27-11-08

103873 - Geschil opschorting verlof; toepassing art. 6 bijlage R CAO-BVE

Werknemer werd ziek tijdens onbetaald verlof. Werknemer verzocht het onbetaald verlof op te schorten waarop de werkgever het verlof opschortte per datum aanvraag. Werknemer wenst opschorting verlof met terugwerkende kracht tot vier weken na aanvang van de ziekte (artikel 6 bijlage R CAO-BVE). De Commissie overweegt dat het recht tot opschorting van de opname van onbetaald verlof in verband met langdurige ziekte in beginsel alleen voor de toekomst werkt. Daaraan ligt mede ten grondslag dat reïntegratieactiviteiten per definitie niet met terugwerkende kracht kunnen plaatsvinden. Van dit beginsel kan worden afgeweken indien van de werknemer niet kan worden verwacht dat hij onmiddellijk na aanvang of na vier weken van arbeidsongeschiktheid verzoekt om opschorting van het onbetaald verlof. Van dergelijke omstandigheden is in casu niet gebleken. De werkgever heeft in redelijkheid het verzoek kunnen afwijzen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

25-08-08

103709 - Geschil toepassing artikelen E-23, F-5 lid 1 en F-7 lid 4 CAO-BVE

De werknemer is ingezet voor het overnemen van uren van een collega die afwezig was op grond van spaarverlof. De werknemer meent dat eenzijdig is afgeweken van de jaartaakregeling en dat het aantal lesweken eenzijdig verlaagd is onder het toegestane minimum en dat de werkgever heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen als goed werkgever. De werkgever komt een grote mate van beleidsvrijheid voor de vaststelling van het jaartaakbeleid en het handelen als goed werkgever. Het is niet aan de Commissie om de beoordelen of deze beleidsruimte door de werkgever goed wordt benut. De werkgever heeft in een rekenvoorbeeld aan de werknemer willen aantonen dat er wel degelijk nog ruimte in zijn jaartaak was om extra werkzaamheden te verrichten. Hierbij heeft hij geenszins voor ogen gehad eenzijdig de norm van artikel F-7 lid 4 te negeren. Dit zou anders zijn als de werkgever het aantal weken waarin contacturen zouden kunnen worden gegeven eenzijdig zou terugbrengen waarbij dan per lesweek meer dan het volgens artikel F-7 lid 4 CAO-BVE toegestane aantal lesuren door de werknemer gegeven zou moeten worden. Hiervan is in casu geen sprake. De werkgever heeft artikel F-7 lid 4 niet onjuist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

11-07-08

103699 - Geschil toepassing van de artikelen H-19, H-20 en H-31 CAO-BVE

De werkneemster stelt extra uren gewerkt te hebben en wenst deze uren uitbetaald te zien, zoals de werkgever ook volgens haar heeft toegezegd. Daarnaast heeft zij een andere taakinhoud gekregen zonder dat de werkgever hierover met haar overleg heeft gepleegd. Het geschil over de uitbetaling van de uren en een eventuele toezegging van de werkgever hierover, betreft niet de toepassing van de artikelen H-19 en H-20 van de CAO zodat de Commissie niet bevoegd is hierover te oordelen. De werkopdracht is aan de werkneemster gegeven zonder dat over deze specifieke werkzaamheden op enigerlei wijze vooraf overleg is gepleegd tussen partijen. Reeds om deze reden is artikel H-31 CAO-BVE niet juist toegepast. Dit artikel vereist uitdrukkelijk overleg vóór de wijziging van de taakinhoud van een werknemer. Dat de werkgever, zoals hij heeft gesteld, geen contact met de werkneemster kon krijgen, maakt dit niet anders. Het had in dat geval op de weg van de werkgever gelegen, om haar de opdracht te geven om contact op te nemen met de werkgever om overleg te voeren.
De werkgever heeft artikel H-31 niet juist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

09-07-08

103665 - Geschil toepassing artikel 6 ZAR-BVE

De werkneemster stelt dat de werkgever ten onrechte haar salaris gekort heeft wegens ziekte omdat de arbeidsongeschiktheid arbeidsgerelateerd zou zijn. Op grond van de formulering van artikel 6 ZAR-BVE komt de Commissie een beperkte marginale toetsing toe. De korte duur van de werkzaamheden voordat de klachten optraden, het feit dat de werkzaamheden slechts deels computerwerk betroffen waarbij de werkneemster reeds een afwijking aan haar schouder had en de onverklaarde verandering van inzicht bij de bedrijfsarts, gekoppeld aan het ontbreken van een voldoende medische onderbouwing van de werkneemster van het door haar gestelde verband tussen werk en ziekte brengen de Commissie tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat de werkgever niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de ziekte van de werkneemster niet zijn grond vindt in de aan haar opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht.
De werkgever heeft artikel 6 ZAR-BVE niet onjuist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

11-03-08

103609 - Geschil toepassing art. H-32 en H-44 CAO-BVE

Naar het oordeel van de Commissie betreft art. H-32 een gedragsnorm en H-44 een definitie. Een geschil over de vraag of deze gedragsnorm is overschreden en of dit plichtsverzuim oplevert, betreft niet de toepassing van de CAO-BVE. Dit wordt anders, indien de werkgever op grond van zijn mening daarover bepaalde, in de CAO-BVE genoemde, maatregelen neemt. Het schriftelijk voornemen tot het opleggen van een disciplinaire maatregel is derhalve wel een toepassing van de CAO-BVE. Door de intrekking van dat voornemen geeft de werkgever te kennen af te zien van toepassing van de CAO-BVE. Een ingetrokken voornemen kan niet via de weg van art. N-6 CAO-BVE aan de Commissie worden voorgelegd.
Werkgever heeft de CAO niet onjuist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

10-10-07

103458 - Geschil toepassing artikel I-15 CAO-BVE

Geschil over inschaling bij indiensttreding. De werknemer stelt dat hem toezeggingen zijn gedaan, dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van een collega en dat de werkgever een verkeerd loonbegrip bij inschaling heeft gehanteerd. Van rechtens te honoreren toezeggingen is niet gebleken en de vraag of er sprake is van (on)gelijke behandeling kan niet aan de Commissie worden voorgelegd als het gaat om de uitleg van de CAO. De werkgever definieert het "laatstgenoten salaris" als genoemd in artikel I-15 lid 2 CAO-BVE in feite als "bruto-salaris" en hij houdt daarbij geen rekening met enige andere looncomponent. Structurele looncomponenten die in de praktijk algemeen geacht worden te behoren tot het salaris van de werknemer en dus tot de primaire arbeidsvoorwaarden behoren, moeten meegerekend worden. In dit geval moeten het premievrij pensioen, de eindejaarsuitkering en de bijdrage levensloop worden meegerekend bij het laatstgenoten salaris.
De werkgever geeft geen juiste toepassing aan artikel I-15 CAO-BVE.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

23-05-07

103160 - Geschil over werktijdfactor na uitbreiding dienstverband BVE

Geschil artikel I-48 CAO-BVE 2001-2002 over de omvang van de werktijdfactor nadat het dienstverband tijdelijk is uitgebreid met drie lesuren per week. De werkgever stelt dat deze drie uren een werktijdfactor van 0.1085 vertegenwoordigen, de werknemer dat het om 0.1230 fte gaat. De Commissie geeft aan dat een wijziging van het dienstverband bij voorkeur wordt uitgedrukt in een wijziging van de werktijdfactor om vervolgens aan de hand van het taakbeleid vast te stellen welke gevolgen die wijziging heeft voor de te verrichten werkzaamheden. De Commissie hanteert de kaders die in de CAO gesteld en gedefinieerd zijn. Deze bestaan uit de normjaartaak (1659 klokuren), het maximaal per jaar te verzorgen aantal lesuren (823), het aantal werkweken per jaar (45) en de daaruit volgende omvang van een werkweek. Het uitgangspunt van de werkgever om voor het aantal weken per jaar niet aan te sluiten bij F-12 CAO-BVE (45 werkweken per jaar) maar bij het geldende taakbeleid is niet in overeenstemming is met de CAO. Uitbreiding van het dienstverband  met drie lesuren per week heeft een verhoging van de werktijdfactor met 0.1230 fte tot gevolg.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

