23-11-2011

105092 - Geschil over de toepassing van artikel I-22 CAO BVE

De werkgever heeft op het salaris van werknemer van april 2011 een bedrag ingehouden wegens onverschuldigde betaling omdat de werknemer een aantal uren in maart 2011, hoewel hij stond ingeroosterd, niet heeft gewerkt. Werknemer stelt dat de werkgever hiertoe niet gerechtigd is omdat hij die uren wel heeft gewerkt. Omdat partijen elkaar tegenspreken kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of de werknemer de bewuste uren feitelijk wel of niet heeft gewerkt en of aan eventueel niet werken een gerechtvaardigde reden ten grondslag ligt. Omdat de werkgever vooralsnog niet, althans niet voldoende, heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat de werknemer gedurende de in het geding zijnde uren niet heeft gewerkt, staat vooralsnog niet vast dat onverschuldigd is betaald door de werkgever. De werkgever heeft artikel I-22 CAO BVE niet juist toegepast.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

07-11-2011

104974 - Geschil over toepassing artikel I-12b CAO BVE (bindingstoelage); BVE

De werkgever heeft het functioneren van de werknemer als onvoldoende beoordeeld en heeft op grond daarvan besloten (nog) geen bindingstoelage toe te kennen. Bij de beoordeling heeft de werkgever één criterium (van de acht gestelde) van doorslaggevende aard geacht. Dit criterium betrof 'Resultaat CSE/vergelijking SE-CSE'. De term "onvoldoende functioneren" in artikel I-12b lid 2 CAO BVE ziet op onvoldoende functioneren van de werknemer in het geheel van zijn functie. Het kan zijn dat één specifiek als onvoldoende beoordeeld criterium voor de werkgever van doorslaggevende aard is. In het onderhavige geval is niet gebleken van een voor de werknemers inzichtelijk beleid inzake de weging van de diverse beoordelingscriteria. Bij de afwezigheid van dergelijk beleid zal het in zijn algemeenheid zo zijn dat één als onvoldoende beoordeeld criterium in beginsel niet leidt tot een algehele onvoldoende beoordeling. Slechts in bijzondere omstandigheden, door de werkgever expliciet te motiveren, kan dat anders zijn. Er was reeds jaren een grote discrepantie te zien tussen de cijfers SE en CSE en dit is diverse malen met de werknemer besproken. De werknemer heeft daarvoor geen afdoende verklaring gegeven. Mede gezien de scores van de werknemer op de overige onderdelen heeft de werkgever het totale functioneren van de werknemer als onvoldoende mogen aanmerken. De werkgever heeft artikel I-12b lid 2 CAO BVE niet onjuist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

25-05-2011

104884 - Geschil over de toepassing van artikel III.4 Bijlage G CAO BVE, de BAPO-regeling

De BAPO-regeling is per 1 januari 2008 veranderd en daarbij is een overgangsregeling opgenomen waarbij is aangegeven dat de rechten van degenen die reeds voor 2008 BAPO-verlof genieten, worden gerespecteerd. De werknemer had uitzicht op verhoging van de BAPO op een bepaalde leeftijd. Dit uitzicht bestaat volgens de werkgever niet meer. Omdat het recht op BAPO-verlof ontstaat op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer de van toepassing zijnde leeftijd bereikt, beschermt artikel III.4 Bijlage G CAO-BVE het recht op BAPO-verlof dat een werknemer reeds geniet. Genoemd artikel beschermt niet de verwachting die werknemers hebben over te zijner tijd te ontstaan recht op (verhoging van) BAPO-verlof. De werkgever heeft artikel III.4 Bijlage G CAO-BVE niet onjuist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-04-2011

104830 - Geschil over toepassing artikel IV bijlage G CAO-BVE 1999-2000 (BAPO-regeling)

In november 2000 heeft de werknemer middels een contract met de werkgever afgesproken dat hij gebruik zou maken van de zogeheten flexibele BAPO waarbij hij verplicht is op de voor hem geldende spilleeftijd, voor het deel waarvoor hij BAPO verlof heeft genoten, met FPU te gaan. De werknemer heeft geen gebruik gemaakt van de BAPO en wil nu ook niet van de FPU gebruik maken. Uit het gebruik van de bewoordingen "Uitgangspunt is" in genoemd artikel IV kan niet afgeleid worden dat de werknemer na gebruikmaking van de flex-BAPO verplicht is om op de spilleeftijd met FPU te gaan. De overeenkomst is meer dan tien jaar geleden tussen partijen gesloten. Toentertijd was het onmogelijk om alle omstandigheden te overzien die zich te zijner tijd bij het intreden van de spilleeftijd, 11 jaar later, zouden kunnen voordoen. De werkgever had een daadwerkelijke beslissing over het al dan niet gebruik maken van de FPU dienen te vragen kort voor het moment dat de werknemer de spilleeftijd zou bereiken. Door dit niet te doen en door reeds in 2000 de werknemer vanuit bovendien een verkeerde interpretatie van artikel IV van bijlage G van de CAO-BVE te verplichten een toezegging te doen over het voor minimaal 340 uur gebruik maken van de FPU op de spilleeftijd, heeft de werkgever de CAO-BVE onjuist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

07-04-2011

104857 - Geschil over toepassing van artikel I-12b CAO BVE

De werkgever kent de werkneemster geen bindingstoelage toe, omdat met haar vanwege arbeidsongeschiktheid geen beoordelingsgesprek mogelijk is. Artikel I-12b lid 2 CAO BVE betreft een 'tenzij-bepaling'. Een bindingstoelage wordt toegekend aan de werknemer die benoemd is in een functie met een carrièrepatroon LC of LD of LE en die op of na 1 januari 2009 gedurende vijf jaar bezoldigd wordt volgens het maximumsalaris van zijn functie of hoger tenzij uit een beoordeling blijkt dat er sprake is van onvoldoende functioneren. Van het bestaan van een beoordeling waaruit het onvoldoende functioneren blijkt, is niet gebleken. Artikel I-12b lid 2 CAO BVE voorziet niet in de mogelijkheid de bindingstoelage (tijdelijk) te onthouden indien de werkgever niet kan aantonen dat de werknemer onvoldoende functioneert. De toelichting die in de CAO BVE ten aanzien van artikel I-12b lid 2 is opgenomen - voor zover daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat de bindingstoelage alleen wordt toegekend bij voldoende functioneren - is met die bepaling onverenigbaar. Ook de beleidslijn van de MBO Raad kan niet afdoen aan hetgeen in artikel I-12b lid 2 CAO BVE is bepaald.
De werkgever heeft artikel I-12b lid 2 CAO BVE niet juist toegepast.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

