aan het functieboek, is in dit geval geen aangelegenheid waarvoor de (P)MR op grond van de WMO een bevoegdheid toekomt. In de lange periode van overleg heeft de MR zich nimmer op het standpunt gesteld dat ter zake instemmingsrecht aan de orde zou zijn. Bovendien gaat de MR akkoord met de directiefunctie en met de werkzaamheden die bij die functie behoren. Slechts de waardering op schaal 14 stuit op bezwaren. Waardering van de functie is echter geen onderwerp waarvoor de WMO de MR een bijzondere bevoegdheid toekent. Het gegeven dat de desbetreffende functie geen voorbeeldfunctie is, maakt dit niet anders. De MR heeft ter zake wel adviesrecht op basis van een tussen partijen gesloten convenant. Het adviesgeschil dat subsidiair aan de Commissie is voorgelegd, is te laat aangemeld. De overschrijding van de termijn is niet verschoonbaar. De MR is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot behandeling van het adviesgeschil.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

14-10-2005

102955 - Instemmingsgeschil jaartaakbelastingsbeleid docenten HBO

Aan de faculteit Muziek en Dans geldt een gegroeide praktijk dat docenten met een volledige betrekking 29 lessen van 50 minuten geven. In verband met de financiële situatie ziet het College van Bestuur zich genoodzaakt in te grijpen in de personele kosten. Tussen het College van bestuur en de Deelraad is overleg gevoerd over een nieuw jaartaakbeleid en  partijen waren op vele punten tot elkaar gekomen. Het laatste voorstel van het College van Bestuur over de resterende punten van verschil, is door de Deelraad afgewezen. De MR voert aan dat er bij gebrek aan instemming geen overeenstemming is voor het hele jaartaakbeleid is. De Commissie overweegt dat de stelling van de MR juridisch juist is maar dat de Commissie bij haar oordeel over de vraag of het voorstel redelijk is, wel kan betrekken het gegeven dat partijen in het overleg op onderdelen tot elkaar gekomen waren. Een onderdeel van een voorstel dat in overeenstemming met de MR tot stand is gekomen, kan in beginsel niet als onredelijk worden aangemerkt. De Deelraad heeft intensief overleg met het College van Bestuur gevoerd en is met complete voorstellen voor een nieuw taakbeleid gekomen zonder daarbij aan te dringen op onderzoek zodat het standpunt van de MR, dat zonder gedegen onderzoek geen sprake kan zijn van een redelijk voorstel, niet overtuigend is. In plaats van een onderzoek vooraf, kiest het College van Bestuur ervoor om het nieuwe beleid na de implementatie te evalueren, hetgeen de Commissie, gelet op de financiële noodzaak, niet onredelijk acht . De MR heeft de inhoud van het voorstel tegenover de Commissie niet gemotiveerd bestreden anders dan een totale afwijzing ervan bij gebrek aan onderzoek. Ook is de Commissie niet bekend om welke redenen het laatste voorstel van het College van Bestuur over de resterende punten van verschil, is afgewezen. De onderdelen van het voorstel waarover partijen overeenstemming hadden bereikt, kunnen de redelijkheidstoets doorstaan. Wat betreft het voorstel met betrekking tot de punten van verschil, oordeelt de Commissie de uren voor deskundigheidsbevordering (10% van de lesuren) redelijk aangezien deze boven de CAO-norm uitstijgen. Voorts acht de Commissie aannemelijk dat verdere verhoging van de opslagfactoren financieel en organisatorisch onaanvaardbaar is. Dat het 2de fase onderwijs een hogere opslagfactor vereist, is niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat het voorstel voor wat betreft het aantal lesweken niet zou aansluiten op de praktijk. Het voorstel houdt bovendien in dat het nieuwe beleid zal worden geëvalueerd door een externe Commissie. Het College van Bestuur heeft toegezegd het advies van die commissie als zwaarwegend aan te merken. Een toezegging van het College van Bestuur, zich op voorhand te zullen neerleggen bij het advies, zoals door de MR gewenst, staat op gespannen voet met de eindverantwoordelijkheid van het College van Bestuur.

Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

24-10-2005

102950 - Geschil MR m.b.t. voordrachtsrecht benoemingsadviescommissie HBO

Tussen de CMR en het instellingsbestuur is een discussie ontstaan over de vraag of aan de CMR dan wel aan de deelraden het recht toekomt om kandidaten voor te dragen voor de benoeming in de sollicitatiecommissie, voor zover het de sollicitatieprocedure voor managers betreft. De CMR heeft dit verschil van mening aan de Commissie voorgelegd. De CMR baseert zijn aanspraak op het voordrachtsrecht op een beweerde afspraak die in het verleden zou zijn gemaakt met betrekking tot de handhaving van de instemmingsrechten na de fusie. De Commissie heeft het geschil schriftelijk behandeld en oordeelt zich onbevoegd om van het verzoek van de CMR kennis te nemen omdat er geen sprake is van een interpretatiegeschil waarvoor de Commissie bevoegd zou zijn. Het beweerde voordrachtsrecht is niet gebaseerd op het bepaalde in titel 3 van Hoofdstuk 10 WHW, noch op een regeling die krachtens de WHW is vastgesteld, noch op het bepaalde in het medezeggenschapsreglement, zodat er geen sprake is van een interpretatiegeschil als bedoeld in art. 10.27 lid 1 onder d WHW, waarvoor de Commissie bevoegd is. Commissie niet bevoegd.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

26-09-2005

102930 - Interpretatiegeschil art. 10.24 WHW en reglementsbepaling HBO

Het instellingsbestuur en de CMR verschillen van mening over de vraag of de PMR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de besluitvorming met betrekking tot de invoering van de nieuwe functieordening hbo. De nieuwe functieordening betreft een aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel, als bedoeld in art. 4.5 lid 5 WHW en art. 10.24 lid 1 WHW. Art. 4.5 lid 5 WHW schrijft overleg met de vakorganisaties voor; art. 10.24 lid 1 geeft instemmingsrecht van de PMR aan. Art. 6.2 lid 2 medezeggenschapsreglement bevat een bepaling dat het instemmingsrecht van de PMR niet van toepassing is voor zover overleg gevoerd dient te worden met de vakorganisaties.Het Plan van aanpak is geaccordeerd door de lokale vakorganisaties, zoals voorgeschreven door de CAO-HBO en het instellingsbestuur voert aan dat het instemmingsrecht van de PMR aldus niet van toepassing is. De Commissie oordeelt dat art. 10.24 lid 3 WHW een voorrangsregeling bevat: als de aangelegenheid reeds inhoudelijk is geregeld in of krachtens wet of in een cao, wordt het instemmingsrecht van de PMR niet uitgeoefend. Art. 6.2 lid 2 medezeggenschapsreglement is niet verbindend omdat het in strijd is met de uitputtende regeling van art. 10.24 lid 3 WHW. De CAO-HBO schrijft kaders en procedures voor waarbinnen bepaalde besluiten met betrekking tot de functieordening moeten worden genomen en uitgewerkt, zodat de CAO-HBO in zoverre geen inhoudelijke regeling bevat. Nog daargelaten of kan worden gezegd dat het Plan van aanpak een inhoudelijke regeling inhoudt, kan het niet worden aangemerkt als een cao. Aldus is de beperking van het instemmingsrecht van de PMR op grond van art. 10.24 lid 3 WHW niet aan de orde en heeft de PMR instemmingsrecht op grond van art. 10.24 lid 1 WHW. Voorts is niet gebleken dat het functiebouwwerk voortvloeit uit de reeds met instemming van de CMR genomen structuurbeslissingen.Ten slotte overweegt de Commissie dat de Interpretatiecommissie ex art. S-8 CAO-HBO niet de commissie als bedoeld in art. 4.5 lid 5 WHW is, zodat in het geschil tussen partijen geen bindende uitspraak is gedaan. De Interpretatiecommissie ontleent haar bevoegdheid aan de CAO en interpreteert de CAO-bepalingen. De (geschillen)Commissie ontleent haar bevoegdheid aan de WHW en interpreteert de artikelen 10.17 t/m 10.38 WHW en de bepalingen van het medezeggenschapsreglement. Aan de uitleg van de Commissie van genoemde bepalingen, kunnen uitspraken van de Interpretatiecommissie dan ook niet afdoen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

 

01-10-2004

102652 - Instemmingsgeschil uitvoeringsregeling taakbelasting HBO

De directeur wenst dat de docenten de uren die volgens het taakbeleid zijn gereserveerd voor deskundigheidsbevordering, vooraf verantwoorden en dat niet-verantwoorde uren kunnen worden ingevuld met andere taken. De deelraad heeft geweigerd in te stemmen omdat de uitvoeringsregeling in strijd is met het geldende taakbeleid waarin voor deskundigheidsbevordering en organisatie- en beheerstaken minimumpercentages zijn opgenomen en voor contacttijd en voor- en nazorg een maximumpercentage is vastgesteld. De Commissie oordeelt het opleggen van verantwoording vooraf van de invulling van de beschikbare uren deskundigheidsbevordering op zichzelf genomen redelijk. Het bestreden voorstel is echter een verdergaande maatregel aangezien de voorgestelde uitvoeringsregeling er toe kan leiden dat de in het taakbeleid vastgestelde minimum/maximumpercentages wijzigen. De voorgestelde uitvoeringsregeling is aldus in strijd met de regeling waarvan het instellingsbestuur niettemin volhoudt dat deze ongewijzigd van toepassing is. Het standpunt van de MR dat de totale taakbelastingsregeling niet consistent is, kan de Commissie dan ook volgen Om die reden reeds kan het voorstel de redelijkheidstoets niet doorstaan. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