14-05-07

103447 - Geschil toepassing III-2 BAPO-regeling CAO-BVE

Partijen verschillen van mening over de vermindering van het aantal contacturen in geval van flexibele opname van BAPO-verlof. De werknemer die ervoor kiest BAPO-verlof te sparen, spaart volgens de werknemer tegelijkertijd zijn aanspraak op de vermindering van contacturen uit hoofdstuk III-2 op en kan deze aanspraak ten tijde van het opnemen van BAPO-verlof realiseren. De werkgever stelt daar tegenover dat over gespaarde BAPO-uren geen recht bestaat op vermindering van contacturen. De Commissie overweegt dat ook bij een flexibele invulling van het BAPO-verlof, de omvang van het verlof en de eigen bijdrage worden berekend volgens hoofdstuk III. Gelet op deze systematiek moet worden aangenomen dat III-2, dus ook de vermindering van het aantal contacturen, van toepassing is in geval van flexibele invulling van het verlof. De in III-2 BAPO-regeling beschreven aanspraak op vermindering van contacturen bestaat over het gehele BAPO-recht waarvan de werknemer op enig moment gebruik maakt, ongeacht de wijze waarop het BAPO-recht wordt ingevuld.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

26-09-06

103181 - Geschil toepassing art. E-18 en F-7 CAO-BVE

De Commissie dient te oordelen over de vragen of de werkgever met de werknemer in overleg had moeten treden alvorens stagebegeleiding en het vak MWB aan haar op te dragen; of het vak MWB is aan te merken als nieuw vak als bedoeld in art. E-18 aanhef en onder c CAO-BVE en of er sprake is van een (grove) overschrijding van de deeltijdfactor, met name in de perioden 2 en 3. Het vak MWB is aan te merken als een voor werkneemster nieuw vak dat op grond van art. E-18 aanhef en onder c CAO eerst na overleg kon worden opgedragen. Dit geldt niet voor stagebegeleiding aangezien dit geen lesgevende taak is en stagebegeleiding tot de gebruikelijke taken van de docent behoort. De Commissie kan niet vaststellen of het aantal toegestane contacturen als bedoeld in art. F-7 lid 3 CAO-BVE en de deeltijdfactor worden overschreden. De jaartaakbrief 2005-2006 geeft geen goed beeld van de daadwerkelijke inzet van werkneemster gedurende dat jaar nu de lessen die werkneemster in de toetsweken geeft, daarin niet zijn opgenomen en de contacttijd BPV niet is opgeteld bij de contacttijd per periode.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

09-01-06

102920 - Geschil toepassing van artikel F-7 lid 1 en lid 4 CAO-BVE

Werknemers zijn van oordeel dat de werkgever voor de vaststelling van de jaartaken uitgaat van een onjuist aantal lesweken. Voorts vult de werkgever het begrip coördinatie en beheer volgens hen onjuist in.  De Commissie acht het aannemelijk dat de werkgever heeft beoogd een uitbreiding van het aantal lesweken naar maximaal 38 mogelijk te maken en niet een uitbreiding naar 38 lesweken zonder meer.  Uit artikel F-7 lid 4 valt niet op te maken dat een vermindering van het aantal lesweken in overleg met de (P)MR moet worden vastgesteld. De in een notitie van de werkgever opgenomen norm dat 29% van de contactgebonden uren van de werknemer voor coördinatie en beheer wordt bestemd kan gezien de bewoordingen van de desbetreffende paragraaf, alsmede gezien de toelichting zoals deze door de werkgever zelf in een interne publicatie van 10-06-2003 is gegeven, niet anders worden gelezen dan dat maximaal 29% van de contactgebonden uren voor coördinatie en beheer is bestemd. Van een onjuiste invulling van het begrip coördinatie en beheer is niet gebleken.
De werkgever heeft artikel F-7 CAO-BVE juist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

03-01-06

102952 - Geschil toepassing art. I-12a CAO-BVE 2001-2002

Werkneemster is van oordeel dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met haar (on)betaalde ervaring. Als uitgangspunt kan worden genomen dat de opleiding van de docent wordt afgerond op zijn of haar 23-jarige leeftijd, waarna in de regel relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werkneemster zeventien jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en na haar indiensttreding geen extra periodieken heeft ontvangen, heeft zij op 01-08-2001 een salarisachterstand  van zeventien jaar opgelopen. De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2002, redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek toe te kennen, hetgeen in dit geval vier periodieken oplevert. De door werkneemster opgedane betaalde en onbetaalde ervaring is niet van een zodanige relevantie dat dit reden geeft tot een hogere waardering. De vier periodieken dienen op grond van artikel I-12a lid 4 CAO-BVE echter niet te worden opgeteld bij het minimumloon maar wel binnen het voor de werkneemster geldende carrièrepatroon per 01-08-2001 verstrekt te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

03-01-06

102951 - Geschil toepassing art. I-12a CAO-BVE 2001-2002

De werkneemster is van oordeel dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met haar betaalde ervaring. Als uitgangspunt kan worden genomen dat de opleiding van de docent wordt afgerond op zijn of haar 23 jarige leeftijd, waarna in de regel relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werkneemster veertien jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en na zijn indiensttreding geen extra periodieken heeft ontvangen, heeft zij op 01-08-2001 een salarisachterstand van veertien jaar opgelopen. De door werkneemster opgevoerde betaalde ervaring als doktersassistente en polikliniekassistente welke is opgedaan in de periode tot het aanvaarden van haar dienstverband bij de werkgever heeft geen raakvlakken met een onderwijsfunctie en is niet van een zodanige relevantie dat dit reden geeft tot een hogere waardering. De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2202, redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek toe te kennen, hetgeen in dit geval drie periodieken oplevert. Deze drie periodieken dienen op grond van artikel I-12a lid 4 CAO-BVE echter niet te worden opgeteld bij het minimumloon maar wel binnen het geldende carrièrepatroon per 01-08-2001 verstrekt te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

28-10-05

102944 - Geschil toepassing tijdelijke art. I-12a CAO-BVE

De werkneemster is van oordeel dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met haar (on)betaalde ervaring. Als uitgangspunt kan worden genomen dat in de regel de docent onmiddellijk na het afronden van de opleiding relevant werk in het onderwijs aanvaardt. De werkneemster is echter twee jaar later gaan werken in het onderwijs en heeft een onderbreking van haar dienstverband gekend van twee jaar. Derhalve heeft zij een salarisachterstand van vier jaar. De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2202, redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek toe te kennen, hetgeen in dit geval één periodiek oplevert. De Commissie oordeelt dat de door de werkneemster opgevoerde ervaring  geen reden geeft tot een hogere waardering. Dit sluit echter niet uit dat de werkgever ook andere ervaring mee kan wegen, zoals hij heeft gedaan. Dit het geval zijnde is de Commissie is van oordeel, dat de werkgever met de waardering van de salarisachterstand met twee periodieken tot een passend resultaat is gekomen. De werkgever heeft art. I-12a CAO-BVE juist toegepast. 