15-03-2011

104773 - Geschil over toepassing artikel H-60 CAO-BVE

Werknemer, aanvankelijk benoemd als docent, kampt al vele jaren met hartproblemen als gevolg waarvan hij langdurig arbeidsongeschikt is geweest. Na volledig herstel is hij weer gaan werken als projectleider, schaal 13, binnen twee diensten van het ROC. Na twee negatieve beoordelingen bij één van deze diensten is hij door de werkgever op grond van art. H-60 (herplaatsing in lagere functie t.g.v. disfunctioneren) geplaatst in de functie van docent LC, schaal 11. Om te beoordelen of de werkgever art. H-60 juist heeft toegepast legt de Commissie het begrip disfunctioneren uit. Het begrip disfunctioneren is neutraal, in die zin dat daarvan ook sprake kan zijn indien aan de werknemer geen verwijt kan worden gemaakt. Disfunctioneren is het niet op juiste wijze vervullen van taken of het niet voldoen aan de gestelde functie-eisen. In casu is geen sprake van verwijtbaar handelen door de werknemer, wel van disfunctioneren. De ontstane situatie is gelet op alle omstandigheden op één lijn te stellen met een mislukte/niet goed verlopen re-integratie en niet met een situatie waarop art. H-60 ziet. De werkgever heeft H-60 CAO-BVE niet juist toegepast.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

23-02-2011

104611 - Geschil over de toepassing van artikel H-1 CAO-BVE.

De functie van de werkneemster van docent is gaandeweg van inhoud veranderd en zij heeft een benoeming als loopbaanadviseur gekregen. Deze functie is door de werkgever in de categorie OBP geplaatst. Hierover is nooit overleg met de werkneemster gevoerd.
De werkgever heeft besloten te komen tot een nieuwe functiestructuur en in het nieuwe functiebouwwerk heeft de werkgever een viertal domeinen opgenomen namelijk Management, Onderwijs, Beleid en Advies en Bedrijfsvoering. Binnen deze domeinen heeft de werkgever geen kenbaar verschil gemaakt tussen OBP- en OP-functies. De werkgever heeft geen definities van de categorieën verschaft noch heeft hij de functie-inhoud van de functies op een herleidbare wijze gekoppeld aan OBP- of OP-functies.
Gezien de gevolgen verbonden aan de wijziging van categorie dient deze wijziging aan de betrokken werknemer expliciet voorgelegd te worden. De Commissie vindt voor deze opvatting steun in artikel H-1 CAO-BVE. De Commissie rekent de verandering van de categorie waarin de functie is geplaatst tot een van deze wijzigingen als genoemd in dit artikel. Over de wijziging is echter nooit overleg met de werkneemster gevoerd noch is deze haar expliciet kenbaar gemaakt.
Onder deze omstandigheden kan werkneemster zich tegen de werkgever er op beroepen nog steeds onderdeel uit te maken van de categorie OP.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

17-01-2011

104705 - Geschil over de toepassing van de artikelen E-10 en E-14 CAO BVE

Nadat werkneemster het dienstverband heeft opgezegd in verband met het aanvaarden van een betrekking bij een andere onderwijsinstelling, vordert de werkgever eerder vergoede studiekosten terug. Werkneemster stelt dat de werkgever hiertoe niet gerechtigd is, omdat sprake is van een in opdracht gevolgde opleiding, zoals bedoeld in artikel E-10 CAO BVE en waarnaar artikel E-14 lid 4 verwijst. Het begrip opdracht omvat meer dan een dienstbevel of een door de werkgever opgelegde verplichting waaraan de werknemer zich niet kan of mag onttrekken. Voor het bestaan van een opdracht in de zin van deze bepaling kan reeds sprake zijn indien de werkgever de betreffende opleiding aanbiedt en faciliteert en de te volgen opleiding geschiedt ten behoeve van de reguliere werktaak. In de omstandigheden van dit geval is sprake van een opleiding die in opdracht van de werkgever is gevolgd. De werkgever heeft de artikelen E-10 en E-14 CAO BVE niet juist toegepast.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

17-12-2010

104736 - Geschil over de toepassing van de artikelen H-31 en E-6a lid 1 CAO-BVE

De werkgever heeft besloten tot instelling van een nieuw bestuursbureau. De werknemer krijgt hierbij een verandering van zijn takenpakket opgedragen. Hij meent dat onvoldoende overleg met hem is gepleegd. De Commissie is van oordeel dat de werkgever enerzijds voldoende aan de werknemer heeft duidelijk gemaakt hoe hij diens functioneren beoordeelt en anderzijds dat hij voldoende met de werknemer overleg heeft gepleegd over de voorgenomen veranderingen in de organisatie en de rol van de werknemer hierin. Daarbij heeft de werkgever gezien de kritiek die hij heeft geuit op de leidinggevende capaciteiten van de werknemer, gezien de wenselijkheid van verandering van de organisatie en gezien de inhoud van de resterende werkzaamheden van de werknemer in redelijkheid de desbetreffende werkzaamheden aan de werknemer kunnen opdragen. Voorts concludeert de Commissie dat niet gebleken is dat de werkgever door de wijziging van de functie-inhoud van de werknemer in strijd met artikel E-6a lid 1 CAO-BVE heeft gehandeld. De werkgever heeft de artikelen  H-31 en E-6a lid 1 CAO-BVE niet onjuist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

17-12-2010

104691 - Geschil over de toepassing van artikel F-6 CAO-BVE

Nadat binnen de organisatorische eenheid niet in onderling overleg tot een werkverdeling is gekomen deelt de leidinggevende de werkzaamheden toe en zet het personeel in voor 1000 uur les bij een volledige betrekking. Binnen de organisatie is nog geen nieuw taakbelastingsbeleid afgesproken met de MR. Het systeem van de CAO-BVE ten aanzien van de organisatie van het werk werkt aldus, dat ten aanzien van de verdeling van de werkzaamheden uiteindelijk de leidinggevende het laatste woord heeft als de betrokken werknemers het hierover niet met elkaar eens worden. Uitgaande van dit systeem is het niet houdbaar om te stellen dat, zolang geen instemming van de MR op het vast te stellen taakbelastingsbeleid is verkregen, het oude taakbelastingsbeleid geldt. De instelling komt bij gebreke aan overeenstemming met de MR over taakbelastingsbeleid een zekere mate van beleidsvrijheid toe in de uitvoering van artikel F-6 aanhef en sub b CAO-BVE waarbij bezien dient te worden of deze beleidsvrijheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is ingevuld. Gebleken is dat er sprake is van ongelijkheid tussen afdelingen, maar deze ongelijkheid is te billijken door de gekozen systematiek in de artikelen F-5 en F-6 CAO-BVE. Voorts is niet vastgesteld dat de hantering van een percentage van 20% van de lessentaak voor voorbereiding en nazorg tot een onredelijke taakverzwaring leidt. Ook in meer algemene zin kan deze conclusie niet getrokken worden. De werkgever heeft artikel F-6 aanhef sub b CAO-BVE niet onjuist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

04-11-2010

104474 - Geschil met betrekking tot het toekennen van de bindingstoelage (artikel I-12b CAO-BVE); BVE.