18-05-2004

102504 - Instemmingsgeschil fusie HBO

In verband met nieuwe ontwikkelingen en met als doel te komen tot samenwerking tussen HBO en WO, wenst het instellingsbestuur te fuseren met een andere hogeschool. De MR stemt niet in vanwege onvoldoende informatieverstrekking, onvoldoende draagvlak bij personeel en studenten, onvoldoende onderzoek naar andere vormen van samenwerking, onvoldoende regeling van de medezegenschap na fusie, de personele gevolgen, de gevolgen voor de studenten en de financiële risico's. De Commissie acht de redenen en doelstelling van de fusie redelijk en de MR heeft voldoende informatie verkregen om tot een weloverwogen beslissing te komen. De marginale toets van de Commissie is beperkt tot het thans voorliggend fusievoorstel en strekt zich niet rechtstreeks uit tot andere niet-genomen besluiten. Niet aannemelijk dat andere vormen van samenwerking meer voor de hand lagen. Het argument dat er geen draagvlak voor de fusie is, acht de Commissie niet draagkrachtig omdat de door de MR gehouden peiling informeel was, beperkt was tot een deel van het personeel en dubbelstemmen niet zijn uitgesloten. Onder de studenten is geen peiling gehouden. De medezeggenschap na fusie is voldoende geregeld, doordat beide MR-en na de fusie tot aan nieuwe verkiezingen een gezamenlijke vergadering van MR-en zullen vormen. De regeling van de gevolgen voor het personeel hoort thuis in het lokale overleg met de vakorganisaties dat door deze laatsten is afgebroken vanwege de weigering van de MR. De gevolgen voor de studenten zijn voldoende geregeld. De financiële risico's, verband houdend met het HBO-fraudeonderzoek zijn blijkens verklaring van de accountant van de fusiepartner voldoende afgedekt. De regeling van de geldstromen HBO en WO hoort thuis in de Gemeenschappelijke regeling die tussen de universiteit en de gefuseerde instelling tot stand zal dienen te komen. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn fusievoorstel kunnen komen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-12-2003

102367 - Instemmingsgeschil verbod gezichtssluier in deelnemersstatuut ROC

De MR heeft geweigerd in te stemmen met een voorgenomen wijziging van het deelnemersstatuut, inhoudende de opname van een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding binnen het ROC. De MR wenst een gebodsbepaling op passend kledinggedrag. De Commissie overweegt dat het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling dat een verbod op het dragen van de nikaab binnen het ROC geen verboden indirect onderscheid naar godsdienst oplevert, niet automatisch met zich brengt dat het voorgenomen besluit de toets van art. 20 lid 3 WMO kan doorstaan. Voor de redelijkheidstoets van de Commissie is niet alleen de gelijkebehandelings- wetgeving van belang maar dienen alle betrokken belangen te worden meegewogen, waaronder de argumenten van de MR. Op grond van onder meer het verhandelde ter zitting is de Commissie gebleken dat tussen bevoegd gezag en MR een wezenlijk verschil van inzicht bestaat over het dragen van een gezichtsbedekkende sluier binnen het ROC: het bevoegd gezag wenst een algeheel verbod binnen het ROC terwijl de MR vindt dat wanneer het dragen van een nikaab in een individueel geval een probleem oplevert, dit via de dialoog dient te worden opgelost. Criterium dient dan te zijn de passendheid bij het beroep waarvoor de desbetreffende deelnemer in opleiding is. De Commissie is van oordeel dat dit criterium geen of onvoldoende rekening houdt met het belang van het ROC, zijn personeel en deelnemers, dat wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder aan het ROC goed onderwijs kan worden verzorgd. Onder die voorwaarden behoren een open communicatie en een veilig schoolklimaat. Belemmering in de communicatie heeft zijn weerslag op de in het onderwijs noodzakelijke interactie tussen docenten en deelnemers en tussen deelnemers onderling. Voorts acht de Commissie het van belang dat binnen het ROC op alle plaatsen eenvoudig kan worden vastgesteld dat een bepaald persoon deelnemer van het ROC is. Een verbod is duidelijk en voorkomt dat de rust binnen het ROC en dus het onderwijsleerproces telkens opnieuw worden verstoord door discussies over de vraag óf de gezichtssluier in een bepaald geval een probleem vormt en wat in dat geval passend kledinggedrag is. De Commissie acht een verbod niet disproportioneel. Het bevoegd gezag heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

22-05-2003

102299 en 102300 - Adviesgeschillen met betrekking tot niet-herbenoemen voorzitter a.i. en benoemen voorzitter a.i. van een onderdeel ROC.