De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-10-05

103932 - Geschil toepassing art. X BAPO-regeling CAO-BVE

De werknemer heeft na gebruikmaking van BAPO-verlof inkomsten uit bedrijf gekregen. De werkgever heeft deze inkomsten aangemerkt als nieuwe inkomsten in de zin van de anticumulatieregeling van art. X van de BAPO-regeling en deze integraal gekort op het salaris.
Voor de stelling van werkgever dat het niet de bedoeling is dat een werknemer met BAPO nieuwe werkzaamheden gaat verrichten, is geen steun in de regeling te vinden. Bovendien zou in dat geval de anticumulatieregeling van art. X geen bestaansrecht hebben.
Over de vraag wat onder het begrip inkomsten in artikel X verstaan dient te worden oordeelt de Commissie dat een redelijke uitleg van dit begrip is: inkomsten uit of in verband met arbeid. In het geval van arbeid bestaande uit het voeren van een eigen bedrijf dient onder inkomsten verstaan te worden de omzet minus de gemaakte onkosten voor het realiseren van deze omzet.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-10-05

102898 - Geschil toepassing art. I-15 CAO-BVE 2001-2002

Werkneemster meent dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-15 onvoldoende rekening heeft gehouden met haar (on)betaalde ervaring. Een redelijke, met tekst, doel en strekking overeenkomende, toepassing van artikel I-15 CAO-BVE brengt voor dit geval met zich dat alle tijd welke is gelegen tussen het tijdstip waarop de opleiding van de werkneemster is afgerond c.q. een onderwijskwalificatie is behaald en de eerste indiensttreding in het onderwijs - in casu 22 jaar -  door de werkgever wordt gewogen. Gedurende deze 22 jaar heeft de werkneemster gewerkt als hoofd kwaliteitscontrole cokesproduktie en als aankomend analist. Voorts heeft zij twee jaar gefunctioneerd als schoolassistente in het kader van het ID-project. De werkgever heeft deze laatste twee jaar als relevante ervaring beschouwd en dit vertaald in twee extra periodieken bij indiensttreding van de werkneemster als docent. De Commissie acht dit redelijk. Voorts acht de Commissie het redelijk om voor elke periode van vier jaar gelegen tussen het behalen van de onderwijsbevoegdheid en het in dienst treden bij de werkgever, een periodiek toe te kennen. Derhalve kan de werkneemster aanspraak maken op vijf extra periodieken, hetgeen overeenkomt met de handelwijze van de werkgever. De werkgever heeft art. I-15 correct toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-10-05

102795 - Geschil toepassing tijdelijke art. I-12a CAO-BVE

Werkgever heeft bij de toepassing van art. I-12a CAO-BVE het door de Bve-Raad opgesteld servicedocument als leidraad gebruikt. Toepassing van dit servicedocument leidt in gevallen als deze niet tot een redelijk resultaat noch tot een resultaat dat tegemoet komt aan de strekking van art. I-12a CAO-BVE. Er is op geen enkele wijze rekening gehouden met de door de werkneemster opgevoerde (levens)ervaring zodat de salarisachterstand niet gerechtvaardigd is. Over de mate waarin de salarisachterstand als niet gerechtvaardigd beschouwd kan worden, zijn partijen het eens dat voor de late indiensttreding van de werknemer vijf periodieken dienen te worden toegekend. Deze vijf periodieken dienen op grond van artikel I-12a lid 4 CAO-BVE echter niet te worden opgeteld bij het minimumloon maar wel binnen het geldende carrièrepatroon verstrekt te worden. Art. I-12a CAO-BVE is niet juist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

31-08-05

102874 - Geschil toepassing art. D-10 en I-1 CAO-BVE

Werknemer is benoemd in de functie van systeembeheerder met maximumschaal 6. In het functieboek van de werkgever is de functie van systeembeheerder gewaardeerd op schaal 8. Art. D-12 CAO-BVE staat toe dat de werkgever een functie verstrekt die niet voorkomt in de voorbeeldfuncties van het systeem. Hierover dient echter eerst overleg in de zin van hoofdstuk K CAO-BVE met de Centrales gevoerd te worden. De werkgever heeft aangegeven dat vooruitlopend op een geplande reorganisatie enige veranderingen in het functiebouwwerk zijn aangebracht. De veranderingen in het functiebouwwerk maken onderdeel uit van de reorganisatie en het IGO dient zich hierover nog uit te spreken. Aldus heeft de werkgever naar het oordeel van de Commissie ten aanzien van het invoeren van de functie van de werknemer in strijd met art. D-10 juncto D-12 CAO-BVE en hoofdstuk K CAO-BVE gehandeld.
Gezien de tijdsperiode die de werknemer heeft laten verstrijken, wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld alsnog de kwestie voortvarend aan te pakken en het invoeren van de eigen functie aan het IGO voor te leggen. Wordt geen goedkeuring in het IGO verkregen dan dient de werknemer met terugwerkende kracht tot 16-10-2002 benoemd te worden in de in het functieboek van de werkgever voorkomende functie van systeembeheerder met maximumschaal 8.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

02-05-05

102737 - Geschil toepassing tijdelijk art. I-12a CAO-BVE 2001-2002

Werkgever heeft bij de beoordeling het door de Bve-Raad opgesteld servicedocument als leidraad gebruikt. Toepassing van dit servicedocument leidt in gevallen als deze niet tot een redelijk resultaat, noch tot een resultaat dat tegemoet komt aan de strekking van artikel I-12a CAO-BVE. Er is op geen enkele wijze rekening gehouden met de door de werkneemster opgevoerde (levens)ervaring zodat de salarisachterstand niet gerechtvaardigd is. Over de mate waarin de salarisachterstand als niet gerechtvaardigd beschouwd kan worden, zijn partijen het eens dat voor de late indiensttreding van de werknemer twee periodieken dienen te worden toegekend. Deze twee periodieken dienen op grond van artikel I-12a lid 4 CAO-BVE echter niet te worden opgeteld bij het minimumloon maar wel binnen het geldende carrièrepatroon verstrekt te worden. Art. I-12 a niet juist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

25-02-05

102713 - Geschil toepassing van de art. E-10 en E-11 CAO-BVE

Het verzoek van de werknemer om niet genoten studieverlof om te zetten in een vergoeding in geld, si door de werkgever afgewezen. De werknemer stelt recht te hebben op een dergelijke compensatie. In art. E-10 noch in art. E-11 wordt een regeling getroffen voor het compenseren van niet-genoten studieverlof. Ook voor het overige is niet gebleken dat artikelen van de CAO-BVE aanknopingspunten bieden voor compensatie van niet-genoten studieverlof. Derhalve bestaat op grond van de CAO-BVE voor de werknemer geen recht op compensatie van niet genoten studieverlof in de vorm van geld. De vraag of de werkgever een toezegging aan de werknemer heeft gedaan valt buiten het toetsingskader van de Commissie.  Van de beweerde ongelijke behandeling van de werknemer ten opzichte van zijn collega's is niet gebleken. De werkgever heeft bij toepassing van de art. E-10 en E-11 CAO-BVE in redelijkheid kunnen beslissen geen compensatie voor niet-genoten studieverlof in de vorm van geld te verlenen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

24-11-04

102694 - Geschil toepassing tijdelijke art. I-12a CAO-BVE 2001-2002.