De werknemer stelt niet zozeer de toepassing van artikel I-12b CAO-BVE ter discussie alswel legt hij de vraag voor of de werkgever in redelijkheid tot toepassing van genoemd artikel had kunnen overgaan, zonder een uitzondering voor hem te maken. Voorop staat dat, omdat de werknemer benoemd is in een functie met schaal LB, artikel I-12b CAO-BVE op hem van toepassing is. Door op dit moment geen bindingstoelage aan de werknemer te verstrekken heeft de werkgever genoemd artikel niet onjuist toegepast omdat een bindingstoelage in het geval van een werknemer die in een LB-functie is benoemd pas vijf jaar ná 2009 aan de orde kan zijn. Voor een toepassing van het beginsel der redelijkheid en billijkheid in dit geval acht de Commissie geen aanleiding aanwezig omdat tekst noch strekking van het artikel in de CAO-BVE de Commissie hiervoor ruimte laat. De werkgever heeft artikel I-12b lid 1 CAO-BVE ten opzichte van de werknemer niet onjuist toegepast.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

07-10-2010

104668 - Uitspraak in voorlopige behandeling van het verzoekschrift BVE

De werknemer kaart een geschil aan met betrekking tot het door de werkgever gevoerde taakbeleid in het cursusjaar 2008-2009, alsmede met betrekking tot de vraag of de interne geschillencommissie van de werkgever in de behandeling van een door de werknemer ingediend geschil in 2008 zijn werk adequaat heeft uitgevoerd.
De werknemer is niet meer in dienst van de werkgever zodat een oordeel van de Commissie niet kan leiden tot een andere toepassing in de toekomst van de cao-bepalingen waarvan hij uitleg vraagt. Van een financieel belang dat zou voortvloeien uit een verkeerde toepassing in het verleden van de cao-bepalingen voor de werknemer, is niet gebleken.
De Voorzitter oordeelt dat de Commissie kennelijk niet-bevoegd is het verzoek van de werknemer te behandelen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

17-08-2010

104508 - Geschil over de toepassing van artikel 6 lid 1 ZAR-BVE

Werknemer is arbeidsongeschikt  vanwege werkgerelateerde spanningsklachten. Werkgever wil na een jaar arbeidsongeschiktheid overgaan tot toepassing van een salariskorting. van 30% op het salaris over het ziekteverlof (art. 4 lid 1 ZAR-BVE) . Op grond van artikel 6 lid 1 ZAR-BVE kan deze korting achterwege blijven , namelijk als de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden.
In navolging van de Centrale Raad voor Beroep overweegt de Commissie dat voor de toepassing van artikel 6 lid 1 ZAR-BVE geldt dat naarmate de arbeidsongeschiktheid in sterkere mate van psychische aard is, in meerdere mate sprake moet zijn van factoren die in verhouding tot het werk of de omstandigheden waaronder het werk moet worden verricht, objectief bezien een buitensporig karakter dragen. De langdurige arbeidsongeschiktheid is in overwegende mate het gevolg is van een conflictueuze werkrelatie tussen de werknemer en haar leidinggevende. Reeds de oorzaak van de conflictueuze relatie - communicatieve problemen - duidt op een zekere tweezijdigheid, die niet snel tot de conclusie zal leiden dat de oorzaak in meer dan overwegende mate aan een der betrokkenen kan worden toegerekend. Derhalve staat niet vast dat de werknemer haar werkzaamheden diende te verrichten onder omstandigheden, die objectief beschouwd een buitensporig karakter dragen. De werkgever heeft in redelijkheid de toepassing van artikel 6 lid 1 ZAR-BVE achterwege kunnen laten.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

03-08-2010

104447/104448 - Geschil met betrekking tot de toepassing van artikel F-5 CAO BVE

De werkgever heeft een procedure voor de werkverdeling 2009-2010 vastgesteld. De werknemer heeft van zijn manager zijn persoonlijke inzetplan voor het schooljaar 2009/2010 ontvangen. Werknemer stelt dat de werkgever de in de CAO vastgelegde procedure met betrekking tot de werkverdeling niet heeft nageleefd. Er is geen voorstel uit het team gekomen, maar de teammanager heeft een plan van inzet gepresenteerd waar de teamleden in meerderheid mee hebben ingestemd. Volgens werknemer zouden de kaders van het in het verleden vastgestelde en nooit gewijzigde taakbeleid moeten worden gehanteerd. Dit is eveneens in strijd met artikel H-31 CAO BVE. Gebleken is dat de teammanager overleg heeft gevoerd over de in 2009-2010 te verrichten werkzaamheden. Niet is vast komen te staan dat deze werkzaamheden niet in redelijkheid aan de werknemer konden worden opgedragen aangezien de opgedragen werkzaamheden alle tot de taak van een docent kunnen worden gerekend en in omvang de in artikel F-1 CAO BVE genoemde grenzen niet worden overschreden. Met het voorstel werkverdeling van de teammanager heeft de meerderheid van het team ingestemd waar het dit plan ook bij meerderheid had kunnen afwijzen. De uitkomst is in overeenstemming met hetgeen in de CAO is geregeld, namelijk een door het team vastgesteld werkverdelingsplan. Wat betreft de normering van zijn werkzaamheden heeft de werknemer bezwaar tegen het terugbrengen van het opslagpercentage voor- en nawerk. Deze normering maakt deel uit van het werkverdelingsplan en derhalve van het ter zake genomen teambesluit. Geen onjuiste toepassing van artikel F-5 en volgende CAO BVE.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

22-06-2010

104265 - Geschil over de toepassing van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE

De werkgever kent de werkneemster geen bindingstoelage toe omdat zij niet op alle beoordelingscriteria van de functie positief beoordeeld is en niet alle werkzaamheden die tot de functie van docent behoren, op LC-niveau uitvoert. Dat een voldoende beoordeling van de docent noodzakelijk is, volgt niet uit de tekst van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE. Deze keuze is echter niet ten principale onjuist. De door de werkgever zelf ten behoeve van deze bepaling opgestelde beoordelingssystematiek is niet deugdelijk omdat artikel I-12b lid 2 CAO-BVE geen aanleiding geeft voor een andere wijze van beoordelen van het functioneren dan met toepassing van de op artikel E-4 van de CAO-BVE gebaseerde beoordelingsprocedure. Daarenboven is er geen aanknopingspunt voor de juistheid van de opvatting van de werkgever dat een bindingstoelage als bedoeld in artikel I-12b lid CAO-BVE uitsluitend zou toekomen aan degenen die zijn benoemd in carrièrepatroon LC of LD of LE en aan wie tevens alle bij de desbetreffende functie behorende taken zijn opgedragen. Voorts heeft de werkgever onvoldoende geconcretiseerd dat en waarom werkneemster op de genoemde beoordelingscriteria een onvoldoende heeft gescoord. De werkgever heeft artikel I-12b lid 2 CAO-BVE niet juist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