De MR van een ROC heeft adviesrecht ten aanzien van ontslag en benoeming voorzitter a.i. Het bevoegd gezag heeft de voorzitter a.i. ontslagen zonder de MR vooraf om advies te vragen. Vervolgens adviseert de MR onder verwijzing naar zijn adviesrecht, om tot herbenoeming van betrokkene over te gaan. Het bevoegd gezag volgt het advies niet op. De Commissie oordeelt dat de MR ten onrechte niet om advies is gevraagd ten aanzien van het ontslagbesluit. Niettemin oordeelt de Commissie dat de MR onder de gegeven omstandigheden terzake van het niet-herbenoemen, een adviesgeschil kan aanmelden. Het besluit om betrokkene niet te herbenoemen, kan de toets van art. 22 lid 3 WMO doorstaan en kan in stand blijven. De MR heeft ongevraagd negatief geadviseerd ten aanzien van voorgenomen besluit om een voorzitter van een ander onderdeel van het ROC te benoemen als voorzitter a.i. Het besluit kan de toets van art. 22 lid 3 WMO niet doorstaan omdat het bevoegd gezag het advies zonder meer naast zich neergelegd heeft. Benoemingsbesluit kan in stand blijven: MR heeft bij de rechter niet om naleving WMO verzocht en er is zeer ongewenst effect indien Commissie thans bepaalt dat besluit niet in stand kan blijven. Bij definitieve invulling voorzittersfunctie, dienen rechten van MR volledig gerespecteerd te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-03-2002

102161 - Interpretatiegeschil om geld te vragen aan personeel en studenten voor het gebruik van een parkeerterrein.

Interpretatiegeschil over de bevoegdheid van de MR ten aanzien van een besluit van de hogeschool om aan personeel en studenten van de hogeschool voortaan geld te vragen voor het gebruik van een parkeerterrein. De Commissie is van oordeel dat wanneer een hogeschool parkeergelegenheid biedt voor onder anderen haar studenten, deze dient te worden aangemerkt als een studentenvoorziening als bedoeld in het geldende medezeggenschapsreglement. De Commissie is van oordeel dat het besluit om vanuit een situatie van onbetaald parkeren voor onder anderen studenten, betaald parkeren in te voeren, een wijziging van het beleid ten aanzien van de parkeergelegenheid voor studenten en dus van een studentenvoorziening is, zodat de MR terzake adviesrecht heeft. De Commissie komt tot dit oordeel omdat haar gebleken is dat het instellingsbestuur ten aanzien van de parkeermogelijkheden voor studenten een aantal beslissingen heeft genomen voor de lange termijn, waarbij zijn visie op de toekomst ter zake een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Een van deze beslissingen is de invoering van betaald parkeren, hetgeen de Commissie dan ook aanmerkt als een wijziging van het beleid ten aanzien van een studentenvoorziening, voor welke aangelegenheid de MR adviesrecht heeft.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

24-01-2002

102143 - Instemmingsgeschil met betrekking tot taakbeleid ROC.

De PMR heeft geweigerd instemming te verlenen aan een voorstel Taakbeleid vanwege de door het bevoegd gezag in het geregelde model gehanteerde percentages voor voorbereiding en nazorg (VONA) en voor coördinatie en beheer (COBE), die volgens de MR leiden tot taakverzwaring. De Commissie constateert dat de opslagpercentages voor VONA en COBE ten opzichte van het voorgaande taakbeleid zijn verminderd en dat die wijziging niet wordt gedragen door inzichtelijke en op juistheid controleerbare argumenten op grond waarvan die wijziging in de rede ligt en niet tot taakverzwaring zou leiden. Het bevoegd gezag heeft weliswaar aangevoerd dat bepaalde taken die vroeger onder VONA en COBE vielen, thans als afzonderlijke taken zijn genormeerd, doch aan de Commissie is geen lijst met genormeerde docententaken overgelegd en er heeft ook geen gedegen onderzoek naar de aard en tijdsbesteding van de docententaak plaatsgevonden; de aangekondigde urenregistratie heeft niet plaatsgevonden. De Commissie oordeelt dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. Instemmingsgeschil met betrekking tot taakbeleid ROC.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

 

Print pagina