De werknemer is van oordeel dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn (on)betaalde ervaring.
De werkgever heeft bij de beoordeling van het verzoek een door de Bve-Raad opgesteld servicedocument als leidraad gebruikt. De Commissie oordeelt dat toepassing van dit servicedocument in gevallen als deze niet leidt tot een redelijk resultaat, noch tot een resultaat dat tegemoet komt aan de strekking van artikel I-12a CAO-BVE. In casu is op geen enkele wijze rekening gehouden met de door de werknemer opgevoerde (levens)ervaring zodat de salarisachterstand volgens de Commissie niet gerechtvaardigd is. Over de mate waarin de salarisachterstand als niet gerechtvaardigd beschouwd kan worden, overweegt de Commissie dat partijen het eens zijn over het feit dat voor de late indiensttreding van de werknemer per 01-08-2001 vier periodieken dienen te worden toegekend. De Commissie komt dit aantal periodieken, mede gezien de door werknemer opgevoerde ervaring, als niet onredelijk voor. Deze vijf periodieken dienen echter op grond van artikel I-12a lid 4 CAO-BVE binnen het voor de werknemer geldende carrièrepatroon per 01-08-2001 verstrekt te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

24-11-04

102659 - Geschil toepassing tijdelijke art. I-12a CAO-BVE 2001-2002

De werknemer is van oordeel dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn (on)betaalde ervaring. De werkgever heeft het door de Bve Raad opgestelde servicedocument gevolgd, dat naar het oordeel van de Commissie niet tot een redelijk resultaat leidt, noch tot een resultaat dat tegemoet komt aan de tekst en strekking van art. I-12a CAO-BVE. De Commissie neemt als uitgangspunt dat de opleiding van de docent wordt afgerond op zijn of haar 23-jarige leeftijd, waarna in de regel relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werknemer twintig jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en na indiensttreding geen extra periodieken heeft ontvangen,heeft zij op 01-08-2001 een salarisachterstand opgelopen. De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2002, redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek toe te kennen, hetgeen in dit geval vijf periodieken oplevert. De salarisachterstand van de werkneemster dient per 01-08-2001 met vijf periodieken verkleind dient te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

24-11-04

102585 - Geschil met betrekking tot de toepassing van de artikelen H-11 c en H-12 a CAO-BVE

De werknemer heeft twee opvolgende arbeidsovereenkomsten gehad, op grond van onbevoegdheid om onderwijs te geven en wegens eerste indiensttreding. De werknemer is tijdens de loop van het eerste contract bevoegd geworden en stelt dat het dienstverband op dat omgezet had dienen de worden in een dienstverband voor onbepaalde tijd. In het contract is niet voorzien dat in een dergelijk geval het dienstverband omgezet zou worden in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Derhalve moet er vanuit worden gegaan dat partijen niet beoogd hebben aan het behalen van deze kwalificatie de consequentie van omzetting van de aard van het dienstverband te verbinden. Het dienstverband is niet omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Voor de tweede arbeidsovereenkomst geldt dat artikel H-12 a CAO-BVE niet anders kan worden gelezen dan dat slechts bij de eerste maal dat een werknemer bij een werkgever in een bepaalde functie in dienst treedt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op grond van dit artikel kan worden aangegaan. Nu er ook geen andere reden is op grond waarvan aan de arbeidsovereenkomst een tijdelijk karakter dient toe te komen, daarbij in achtnemend artikel H-8 CAO-BVE is sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd. De tijdelijke uitbreidingen van het dienstverband zijn niet in strijd met artikel H-19 CAO-BVE verstrekt. Om te bepalen of een tijdelijke uitbreiding is toegestaan is niet van belang is wat de feitelijke aard van deze werkzaamheden is doch slechts de - maximale - duur van de uitbreiding en/of het - maximale - aantal uitbreidingen dat is toegestaan.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

15-11-04

102631 - Geschil toepassing tijdelijk artikel I-12a CAO-BVE 2001-2002

Werknemer meent dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn betaalde ervaring. De Commissie neemt als uitgangspunt dat in de regel onmiddellijk na afronding van de gevolgde opleiding relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werknemer zeven jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en sinds indiensttreding geen extra periodieken heeft ontvangen heeft hij op 01-08-2001 een salarisachterstand opgelopen. De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2002, redelijk voor elke periode van vier jaar gelegen tussen het behalen van de onderwijsbevoegdheid en het in dienst treden bij de werkgever een periodiek toe te kennen. Gezien de relevantie van de opgedane ervaring vindt rekenkundig afronding naar boven plaats zodat de salarisachterstand van de werknemer met twee periodieken verkleind dient te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

02-11-04

102601 - Geschil toepassing tijdelijk artikel I-12a CAO-BVE 2001-2002

De werknemer is van oordeel dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn betaalde ervaring. De Commissie neemt als uitgangspunt dat de opleiding van de docent wordt afgerond op zijn of haar 23-jarige leeftijd, waarna in de regel relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werknemer acht jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en na zijn indiensttreding één extra periodiek heeft ontvangen heeft zij op 01-08-2001 een salarisachterstand opgelopen. De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2002, redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek toe te kennen, hetgeen in dit geval twee periodieken oplevert. Voorts acht de Commissie het redelijk om de door de werkneemster opgevoerde relevante werkervaring welke zij heeft opgedaan in een dienstverband van een half jaar in het onderwijs te waarderen met één periodiek. De salarisachterstand van de werkneemster dient met drie periodieken verkleind dient te worden. Omdat echter aan haar na indiensttreding bij de werkgever reeds één extra periodiek is verstrekt, dient de werkgever de salarisachterstand per 01-08-2001 te verkleinen met twee periodieken.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

11-10-04

102523 - Geschil toepassing tijdelijke artikel I-12a CAO-BVE

Werkneemster stelt laat in het onderwijs te zijn ingetreden waardoor een salarisachterstand is ontstaan. Zij is van oordeel dat de werkgever daar bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening mee heeft gehouden. De Commissie neemt als uitgangspunt dat de opleiding van de docent wordt afgerond op zijn of haar 23-jarige leeftijd, waarna in de regel relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werkneemster dertien jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en na indiensttreding een beperkt aantal extra periodieken heeft ontvangen, heeft zij op 01-08-2001 een salarisachterstand opgelopen. De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2002, redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek toe te kennen, hetgeen in dit geval drie periodieken oplevert. Voorts heeft de werkneemster gedurende drie jaar een cursus verzorgd in Florence waar zij 1 dag per week promovendi onderwijs gaf in de Nederlandse Taal en Cultuur. De Commissie acht deze ervaring relevant en waardeert deze met één periodiek. De salarisachterstand van de werkneemster is echter reeds met twee periodieken verkleind bij indiensttreding en met drie extra periodieken gedurende het dienstverband bij de werkgever. Derhalve is er op 01-08-2001 geen sprake van een ongerechtvaardigde salarisachterstand, zodat de uitkomst van de toepassing van de werkgever van artikel I-12a CAO-BVE als juist beoordeeld dient te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-09-04

102548 - Geschil toepassing tijdelijke artikel I-12a CAO-BVE

De werknemer is van oordeel dat de werkgever bij de toepassing van artikel I-12a onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn betaalde ervaring. Als uitgangspunt kan worden genomen dat de opleiding van de docent wordt afgerond op zijn of haar 23 jarige leeftijd, waarna in de regel relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werknemer acht jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en na zijn indiensttreding geen extra periodieken heeft ontvangen heeft hij op 01-08-2001 een salarisachterstand opgelopen. De Commissie acht het,  analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2202, redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek toe te kennen, hetgeen in dit geval twee periodieken oplevert.  De periode van twee jaar die de werknemer heeft gewerkt bij een taleninstituut betrof werkzaamheden van wisselende omvang en NT2 onderwijs. De Commissie acht deze ervaring relevant en waardeert deze met één periodiek. De salarisachterstand van de werknemer is echter reeds voldoende verkleind bij indiensttreding bij de werkgever. Derhalve is er op 01-08-2001 geen sprake van een ongerechtvaardigde salaris achterstand, zodat de uitkomst van de toepassing van de werkgever van artikel I-12a CAO-BVE als juist beoordeeld dient te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