07-06-2010

104441 - Geschil over de toepassing van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE

De werkgever kent de werknemer geen bindingstoelage toe omdat hij niet op alle beoordelingscriteria van de functie positief beoordeeld is, omdat hij niet alle werkzaamheden die tot de functie van docent behoren, uitvoert. Dat een voldoende beoordeling van de docent noodzakelijk is, volgt niet uit de tekst van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE. Deze keuze is echter niet ten principale onjuist. De door de werkgever zelf ten behoeve van deze bepaling opgestelde beoordelingssystematiek is niet deugdelijk omdat artikel I-12b lid 2 CAO-BVE geen aanleiding geeft voor een andere wijze van beoordeling van het functioneren dan met toepassing van de op artikel E-4 van de CAO-BVE gebaseerde beoordelingsprocedure. Daarenboven is er geen aanknopingspunt voor de juistheid van de opvatting van de werkgever dat een bindingstoelage als bedoeld in artikel I-12b lid CAO BVE uitsluitend zou toekomen aan degenen die zijn benoemd in carrièrepatroon LC of LD of LE en aan wie tevens lesgevende taken zijn opgedragen. Uit de enkele omstandigheid dat de werknemer geen lesgevende taken uitvoert, kan niet worden geconcludeerd dat hij onvoldoende functioneert. De werkgever heeft artikel I-12b lid 2 CAO-BVE niet juist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

07-06-2010

104406 - Geschil over de toepassing van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE

De werkgever heeft de werkneemster, die per 1 augustus met FPU is gegaan, geen bindingstoelage toegekend omdat zij niet in dienst was op 1 augustus 2009. Artikel I-12b lid 5 CAO-BVE geeft aan dat de bindingstoelage jaarlijks in augustus wordt uitgekeerd. Dat de werknemer op 1 augustus in dienst moet zijn is niet in artikel I-12b opgenomen. In de toelichting op artikel I-12b zoals deze toelichting tot september 2009 luidde, is verwoord dat de opbouw van de toelage plaatsvindt van 1 augustus van enig jaar tot 31 juli van het daaropvolgende jaar. Aldus is voor de werkneemster het recht op de bindingstoelage in 2009 ontstaan omdat zij voldeed aan de voorwaarden in artikel I-12b lid 2. Dat in september 2009 de toelichting op artikel I-12b is aangepast en dat daarin is aangegeven dat de werknemer die vóór de peildatum van 1 augustus uit dienst treedt geen recht heeft op de bindingstoelage kan, wat overigens ook de waarde moge zijn van de toelichting ten opzichte van de tekst van de CAO, op het inmiddels voor de werkneemster ontstane recht niet van invloed zijn en kan dit niet veranderen. De werkgever heeft artikel I-12b lid 2 CAO-BVE niet juist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-04-2010

104436 - Geschil over de toepassing van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE

Het feit dat de werknemer op grond van een salarisgarantie bezoldigd wordt volgens een hoger bedrag dan behorend bij zijn LC functie staat niet aan de toepassing van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE in de weg. Daarbij geldt dat de tekst van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE ook de situatie vermeldt van een salaris dat hoger is dan het maximumsalaris van een functie en voorts geen ruimte laat voor de interpretatie van de werkgever waarbij afwijking van het artikel geschiedt op grond van de redelijkheid en billijkheid. De werkgever heeft artikel I-12b lid 2 CAO-BVE derhalve niet juist toegepast door de werknemer de toelage niet toe te kennen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-04-2010

104405 - Geschil over de toepassing van artikel I-12b lid 1 CAO-BVE

De werknemer meent dat het woord "vanaf" in lid 1 ziet op het tijdstip waarop het recht op de bindingstoelage ontstaat, terwijl de werkgever stelt dat "vanaf" gezien moet worden als een startpunt vanaf waar vijf jaar geteld dient te worden voordat toekenning van de bindingstoelage plaats heeft. In het artikel kan geen steun voor de visie van de werknemer gevonden worden. De tekst, mede bezien in samenhang met lid 2 van artikel I-12b dient gelezen te worden op de wijze zoals door de werkgever aangegeven. Aldus ontstaat voor de werknemer recht op de bindingstoelage nadat zij vanaf 1 januari 2009 vijf jaar bezoldigd wordt volgens het maximumsalaris van haar functie tenzij uit een beoordeling blijkt dat er sprake is van onvoldoende functioneren. De werkgever heeft artikel I-12b lid 1 CAO-BVE niet onjuist toegepast.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-04-2010

104401/104402 - Geschil over de toepassing van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE

De werkgever kent de werknemer geen bindingstoelage toe omdat hij niet op alle beoordelingscriteria van de functie positief beoordeeld is en niet alle werkzaamheden die tot de functie van docent behoren uitvoert. Dat een voldoende beoordeling van de docent noodzakelijk is, volgt niet uit de tekst van artikel I-12b lid 2 CAO-BVE. Deze keuze is echter niet ten principale onjuist. De door de werkgever zelf ten behoeve van deze bepaling opgestelde beoordelingssystematiek is niet deugdelijk omdat artikel I-12b lid 2 CAO-BVE geen aanleiding geeft voor een andere wijze van beoordeling van het functioneren dan met toepassing van de op artikel E-4 van de CAO-BVE gebaseerde beoordelingsprocedure. Daarenboven is er geen aanknopingspunt voor de juistheid van de opvatting van de werkgever dat een bindingstoelage als bedoeld in artikel I-12b lid CAO BVE uitsluitend zou toekomen aan degenen die zijn benoemd in carrièrepatroon LC of LD of LE en aan wie tevens lesgevende taken zijn opgedragen. Uit de enkele omstandigheid dat de werknemer geen lesgevende taken uitvoert, kan niet worden geconcludeerd dat hij onvoldoende functioneert. De werkgever heeft artikel I-12b lid 2 CAO-BVE niet juist toegepast. De complete tekst kunt u hier downloaden.