21-09-04

102546 - Geschil toepassing tijdelijke artikel I-12a CAO-BVE

De werknemer is van oordeel dat de werkgever artikel I-12a CAO-BVE niet juist heeft toegepast door zijn betaalde en niet-betaalde ervaring als docent in Turkije niet te betrekken bij de toepassing van artikel I-12a CAO-BVE.
Als uitgangspunt kan worden genomen dat de opleiding van de docent wordt afgerond op zijn of haar 23 jarige leeftijd, waarna in de regel relevant werk in het onderwijs wordt aanvaard. Nu de werknemer vier jaar later dan gebruikelijk als docent werkzaam is geworden in het onderwijs en na zijn indiensttreding geen extra periodieken heeft ontvangen heeft hij op 01-08-2001 een salarisachterstand van vier jaar opgelopen.
De Commissie acht het, analoog aan artikel I-23 CAO-BVE 2001-2202, redelijk voor elke periode van vier jaar gelegen tussen het 23ste jaar en het in dienst treden in het onderwijs een periodiek toe te kennen, hetgeen in het geval van de werknemer één periodiek oplevert.
Omdat de werknemer bij indiensttreding bij de werkgever reeds één extra periodiek is verstrekt is de conclusie dat de werknemer een salarisachterstand in de zin van artikel I-12a lid 2 CAO-BVE heeft opgelopen maar dat deze reeds verkleind is met één periodiek en dus niet als ongerechtvaardigd beschouwd kan worden zodat de uitkomst van de toepassing van art. I-12a CAO-BVE als juist beoordeeld dient te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

27-05-04

102443 - Geschil toepassing van artikel I-12a CAO-BVE

De werkgever heeft voor de toepassing van artikel I-12a slechts de periode meegeteld waarin de werkneemster geen dienstverband had en zorg droeg voor haar kinderen, zij het totdat deze de leeftijd van 12 jaar hadden bereikt. De werkgever heeft deze periode gesteld op 13,3 jaar.
Voor deze uitleg van de tekst is noch in de systematiek, noch in de strekking of totstandkoming van deze bepaling, steun te vinden. Een redelijke, met het doel en de strekking overeenkomende, toepassing van artikel I-12a CAO-BVE brengt met zich dat alle tijd welke is gelegen tussen het tijdstip waarop in de regel de opleiding wordt afgerond c.q. een onderwijskwalificatie wordt behaald en de eerste indiensttreding in het onderwijs alsmede alle tijd welke is gelegen tussen vervulde dienstverbanden in het onderwijs, door de werkgever wordt gewogen.
De werkneemster heeft haar opleiding afgerond in 1979 en is in dienst getreden bij de werkgever in het jaar 2001. Derhalve dient een periode van 22 jaar door de werkgever te worden gewogen. Van deze 22 jaar dienen de bij de inschaling reeds meegewogen twee jaren waarin een onderwijsbetrekking is vervuld, afgetrokken te worden zodat een periode van twintig jaar resteert. De Commissie acht het redelijk voor elke periode van vier jaar een periodiek aan de werkneemster toe te kennen, hetgeen in haar geval vijf periodieken oplevert.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

18-05-04

102496 - Geschil toepassing overeenkomst m.b.t. gevolgen interne herplaatsing

Werknemer is bij de werkgever een andere, lager gewaardeerde, functie gaan vervullen met behoud van rechtspositie. Daarbij is afgesproken dat de werknemer per 01-01-2005 gebruik zal maken van de FPU. Artikel 6 van de ter zake gesloten overeenkomst houdt in dat in het  geval zich omstandigheden voordoen waarin de overeenkomst niet mocht voorzien, partijen onverwijld in overleg treden teneinde een aanvullende regeling te treffen. De FPU is na het sluiten van de overeenkomst veranderd in die zin dat het voor de werknemer mogelijk is om een gunstigere uitkering te verkrijgen als hij op een later tijdstip dan afgesproken met FPU gaat. Hij verzoekt de werkgever hem dit toe te staan maar deze weigert. De werknemer meent dat artikel 6 inhoudt dat de werkgever hem nu op een later tijdstip moet laten uittreden.
De Commissie overweegt dat er sprake is van een onvoorziene omstandigheid, maar dat de wijziging zoals door de werknemer voorgesteld nadelig zou zijn voor de werkgever, terwijl de werknemer bij handhaving van de overeengekomen regeling niet in een nadeliger positie zou komen te verkeren dan bij vaststelling van de overeenkomst was beoogd.
Derhalve kan de werknemer niet in redelijkheid van de werkgever verlangen dat hij het dienstverband ook na 01-01-2005 voortzet.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

De werkgever heeft artikel 6 van de overeenkomst correct toegepast.

18-05-04

102459 - Geschil toepassing tijdelijke artikel I-12a CAO-BVE

De werkneemster claimt door een late indiensttreding een salarisachterstand te hebben opgelopen welke hersteld dient te worden op grond van het tot 01-01-2003 geldende artikel I-12a CAO-BVE. De werkgever heeft bij de beoordeling van het verzoek een door de BVE-Raad opgesteld servicedocument als leidraad gebruikt. Wat er ook zij van de systematiek van het servicedocument, de Commissie is gebleken dat de werkneemster reeds eerder een betrekking in het onderwijs heeft vervuld zodat geen sprake is van een late indiensttreding maar van een onderbroken onderwijsdienstverband.
De werkgever heeft niet dan wel onvoldoende betwist dat de werkneemster negen jaar ervaring heeft opgedaan in het middelbaar onderwijs in Marokko en dat de in Marokko verrichte werkzaamheden relevante ervaring betreffen. Dit leidt tot de conclusie dat aan de werkneemster negen periodieken wegens opgedane relevante betaalde ervaring verstrekt dienen te worden. Voorts oordeelt de Commissie dat de door de werkneemster opgedane levenservaring alsmede vervulde zorgjaren sinds haar afstuderen op 17-09-1984 tot 01-03-1999 (buiten de genoemde periodes waarin zij in Marokko lesgaf) naar redelijkheid gewaardeerd dienen te worden met één periodiek.
De werkgever dient de salarisachterstand van de werkneemster per 01-08-2001 te verkleinen met tien periodieken.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

30-03-04

102466 - Geschil over de toepassing van artikel I-12a.

De werknemer claimt door een late indiensttreding een salarisachterstand te hebben opgelopen welke hersteld dient te worden op grond van het tot 01-01-2003 geldende artikel I-12a CAO-BVE. De werkgever heeft bij de beoordeling van het verzoek een door de BVE-Raad opgesteld servicedocument als leidraad gebruikt. De Commissie oordeelt dat toepassing van dit servicedocument in gevallen als deze niet leidt tot een redelijk resultaat, noch tot een resultaat dat tegemoet komt aan de strekking van artikel I-12a CAO-BVE. In casu is op geen enkele wijze rekening gehouden met de door de werknemer opgevoerde (levens)ervaring zodat de salarisachterstand volgens de Commissie niet gerechtvaardigd is.
Voor wat betreft de mate waarin de salarisachterstand als niet gerechtvaardigd beschouwd kan worden overweegt de Commissie vervolgens dat partijen het eens zijn over het feit dat voor de late indiensttreding van de werknemer vijf periodieken dienen te worden toegekend. De Commissie komt dit aantal periodieken, mede gezien de door werknemer opgevoerde ervaring, als niet onredelijk voor. Deze vijf periodieken dienen echter op grond van artikel I-12a lid 4 CAO-BVE binnen het voor de werknemer geldende carrièrepatroon per 01-08-2001 verstrekt te worden.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

30-03-04

104262 - Geschil toepassing artikel I-12a CAO-BVE

De werknemer heeft drie en een half jaar zorgverlof genoten en meent dat zij een ongerechtvaardigde salarisachterstand heeft opgelopen die door de werkgever hersteld dient te worden. De werkgever meent dat van een salarisachterstand geen sprake is.
De Commissie oordeelt dat sprake is van een salarisachterstand.
Sinds een wijziging van het rechtspositiebesluit in 1994 leidt een onderbreking van het dienstverband met drie jaar tot toekenning van een periodiek. De Commissie is van oordeel dat naar de thans bestaande inzichten de salarisachterstand die de werknemer heeft opgelopen als niet gerechtvaardigd beschouwd moet worden. Als gevolg hiervan dient de werkgever de ten gevolge van de onderbreking van drie en een half jaar ontstane salarisachterstand te verkleinen met een periodiek.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

11-03-04

102465 - Geschil toepassing artikel I-12a CAO-BVE

De werknemer stelt dat hij een salarisachterstand heeft opgelopen: hij heeft op 42-jarige leeftijd nog niet het maximumbedrag in zijn salarisschaal en er is bovendien sprake van een late indiensttreding waarbij hij relevante ervaring heeft opgedaan.