11-01-2010

104281 - Geschil toepassing Sociaal Statuut; BVE

In het kader van een personeelsreductie is de werknemer geplaatst in een mobiliteitspool omdat er binnen zijn vakgebied geen ruimte meer voor hem is. Volgens de werknemer heeft hij voldoende bevoegdheden om vakken binnen de sectie te verzorgen, terwijl van de wel bij de sectie geplaatste docenten nog maar de vraag is of zij voldoende breed inzetbaar zijn. De werkgever stelt dat hij zorgvuldig gehandeld heeft. De Commissie kan de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid door de werkgever slechts marginaal toetsen. De werkgever is bij het nemen van de beslissing om de werknemer niet langer werkzaam te laten zijn binnen de sectie niet buiten de kaders van het Sociaal Statuut getreden. De werknemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkgever in redelijkheid niet de voorkeur heeft kunnen geven aan de wel binnen de sectie gehandhaafde docenten. De werknemer zal binnen de organisatie worden herplaatst. De werkgever heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot plaatsing in de mobiliteitspool.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

07-01-2010

104184 - Geschil over vaststelling salaris i.v.m. HOS-uitzicht verklaring van 1986; BVE

De werkneemster meent vanaf 1 januari 2002 recht te hebben op bezoldiging volgens schaal 12.6. Zij baseert dit op een Herziening Onderwijs Salarisstructuur (Hos)-uitzicht verklaring uit 1986. Het HOS-uitzicht heeft per 1 april 2000 zijn rechtstreekse werking verloren, in die zin dat een verandering die na dit tijdstip optreedt in een functie of salarisschaal van een werknemer niet meer kan leiden tot vaststelling van het salaris zoals dit voor de betrokken werknemer voorheen zou hebben gegolden in de functie die hij op 31 maart 1985 vervulde. De werkgever heeft het salaris van de werkneemster  per 1 augustus 2002 vastgesteld op basis van het voor haar in het voorafgaande schooljaar geldende salaris. Voor toepassing van het HOS overgangsrecht bestond op dat moment geen ruimte meer zodat de werkgever hiermee niet onjuist heeft gehandeld.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

23-12-2009

104218 - Geschil over beëindiging overuren; BVE

Sinds 2000 verrichtte de werknemer op basis van een jaarlijks verlengde tijdelijke benoeming werkzaamheden in overuren. Dit kwam per 1 augustus 2008 te vervallen. Werknemer stelt dat de tijdelijke uitbreidingen niet plotsklaps door de werkgever mochten worden beëindigd. De werkgever stelt dat in het kader van de uitvoering van een Sociaal Plan instellingsbreed is afgesproken alle tijdelijke benoemingen alsmede de overuren te beëindigen. Artikel H-23 CAO-BVE dient te worden aangemerkt als een afwijking van artikel 7:668a lid 1 en 2 BW, welke afwijking op grond van artikel 7:668a lid 5 BW is toegelaten. Derhalve staat vast dat de uitbreiding van het dienstverband met overuren steeds tijdelijk is geweest en telkens na afloop van de overeengekomen periode van rechtswege eindigde. Voorts is er geen rechtsregel op grond waarvan de werkgever bij het van rechtswege eindigen van de uitbreiding aan de werknemer een vergoeding zou dienen toe te kennen. Derhalve heeft de werkgever in redelijkheid toepassing kunnen geven aan artikel H-23 CAO-BVE door geen nieuwe overuren aan te bieden zonder financiële compensatie.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

29-07-2009

104084 - Geschil over de toepassing van art. F-7 en art. E-1 CAO-BVE

Werkneemster verkeerde in de veronderstelling dat de toelichting in de CAO-BVE 2007-2009 betrekking had op het bepaalde in de artikelen F-5, F-6 en F-7 van de CAO-BVE 2007-2009, terwijl de cursieve bepalingen de oude artikelen over het taakbeleid zijn zoals opgenomen in de CAO-BVE 2005-2007 en geldend tot 1 augustus 2008. Dientengevolge is de grondslag van het verzoekschrift, inhoudende dat de werkgever artikel F-7 CAO-BVE 2007-2009 niet juist heeft toegepast vanwege het ontbreken van de op grond van artikel F-7 lid 6 CAO-BVE 2005-2007 vereiste toestemming van de PMR, onjuist. De werkgever heeft artikel F-7 van de CAO-BVE 2007-2009 derhalve niet onjuist toegepast.
Werkneemster mag op grond van artikel F-14 en gezien haar betrekkingsomvang op maximaal acht dagdelen worden ingezet. Gebleken is dat de feitelijke inzet van werkneemster in het schooljaar 2008/2009 niet anders is geweest dan in het voorgaande schooljaar en dat de taakbelasting ook binnen de normen van artikel F-1 en F6 van de CAO-BVE is gebleven voor wat betreft het aantal contact- en lesuren.
De Commissie oordeelt dat de werkgever ten aanzien van de taakbelasting van werkneemster in het schooljaar 2008/2009 geen onjuiste toepassing aan de CAO-BVE 2007-2009 heeft gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

22-06-2009

104000 - Geschil toepassing FPU-suppletieregeling; BVE

De werkneemster maakt aanspraak op de FPU-suppletieregeling op basis van het Sociaal Plan van de instelling.
Werkneemster was werkzaam in één van de branches waarop het Sociaal Plan van toepassing is. De behandeling van de aanvragen van de werknemers om een FPU-suppletieregeling heeft plaatsgevonden op volgorde van binnenkomst bij de herplaatsingscommissie. Toen het verzoek van de werkneemster werd behandeld was de streefformatie van de desbetreffende branches reeds bereikt, zodat een eventueel vertrek van de werkneemster niet zou bijdragen aan het bereiken van deze formatie. Het verzoek van werkneemster is in behandeling genomen en ruim voor de uiterste datum van 1 mei 2008 heeft de werkgever een beslissing op het verzoek genomen. Er was geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging of voorstel van de werkgever aan de werknemer over gebruikmaking van de FPU-suppletieregeling en het vertrek van de werknemer zou niet meer kunnen bijdragen aan het terugdringen van de boventalligheid omdat de streefformatie reeds was bereikt.
Werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan FPU-suppletieregeling gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

18-06-2009

104019 - Geschil toepassing FPU-suppletieregeling; BVE

De werkneemster maakt aanspraak op de FPU-suppletieregeling op basis van het Sociaal Plan van de instelling.
Werkneemster was werkzaam in één van de branches waarop het Sociaal Plan van toepassing is.
De behandeling van de aanvragen van de werknemers om een FPU-suppletieregeling heeft plaatsgevonden op volgorde van binnenkomst bij de herplaatsingscommissie. Toen het verzoek van de werkneemster werd behandeld was de streefformatie van de desbetreffende branches reeds bereikt, zodat een eventueel vertrek van de werkneemster niet zou bijdragen aan het bereiken van deze formatie. Het verzoek van werkneemster is in behandeling genomen en ruim voor de uiterste datum van 1 mei 2008 heeft de werkgever een beslissing op het verzoek genomen. Er was geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging of voorstel van de werkgever aan de werknemer over gebruikmaking van de FPU-suppletieregeling en het vertrek van de werknemer zou niet meer kunnen bijdragen aan het terugdringen van de boventalligheid omdat de streefformatie reeds was bereikt. Daarenboven vervulde werkneemster een specialistische functie die niet direct in te vullen was door docenten uit één van de drie branches waarop het Sociaal Plan van toepassing was.
Werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan FPU-suppletieregeling gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

15-06-2009

104009 - Geschil over toepassing mobiliteitspremie; BVE

De werkneemster maakt aanspraak op toekenning van een mobiliteitspremie op basis van het Sociaal Plan van de instelling. Voor toekenning gold als voorwaarde dat het vertrek van de werknemer zou moeten bijdragen aan het bereiken van de streefformatie en geen bedreiging zou vormen voor de continuïteit van de bedrijfsvoering. In de beslissing staat dat het vertrek van de werknemer geen bijdrage leverde aan het bereiken van de streefformatie. Gebleken is dat werkneemster ten tijde van haar ontslagname niet op de hoogte was van het feit dat de streefformatie toen reeds was bereikt. De aanvragers van een mobiliteitspremie mochten er reeds na het afgeven van de benodigde verklaring door de directeur op vertrouwen dat de mobiliteitspremie zou worden toegekend en aan dit vertrouwen dient te worden tegemoet gekomen, nu de werkneemster niet alleen heeft voldaan aan datgene wat van haar werd verlangd, namelijk ontslag nemen, maar ook omdat de werkgever redelijkerwijze niet van haar kan verlangen om haar ontslag terug te draaien.
De mobiliteitspremie dient daarom alsnog te worden toegekend.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

02-06-2009

104004 - Geschil toekenning mobiliteitspremie; BVE

Sociaal Plan in het kader van reorganisatie gold voor drie branches. Tijdens de eerste fase, die gekenmerkt werd door vrijwilligheid, golden als vertrekbevorderende maatregelen toekenning van een fpu-suppletie of toekenning van een mobiliteitspremie. Werknemer neemt ontslag en verzoekt om mobiliteitspremie. Afwijzing omdat vertrek niet kan bijdragen aan het bereiken van de streefformatie. Streefformatie was reeds bereikt op moment behandeling van het verzoek. Werknemer was daar niet van op de hoogte. De aanvragers van een mobiliteitspremie mochten er reeds na het afgeven van de benodigde verklaring door de branchedirecteur op vertrouwen dat de mobiliteitspremie zou worden toegekend. Aan dit vertrouwen dient te worden tegemoet gekomen nu de werkgever redelijkerwijze niet van werkneemster kan verlangen om dit ontslag terug te draaien.
De werkgever heeft door de mobiliteitspremie te weigeren de bepalingen van het Sociaal Plan niet juist toegepast.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

02-06-2009

103991 - Geschil toekenning fpu-suppletie; BVE

Sociaal Plan in het kader van reorganisatie geldt voor drie branches en behelst maatregelen gericht op bevordering van de interne en externe mobiliteit. Eén van de maatregelen is de mogelijkheid tot vervroegde uittreding met een speciale fpu-regeling. Werknemers uit een andere branche konden uitsluitend aanspraak maken op de maatregelen indien hun vertrek zou bijdragen aan het bereiken van de streefformatie van een branche, waarvoor het Sociaal Plan gold. Hoewel zij in een docentenfunctie is benoemd, verricht de werknemer geen onderwijstaken, maar werkzaamheden in een begeleid wonenproject. Gelet op het niet onderwijsgevend karakter van de werkzaamheden kunnen deze niet op zeer korte termijn door een werknemer van de branches van het Sociaal Plan worden overgenomen. Derhalve is niet aan de voorwaarde voldaan dat het vertrek van de werknemer niet moet leiden tot het ontstaan van een (specialistische) vacature die niet vanuit die branches kan worden vervuld.
De werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan het Sociaal Plan gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

02-06-2009

103990 - Geschil toekenning fpu-suppletie; BVE

Sociaal Plan in verband met reorganisatie. Tijdens de eerste fase, die gekenmerkt werd door vrijwilligheid, golden als vertrekbevorderende maatregelen toekenning van een fpu-suppletie of toekenning van een mobiliteitspremie. Aanvraag suppletie is geweigerd omdat het vertrek niet zou bijdragen aan het bereiken van de streefformatie. Toen het verzoek werd behandeld, was de streefformatie reeds bereikt. Het vertrek zou niet meer kunnen bijdragen aan het terugdringen van de boventalligheid en er was geen sprake van enige onvoorwaardelijke toezegging of voorstel van de werkgever aan de werknemer over gebruikmaking van de suppletieregeling.
Aldus heeft de werkgever geen onjuiste toepassing aan het Sociaal Plan gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

25-05-2009

104013 - Geschil over toekenning mobiliteitspremie; BVE

Werknemer maakt aanspraak op toekenning van een mobiliteitspremie op basis van het Sociaal Plan van de instelling. Werknemer stelt dat hij één van de eerste werknemers was die heeft aangegeven de mobiliteitspremie aan te gaan vragen. Hij vindt het onbegrijpelijk dat zijn aanvraag is afgewezen en dat er collega's uit andere branches zijn die de premie wel toegekend hebben gekregen. De behandeling van de aanvragen van de werknemers om toekenning van een mobiliteitspremie heeft plaatsgevonden op volgorde van binnenkomst bij de herplaatsingscommissie. Deze werkwijze is niet onredelijk. Toen het verzoek van werknemer werd behandeld was de streefformatie reeds bereikt, zodat een eventueel vertrek van hem niet zou bijdragen aan het bereiken van deze formatie. Om deze reden heeft de herplaatsingscommissie op juiste gronden het verzoek van werknemer niet gehonoreerd.
Daarbij is het zo dat werknemer na de afwijzing zijn sollicitaties heeft stopgezet en nog tot 1 maart 2009 bij de werkgever werkzaam is geweest en dat zijn ontslagneming buiten de werking van het Sociaal Plan valt. Niet is gebleken dat de werkgever in afwijking van het Sociaal Plan een toezegging of voorstel heeft gedaan zou hebben gedaan. De werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan het Sociaal Plan gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-05-2009