De Commissie oordeelt dat zelfs als er sprake is van een salarisachterstand, deze in redelijkheid als gerechtvaardigd beschouwd kan worden.
Artikel I-12a bepaalt dat de beoordeling in welke mate een eventuele salarisachterstand gerechtvaardigd is, afhangt van de (on)betaalde ervaring van betrokkene op het moment van indiensttreding. De werknemer is in het jaar 1992 in het onderwijs gaan werken als conciërge, waarna hij in 1994 is benoemd als docent. Hiervóór had hij gewerkt als zelfstandig ondernemer in een computergroothandel en had hij verschillende werkzaamheden als uitzendkracht verricht. Hiermee heeft de werknemer naar het oordeel van de Commissie geen betaalde relevante ervaring opgedaan, welke een verkleining van een eventuele salarisachterstand zou rechtvaardigen.
Voorts heeft de werknemer geen relevante onbetaalde ervaring, anders dan algemene levenservaring,  opgevoerd en is de Commissie daarvan overigens ook niet gebleken, zodat hieruit ook geen consequenties voor de toepassing van artikel I-12a kunnen voortvloeien.
Dat de werknemer ná indiensttreding bij de werkgever relevante ervaring heeft opgedaan, is niet van belang omdat op grond van artikel I-12a lid 3 slechts ervaring meetelt die is opgedaan vóór de indiensttreding bij de werkgever in het onderwijs.
De werkgever heeft artikel I-12a juist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

11-03-04

102410 – Geschil toepassing artikel H-17 CAO-BVE

De werknemer heeft meer dan zes opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten met de werkgever gesloten in verband met overuren.
Hij is van oordeel dat artikel H-17 CAO-BVE inhoudt dat ten hoogste zes arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden aangegaan, zodat wanneer dit aantal wordt overschreden, sprake is van een voor onbepaalde tijd aangegane overeenkomst.
Op grond van artikel H-23 eerste volzin van de CAO-BVE kunnen werkzaamheden in overuren slechts voor de duur van één jaar worden overeengekomen. Artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek regelt de maximale duur van (opeenvolgende) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Daarbij wordt in lid 5 van dit artikel aangegeven dat bij CAO van deze geregelde maximale duur kan worden afgeweken ten nadele van de werknemer. Dit is in de CAO-BVE gebeurd: in de tweede volzin van artikel H-23 CAO-BVE wordt bepaald dat werkgever en werknemer kunnen overeenkomen dat de termijn van een jaar, bij werkzaamheden in overuren, wordt verlengd, dit voor telkens ten hoogste één jaar. Hiermee geeft de CAO naar het oordeel van de Commissie aan, dat overuren voor een onbeperkt aantal malen in tijdelijke dienst vervuld kunnen worden. Artikel H-23 van de CAO sluit uit dat overuren in vaste dienst vervuld worden.
De werkgever heeft op grond van artikel H-17 CAO-BVE wederom een tijdelijk dienstverband aan de werknemer kunnen verstrekken.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

06-10-03

102327 - Geschil over de toepassing art. I-11 en I-16 CAO-BVE

De werknemer heeft in een cursusjaar een functie met een hogere maximumschaal geaccepteerd. Hij is van mening dat toepassing van art. I-11 en I-16 moet leiden tot een inschaling waarin een zogeheten promotieperiodiek is verwerkt.
De Commissie is van oordeel dat art. I-11 en I-16 niet cumulatief werken. Art. I-11 ziet toe op de situatie dat bij een salarisinpassing het salarisbedrag in de oude salarisschaal niet terug te vinden is in de nieuwe salarisschaal. In dat geval vindt inschaling op het naast hogere bedrag plaats. Art. I-16 gaat uit van inpassing op het naast hogere bedrag. Derhalve strekt de werking van art. I-11 zich niet uit over art. I-16.
Voorts is in art. I-16 geen sprake van het toekennen van een periodiek. Het artikel kan naar het oordeel van de Commissie niet anders worden uitgelegd dan dat inpassing plaatsvindt op een, ten opzichte van de vorige salarisschaal, hoger bedrag, niet noodzakelijkerwijs overeenkomend met het gehele bedrag van een periodiek. De werkgever heeft de artikelen I-11 en I-16 CAO-BVE juist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

16-09-03

102313 - Geschil omtrent de toepassing van artikel I-12a CAO-BVE

De werknemer claimt een salarisachterstand te hebben welke hersteld kan worden op grond van het tot 01-01-2003 geldende artikel I-12a CAO-BVE. Zij heeft enige tijd buiten het onderwijs gewerkt en is vervolgens na een lange periode in het onderwijs gaan werken. De werkgever en de werknemer zijn het eens over het feit dat de werknemer recht heeft op zes periodieken. De werknemer meent dat deze binnen haar huidige carrièrepatroon gegeven moeten worden terwijl de werkgever de periodieken in het oude salarispatroon wenst te geven.

De Commissie hanteert bij verzoeken als het onderhavige een door de werkgeversorganisatie opgesteld servicedocument. Dit servicedocument betrekt in de beoordeling of er sprake is van een salarisachterstand echter niet de - relevantie van de - opgedane ervaring. Louter op grond van salarisgegevens en duur van de loopbaanonderbreking wordt beoordeeld of een aantal extra periodieken aan de betrokken werknemer dient te worden gegeven.
Gevolg van deze systematiek is dat indien een combinatie optreedt van loopbaanonderbreking en opgedane onbetaalde ervaring, zoals in casu het geval is,  de werkgever hiermee geen rekening kan houden. De Commissie is van oordeel dat het servicedocument op dit punt onvoldoende ruimte biedt en acht dit niet redelijk. Daarenboven leidt de toepassing van het servicedocument in het geval van de werknemer ertoe dat een – fictieve - inschaling wordt bereikt die lager is dan de daadwerkelijke inschaling op 01-08-2001. De Commissie oordeelt dat het servicedocument op dit punt niet tot een toepassing van artikel I-12a CAO-BVE heeft geleid welke strookt met de aard en inhoud van de overige artikelen in hoofdstuk I van de CAO-BVE.
De periodieken dienen in dit geval te worden toegekend binnen het huidige geldende carrièrepatroon.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

28-08-03

102287 - Geschil toepassing mobiliteitsbevorderende maatregel

De werkgever heeft in overleg met de centrales enige mobiliteitsbevorderende maatregelen genomen. Een werknemer kon bij vrijwillig vertrek een bonus krijgen, naar rato van de betrekkingsomvang, indien hij/zij vrijwillig ontslag nam in de periode 01-04-2002 tot 01-08-2002.
Aan het verkrijgen van de vertrekbonus waren twee voorwaarden verbonden, waarvan de tweede in het geding is: - "Het vertrek leidt niet tot een vacature, doch wordt instellingsbreed intern vervuld." De positie van de vertrokken medewerker is opgevuld door een boventallige, maar deze medewerker liet een vacature achter. De werkgever meent dat daardoor niet is voldaan aan de voorwaarde. De Commissie is van oordeel dat de stelling van de werkgever niet wordt ondersteund door de tekst van de regeling. Deze refereert uitsluitend aan het ROC-breed invullen van de achtergelaten vacature. De werknemer heeft naar het oordeel van de Commissie niet behoeven te begrijpen dat de regeling met de door de werkgever opgevoerde bedoeling is opgesteld, dit temeer nu de positie van de werknemer werd ingenomen door een boventallig personeelslid. Voor zover de regeling op dit punt onduidelijk is vanwege de blijkbaar bij de werkgever levende gedachten over de interpretatie hiervan, is de Commissie van oordeel dat deze onduidelijkheid aan de werkgever valt toe te rekenen en niet ten nadele van de werknemer mag worden uitgelegd. De werknemer dient in aanmerking te komen voor de bonus.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

30-06-03

102175 - Geschil omtrent toepassing sociaal plan

De werknemer heeft bij overgang naar andere werkgever een toelage gekregen ter opvang van salarisverschil. De werknemer meent dat deze toelage onvoorwaardelijk en voor onbepaalde tijd is verleend. Voorts zijn andere werknemers die niet voor de toelage hebben gekozen maar voor een afkoopsom beter af, zodat volgens werknemer ook sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De Commissie oordeelt dat het Sociaal Plan geen aanknopingspunt biedt voor de visie van de werknemer. Artikel 11 lid 3 van het Sociaal Plan geeft aan dat verschillen in inkomen welke zijn ontstaan worden gecompenseerd in de vorm van een toelage. Dit betekent dat indien de verschillen in inkomen kleiner worden, bijvoorbeeld omdat het inkomen in de nieuwe betrekking stijgt, de toelage evenredig verminderd dient te worden, nu immers een kleiner verschil gecompenseerd dient te worden. Dat de werknemer hiervan eveneens is uitgegaan blijkt uit het feit dat de verlaging van de toelage op een eerder tijdstip ter gelegenheid van de inpassing in een andere salarisschaal, door de werknemer indertijd is aanvaard en ook thans niet wordt betwist. Dat sprake zou zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is volgens de Commissie niet gebleken. Vanwege de financiële gevolgen van de inpassing heeft de werkgever er in tweede instantie voor gekozen om werknemers in te passen in de naast hoger gelegen schaal in de regel dan wel in de naast lager gelegen regel. Vanwege de verschillen die ten grondslag liggen aan dit onderscheid kan niet gesproken worden van gelijke gevallen zodat de werkgever hierin niet onrechtmatig heeft gehandeld. De werkgever heeft het Sociaal Plan juist toegepast.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

03-06-03

102263 - Geschil toepassing artikelen E-14, G-3 lid 1 sub 3 en H-29 van de CAO-BVE

Strekking van het verzoek is te bewerkstelligen dat de beslisisng om verzoekster over te plaatsen van een MBO-locatie naar een VMBO-locatie ongedaan gemaakt wordt en dat aan verzoekster ander passend werk wordt opgedragen. De door verzoekster aangehaalde artikelen uit de CAO-BVE zijn niet tussen partijen ter discussie, nu de werkgever de inhoud van deze bepalingen ook onderschrijft. De Commissie vermag voorts niet in te zien dat het geven van een oordeel omtrent de inhoud en/of interpretatie van deze artikelen leidt tot het ongedaan maken van de bestreden beslissing tot overplaatsing. Dientengevolge is er geen sprake van een geschil als bedoeld in artikel N-6 van de CAO-BVE. Ook hebben partijen het geschil niet met beider goedvinden als bedoeld in artikel N-7 van de CAO-BVE, aan de Commissie voorgelegd.
Verzoek niet-ontvankelijk.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

03-06-03

102254 - Geschil toepassing art. E-20 CAO-BVE

Voormeld artikel bepaalt onder meer dat de werkgever aan werknemers vanaf 55 jaar scholing aanbiedt gericht op de voorbereiding op de post-actieve periode.
Verzoeker meent op grond van art. E-20 CAO-BVE aanspraak te kunnen maken op vergoeding van een cursus Frans en een fitnesscursus. Uit de tekst van artikel E-20 CAO-BVE concludeert de Commissie dat de scholing niet gericht dient te zijn op de post-actieve periode doch op de voorbereiding op de post-actieve periode. Dit impliceert dat cursussen met een algemeen karakter, die niet uitsluitend in het kader staan van de voorbereiding op de post-actieve periode, niet zijn onder te brengen onder het bepaalde in artikel E-20 CAO-BVE. De cursussen waarvoor vergoeding is gevraagd zijn niet uitsluitend gericht op de voorbereiding van de postactieve periode. Voor dat laatste dient veeleer te worden gedacht aan specifieke cursussen met als doelgroep mensen die binnen afzienbare termijn het arbeidsproces zullen verlaten en waarin wordt besproken hoe men kan anticiperen dan wel omgaan met de postactieve periode. Werkgever heeft art. E-20 CAO-BVE juist toegepast en heeft dus op goede gronden tot een afwijzing van de verzochte vergoeding voor een cursus Frans en lessen fitness kunnen komen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

06-05-03

102226 - Geschil toepassing van artikel I-16 dan wel I-17 van de CAO-BVE

De werkgever heeft de werknemer op 08-06-2001 meegedeeld dat hij in het kader van de invoering van FUWA-BVE per 01-08-1998 in de functie van BVE docent 2 met maximumschaal 11 geplaatst is. De werknemer was vóór 01-08-1998 benoemd in de functie van BVE docent 1 met maximumschaal 10. In de periode ná 1998 is hij in zijn BVE docent 1 functie geleidelijk aan werkzaamheden gaan verrichten die tot de functie van BVE docent 2 behoren. De werknemer stelt dat hij hierdoor op enig moment ná 01-08-1998 recht heeft verkregen op plaatsing in de functie van BVE docent 2 waarbij hij op dat moment op grond van art. I-16 dan wel I-17 CAO-BVE recht zou hebben gehad op een extra promotieperiodiek. Omdat deze extra periodiek niet wordt toegekend bij de toekenning van een hogere waardering van de functie in het kader van FUWA BVE is de werknemer van oordeel dat hij financieel gedupeerd is. De Commissie neemt de stelling van de werknemer over. Daarbij overweegt de Commissie dat de invoering van FUWA BVE bij de werkgever lang heeft geduurd. Hierdoor bestaat het risico dat door verandering van omstandigheden de feitelijk gegroeide situatie niet -meer- overeenkomt met de uitkomst van het FUWA traject. De Commissie acht het niet redelijk indien de nadelige financiële gevolgen daarvan voor rekening van de werknemer komen.
De werknemer heeft derhalve per 01-04-2001 recht op een promotieperiodiek.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

06-03-03

102195 - Geschil over hoogte vergoeding overuren

Verzoeker heeft in de cursusjaren1999-2000 en 2000-2001 een aantal overuren gemaakt. De werkgever biedt aan om een inmiddels ingevoerde regeling omtrent bezoldiging van overuren toe te passen, een en ander gecorrigeerd naar het huidige salaris van verzoeker. Het betreft een opslag van 20% over het inmiddels verhoogde salaris. Verzoeker acht een opslag van 50% passend. De Commissie overweegt dat er vooraf geen afspraken over de bezoldiging van de overuren zijn gemaakt en er destijds nog geen regeling voor bestond zodat het aanbod van de werkgever redelijk wordt geacht. Voor de door verzoeker gewenste opslag zijn geen termen aanwezig.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

03-02-03

102118 - Geschil toepassing van artikel I-17 CAO-BVE

Functie van werknemer is bij invoering FUWA-BVE per 01-08-1998 gewaardeerd als de functie van BVE docent met maximumschaal 10. Voor de werknemer is een salarisgarantie van 9 periodieke verhogingen van toepassing. Op 01-08-2001 wordt werknemer benoemd als BVE docent met maximumschaal 11. De. De werkgever geeft geen toepassing aan artikel I-17 (twee periodieke verhogingen) nu naar zijn mening hierdoor ongelijkheid ontstaat tussen de werknemer en zijn collega's die reeds per 01-08-1998 een functie met maximumschaal 11 hebben aanvaard en geen extra periodiek hebben ontvangen. De Commissie oordeelt dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Door allerlei oorzaken kunnen werknemers met dezelfde functie verschillende bezoldiging hebben. Slechts minimum- en maximumbedrag van een functie dienen voor een ieder identiek te zijn. Ook voor het overige is er geen reden om de bezoldiging van collega's van de werknemer te betrekken bij de overgang van de werknemer naar een functie met een andere maximumschaal. De werkgever dient op 01-08-2001 artikel I-17 van de CAO-BVE toe te passen en werknemer 2 periodieken toe te kennen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