104008 - Geschil over toekenning mobiliteitspremie; BVE

De werkneemster maakt aanspraak op toekenning van een mobiliteitspremie op basis van het Sociaal Plan van de instelling. De werkneemster stelt dat zij haar verzoek tijdig heeft ingediend, maar dat hij de regeling met terugwerkende kracht heeft stopgezet. De behandeling van de aanvragen van de werknemers om toekenning van een mobiliteitspremie heeft plaatsgevonden op volgorde van binnenkomst bij de herplaatsingscommissie. Deze werkwijze is niet onredelijk, zij het dat de werkgever er goed aan had gedaan om deze werkwijze op een eerder tijdstip aan alle medewerkers kenbaar te maken. Toen het verzoek van de werkneemster werd behandeld was de streefformatie reeds bereikt, zodat een eventueel vertrek van haar niet zou bijdragen aan het bereiken van deze formatie. Om deze reden heeft de herplaatsingscommissie op juiste gronden het verzoek van de werkneemster niet gehonoreerd.
Daarbij is het zo dat de werkneemster nog steeds werkzaam is in haar functie bij de werkgever. Ook om deze reden is niet voldaan aan de in het Sociaal Plan opgenomen voorwaarde dat mobiliteitsbevorderende maatregelen alleen van toepassing zijn indien het vertrek van de medewerker een bijdrage levert aan het bereiken van de streefformatie en dat het vertrek van een medewerker niet moet leiden tot het ontstaan van een (specialistische) vacature die niet kan worden vervuld vanuit de branches waarop het Sociaal Plan van toepassing is.
De werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan het Sociaal Plan gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-05-2009

103969 - Geschil over toepassing FPU suppletieregeling; BVE

De werkneemster maakt aanspraak op de FPU suppletieregeling op basis van het Sociaal Plan van de instelling. Zij stelt dat de werkgever niet heeft gezocht naar een geschikte kandidaat voor de vervulling van haar functie.
De werkneemster verrichtte naast haar administratieve werkzaamheden ook klasse-assistent werkzaamheden. Deze laatste werkzaamheden, die eigenlijk niet tot de functie van werkneemster behoorden, zijn herverdeeld onder de docenten van de opleiding. Voorts is gebleken u dat de resterende uren van de werkneemster zijn vervuld door een nieuwe werknemer die benoemd is als medewerker deelnemersadministratie. Het betreft hierbij niet een medewerker die werkzaam was in een van de branches waarop het Sociaal Plan van toepassing is. Dat de werkgever zich onvoldoende zou hebben ingespannen om te zoeken naar een kandidaat voor vervulling van de vacature van de werkneemster is niet gebleken. Haar vertrek heeft direct noch indirect een bijdrage geleverd aan het verminderen van de boventalligheid van de desbetreffende branches. Onder deze omstandigheden kon zij geen aanspraak maken op de mobiliteitsbevorderende maatregelen uit het Sociaal Plan.
De werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan het Sociaal Plan heeft gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

20-05-2009

104017 - Geschil toekenning ouderschapsverlof CAO; BVE

Een docent vraagt voor zijn drie geadopteerde kinderen ouderschapsverlof aan. Over de aard - betaald of onbetaald - van het verlof voor twee kinderen bestaat verschil van inzicht.
Artikel 1 van paragraaf A van Bijlage L CAO-BVE dient zo uitgelegd te worden dat na inwerkingtreding van dit artikel per 1 augustus 2001 een werknemer recht had op betaald ouderschapsverlof, indien hij na 1 augustus 2001 zijn aanvraag bij de werkgever indiende en het desbetreffende kind ten tijde van die aanvraag nul, één of twee jaar oud was. Voor één kind geldt dat de werkgever wel betaald verlof heeft toegekend terwijl de werknemer hierop geen recht had. Gezien de onduidelijke redactie van het artikel in de CAO-BVE kon van de werknemer niet verwacht worden dat hij begreep dat hij geen recht had. De werkgever heeft de hiermee samenhangende bezoldiging redelijkerwijze niet terug kunnen vorderen. Voor het andere kind geldt dat hiervoor recht op betaald ouderschapsverlof bestond. De werkgever dient alsnog de hiermee samenhangende bezoldiging te betalen.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-05-2009

104018 - Geschil over toepassing mobiliteitspremie; BVE

De werkneemster maakt aanspraak op toekenning van een mobiliteitspremie op basis van het Sociaal Plan van de instelling. Voor toekenning gold als voorwaarde dat het vertrek van de werknemer zou moeten bijdragen aan het bereiken van de streefformatie en geen bedreiging zou vormen voor de continuïteit van de bedrijfsvoering. In de beslissing staat dat het vertrek van de werknemer geen bijdrage leverde aan het bereiken van de streefformatie. Gebleken is dat werkneemster ten tijde van haar ontslagname niet op de hoogte was van het feit dat de streefformatie toen reeds was bereikt. De aanvragers van een mobiliteitspremie mochten er reeds na het afgeven van de benodigde verklaring door de directeur op vertrouwen dat de mobiliteitspremie zou worden toegekend en aan dit vertrouwen dient te worden tegemoet gekomen, nu de werkneemster niet alleen heeft voldaan aan datgene wat van haar werd verlangd, namelijk ontslag nemen, maar ook omdat de werkgever redelijkerwijze niet van haar kan verlangen om haar ontslag terug te draaien.
De mobiliteitspremie dient daarom alsnog te worden toegekend.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

11-05-2009

104012 - Geschil toepassing FPU suppletieregeling; BVE

De werkneemster maakt aanspraak op de FPU suppletieregeling op basis van het Sociaal Plan van de instelling.
Werkneemster was niet werkzaam in één van de branches waarop het Sociaal Plan van toepassing is.
De behandeling van de aanvragen van de werknemers om een FPU-suppletieregeling heeft plaatsgevonden op volgorde van binnenkomst bij de herplaatsingscommissie. Toen het verzoek van de werkneemster werd behandeld was de streefformatie van de desbetreffende branches reeds bereikt, zodat een eventueel vertrek van de werkneemster niet zou bijdragen aan het bereiken van deze formatie. Het verzoek van de werknemer is in behandeling genomen en ruim voor de uiterste datum van 1 mei 2008 heeft de werkgever een beslissing op het verzoek genomen. Er was geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging of voorstel van de werkgever aan de werknemer over gebruikmaking van de FPU suppletieregeling en het vertrek van de werknemer zou niet meer kunnen bijdragen aan het terugdringen van de boventalligheid omdat de streefformatie reeds was bereikt.
Werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan FPU suppletieregeling gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

23-04-2009

103989 - Geschil over FPU suppletie; BVE

Sociaal Plan is opgesteld m.b.t. drie bepaalde branches van de instelling en voorziet in een FPU suppletie, onder voorwaarde dat gebruikmaking van FPU leidt tot vermindering van boventalligheid in de desbetreffende branches. Omdat de werkneemster niet bij één van de branches waarop het Sociaal Plan van toepassing is, werkzaam was, valt zij niet rechtstreeks onder de werking van het Sociaal Plan. Voorts is de vacature van de werkneemster niet opgevuld zodat zij door haar vertrek geen bijdrage levert aan het verminderen van de boventalligheid bij de branches. Dus valt zij ook niet indirect onder de werking van het Sociaal Plan. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is niet gebleken. De werkneemster heeft in haar geschriften geen nadere gegevens over collega's verstrekt en zij heeft pas ter zitting een en ander nader toegelicht. Dit geldt eveneens voor haar stellingen over de toepassing van de hardheidsclausule en het achterwege laten van maatwerk.
De werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan het Sociaal Plan gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

23-04-2009

103983 - Geschil toekenning mobiliteitspremie; BVE

Sociaal Plan is opgesteld m.b.t. drie bepaalde branches van de instelling en voorziet in een mobiliteitspremie voor werknemers, die zelfstandig een dienstverband buiten de werkgever vinden en aldus bijdragen aan het bereiken van de streefformatie in de desbetreffende branches.
De behandeling van de aanvragen om toekenning van een mobiliteitspremie heeft op volgorde van binnenkomst plaatsgevonden. Toen de aanvraag van de werknemer behandeld werd, was de streefformatie reeds bereikt zodat het vertrek van de werknemer niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de streefformatie. De werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan het Sociaal Plan gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

18-02-2009

103956 - Geschil toepassing art. H-75 CAO; BVE

Onderwerp van geschil is welke diensttijd meetelt bij het bepalen van een jubileumgratificatie.Eerst in de CAO-BVE 1996-1998, in werking getreden op 1 augustus 1996, zijn bepalingen opgenomen over de jubileumgratificatie (art. H-71 tot en met H-73). Met ingang van 1 augustus 1996 is het Rpbo niet meer van toepassing voor de BVE-sector. Gezien het tijdstip van invoering van de bepalingen over de jubileumgratificatie en gelet op de verwijzing in die bepalingen naar artikel I-K1 Rpbo, welk besluit op het moment van invoering niet meer van toepassing was voor de BVE-sector, is de Commissie van oordeel dat met het opnemen van deze artikelen in de CAO-BVE is beoogd verworven rechten veilig te stellen. Ook het woord "reeds" in het toenmalige art. H-72 CAO-BVE 1996-1998 - welk artikel gelijkluidend is aan het huidige art. H-75 - impliceert dat de werknemer per 31 juli 1996 in dienst moet zijn van een onderwijsinstelling omdat anders het Rpbo ook niet van toepassing zou zijn geweest. Dientengevolge oordeelt de Commissie dat uit de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling en gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen blijkt dat de laatste volzin van het toenmalige art. H-72 CAO-BVE 1996-1998 en het huidige art. H-75 CAO-BVE 2007-2009 is bedoeld als een overgangsbepaling voor werknemers die op 31 juli 1996 reeds in dienst waren van een onderwijsinstelling én die voor die tijd diensttijd als bedoeld in artikel I-k1 Rpbo hadden opgebouwd. Indien dat het geval is worden die jaren meegeteld als onderwijsdiensttijd. Omdat werkneemster niet op 31 juli 1996 werkzaam was bij een onderwijsinstelling, tellen haar dienstjaren bij het ministerie van Financiën niet mee voor berekening van de diensttijd voor de jubileumgratificatie.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

10-02-2009

103870 - Geschil over de toepassing van art. I-3 CAO; BVE

Werkneemster was docenten en is in 2001 herplaatst in de functie van administratief medewerker. In 2001 is inschaling overeengekomen op schaal 9 regelnr. 6. In geschil is of werkneemster recht heeft op periodieke verhogingen.
Conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient hetgeen door partijen is overeengekomen mede te worden beoordeeld aan de hand van hetgeen partijen tegenover elkaar hebben verklaard en aan de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeengekomen bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In de door partijen overgelegde stukken wordt niet gesproken over het al dan niet toekennen van de jaarlijkse periodieke verhogingen. Aangezien werkneemster is herplaatst in een organieke schaal 5-functie en afgesproken is dat haar werkzaamheden bij wijze van garantie ruim boven het maximum van schaal 5 worden gehonoreerd, ligt het naar het oordeel van de Commissie niet in de rede dat zij mocht verwachten dat zij daarboven nog extra periodieken zou ontvangen. Dit geldt temeer omdat werkneemster anders in de schaal 5 functie van administratief medewerker zelfs een hoger salaris zou ontvangen dan in haar voorgaande functie van docent LC, in welke functie zij reeds het maximum had bereikt. Het had op de weg van werkneemster gelegen om bij het aangaan van de afspraken de periodieke verhogingen tot onderwerp van de onderhandelingen te maken. Nu zij dit heeft nagelaten, mocht zij niet afgaan op de veronderstelling dat de periodieke verhogingen in het voorstel besloten lagen. Uit de voorgestelde salarisgarantie had werkneemster niet meer mogen afleiden dan dat het vastleggen van schaal 9 regelnummer 6 was beoogd als maximum en dat daarmee door de werkgever geen toepassing zou worden gegeven aan het gestelde in artikel I-3 CAO-BVE.
Werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan de CAO-BVE heeft gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-01-2009

103896 - Geschil met betrekking toepassing van de FPU suppletieregeling; BVE

Volgens de werknemer heeft de werkgever hem een voorstel over de FPU suppletieregeling op basis van het Sociaal Plan gedaan, dat door de werknemer is aanvaard. Hierbij is er voor gekozen om de ontslagdatum op 1 april 2008 vast te stellen. Op 28 maart 2008 heeft de werkgever, nadat hij lange tijd niets van zich heeft laten horen, zijn aanbod ingetrokken. Gebleken is dat de behandeling van de aanvragen van de werknemers om een FPU-suppletieregeling heeft plaatsgevonden op volgorde van binnenkomst bij de herplaatsingscommissie. Toen het verzoek van de werknemer werd behandeld was de streefformatie reeds bereikt, zodat dientengevolge een eventueel vertrek van de werknemer niet zou bijdragen aan het bereiken van deze formatie. Niet gebleken is dat de werkgever de werknemer een toezegging of voorstel heeft gedaan dat afwijkt van de geldende schriftelijke regeling. Het verzoek van de werknemer is in behandeling genomen en ruim voor de uiterste datum van 1 mei 2008 heeft de werkgever  een beslissing op het verzoek genomen. Er was geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging of voorstel van de werkgever aan de werknemer over gebruikmaking van de FPU suppletieregeling en het vertrek van de werknemer zou niet meer kunnen bijdragen aan het terugdringen van de boventalligheid omdat de streefformatie reeds was bereikt.Werkgever heeft geen onjuiste toepassing aan FPU suppletieregeling gegeven.
De complete tekst kunt u hier downloaden.

Print pagina