22-08-02

102077 - Geschil over invulling van de jaartaak art. A-11a en F-3 lid 4CAO--BVE

De werknemer is van mening dat zijn werkgever het aantal lesweken in strijd met artikel F-3 lid 4 van de CAO heeft verlaagd tot minder dan 36. Daarbij worden taken behorend tot de 55% voorbereiding en nazorg toegerekend aan een periode buiten de lesweken. De Commissie is van oordeel dat artikel F-3 lid 4 aangeeft dat in beginsel de contacturen worden gespreid over ten minste 36 weken en dat aan de docent niet meer dan 22,5 contacturen per week worden opgedragen. Dit betekent dat in het geval de werkgever zou besluiten tot het opdragen van het maximale aantal van de 823 uren er minimaal 36,57 weken les gegeven zou dienen te worden. De bedoeling van artikel F-3 lid 4 is naar het oordeel van de Commissie onder meer om te voorkomen dat het maximum te geven aantal contacturen per week van 22,5 zou worden overschreden. De Commissie is van oordeel dat de formulering "in beginsel" in artikel F-3 lid 4 inhoudt dat zolang de werkgever niet meer dan 22,5 contactuur per week opdraagt, er geen beletsel is om minder dan 36 lesweken te hanteren. Slechts indien de verlaging van het aantal lesweken zou leiden tot een verhoging van het aantal contacturen per week tot 24,5, en compensatie in de zin van artikel F-3 lid 4 nodig zou zijn, dient de werkgever uit hoofde van artikel F-3 lid 4 van de CAO-BVE te overleggen met de PMR over de periode waarin compensatie plaats zal hebben. Aldus heeft de werkgever door het aantal lesweken te stellen op 33,6 niet gehandeld in strijd met artikel F-3 lid 4 van de CAO-BVE. Voor de vaststelling van de jaartaak en de berekening van de jaartaak van een docent moet vervolgens het werkelijke aantal lesweken, in casu 33,6, als uitgangspunt genomen worden. De Commissie ziet geen aanknopingspunt voor een berekening waarbij weken waarin geen lessen zijn gegeven geteld worden alsof daarin wel les zou zijn gegeven. Het is de Commissie niet gebleken dat de CAO-BVE eraan in de weg staat dat de werkgever uren voorbereiding en nazorg mag toerekenen aan een periode buiten de lesweken. De Commissie oordeelt dat de werkgever niet in strijd met het bepaalde in artikel A-11a en F-3 lid 4 van de CAO-BVE heeft gehandeld.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

12-06-02

102075 - Geschil met betrekking tot de terugbetaling van een toegekende verhuiskostenvergoeding

De werknemer is op 01-02-1999 in dienst getreden van de werkgever. Per 27-10-1999 is aan hem een verhuiskostenvergoeding toegekend. Op 01-07-2001 is de werknemer weer verhuisd. De werkgever heeft daarop op grond van artikel 8 lid 3 aanhef en onder b van de Regeling verplaatsingskosten de verhuiskostenvergoeding teruggevorderd. Dit omdat de werknemer binnen twee jaar na de eerste verhuizing verhuisd is naar een woonplaats die verder weg is gelegen van de standplaats. De werknemer voert echter aan feitelijk op 01-02-1999 verhuisd te zijn. Dit zou inhouden dat er inmiddels twee jaar verstreken zouden zijn zodat de vergoeding niet teruggevorderd zou mogen worden. De Commissie constateert dat de werknemer van 01-02-1999 tot 27-10-1999 in het bezit is gesteld van een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. Dit kon slechts het geval zijn als de werknemer nog niet naar de standplaats was verhuisd. Voor de stelling van de werknemer dat de vergoeding bedoeld was ter opvang van de kosten van gezinsbezoek wordt geen steun gevonden. Mede op grond van de overige feiten en omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het feit dat de door de werknemer verstuurde adreswijziging als verhuisdatum 19-10-1999 vermeldt, komt de Commissie tot de conclusie dat de werknemer ertoe gehouden is de verhuiskostenvergoeding terug te betalen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

01-02-02

102073 - Geschil omtrent inschaling van de functie

De werknemer treedt in tijdelijke dienst van de werkgever en ontvangt eerst een salarisstrook met vermelding van schaal 10.12 en maximumschaal 10. De werknemer geeft aan van mening te zijn dat er omtrent de van toepassing zijnde maximumschaal andere afspraken zijn gemaakt. De werkgever heeft dit schriftelijk bestreden doch ruim zeven maanden later ontvangt de werknemer een akte van benoeming die schaal 12 als maximumschaal vermeldt. De salarisschaal waarin de werknemer dan wordt ingedeeld is 10.10. Als het tijdelijk dienstverband wordt omgezet in een vast dienstverband wordt de maximumschaal op 10 vastgesteld. Omdat de werkgever bij zijn standpunt blijft dat de inschaling correct is, tekent de werknemer beroep aan bij de Commissie van Beroep. Deze spreekt uit dat de werknemer niet-ontvankelijk in zijn beroep is. Vervolgens wendt de werknemer zich tot de de Commissie voor Geschillen.
De Commissie constateert dat reeds bij aanvang van het dienstverband duidelijk is aangegeven wat de bij de functie behorende maximumschaal is. De CAO biedt geen basis voor verplichte benoeming in schaal 12 voor de werknemer die in zijn vorige functie deze schaal bezat en voorts is de Commissie niet gebleken van toezeggingen van de zijde van de werkgever. De akte waarin schaal 12 aan de werknemer is toegekend bevatte een fout en dit was kenbaar voor de werknemer. De Commissie oordeelt dat de werkgever de CAO juist heeft toegepast zodat de werknemer niet het uitzicht op schaal 12 toekomt.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

01-02-02

102072 - Geschil over toepassing opzegtermijn

Werknemer zegt dienstverband met inachtneming van toepasselijke opzegtermijn van 3 maanden op met ingang van 01-09-2001. De werkgever wenst ingang ontslag per 01-08-2001 omdat het cursusjaar eindigt op 31-07-2001 en in augustus 2001 18 vakantiedagen vallen die niet in verhouding staan tot de eventueel gewerkte dagen van 27-08-2001 tot 01-09-2001. De Commissie overweegt dat de CAO-BVE in art. H-50 slechts aangeeft dat het ontslag ingaat tegen de eerste van de maand en voorts geen beperkingen inhoudt ten aanzien van de ingang van het ontslag en de in verband daarmee in acht te nemen opzegtermijn. De Commissie is van oordeel dat de werknemer geen misbruik maakt van haar opzeggingsbevoegdheid en dat het feit dat de werknemer teveel vakantiedagen genoten heeft in de risicosfeer van de werkgever ligt. De Commissie komt tot dit oordeel omdat de vakantie niet na overleg met de werknemer is vastgesteld en de werkgever, voor zover dat mogelijk was, tijdens de vakantie ook geen werk aan de werknemer heeft opgedragen. De Commissie oordeelt dat een goede toepassing van de CAO er niet aan in de weg staat dat wordt opgezegd tegen 1 september van enig schooljaar, ook niet in het geval dat de werknemer meer verlofdagen heeft genoten dan hem krachtens de arbeidsovereenkomst toekomen.

De complete tekst kunt u hier downloaden.

Print pagina