Voorlopige voorziening bij Commissie van beroep bij schorsing of overplaatsing van werknemer

Werknemers in het funderend onderwijs, mbo en hbo, kunnen tegen bepaalde besluiten van de werkgever in beroep gaan bij de Commissie van beroep. Die Commissie oordeelt dan of het besluit terecht is genomen of niet. Tegen welke besluiten beroep mogelijk is, staat in de cao.
Bij schorsing of overplaatsing kan het voor de werknemer van belang zijn om snel duidelijkheid te krijgen. Het wachten op de uitspraak van de Commissie van beroep zou dan te lang duren. In dat geval kan de werknemer de Voorzitter van de Commissie van beroep om een voorlopige voorziening vragen. In dit artikel leest u daar meer over.

Procedure bij de Commissie van beroep

De werknemer moet binnen 6 weken na ontvangst van het besluit van de werkgever in beroep gaan bij de Commissie. De Commissie beoordeelt eerst of het beroepschrift compleet is. Als dat niet het geval is, geeft de Commissie de werknemer een termijn van uiterlijk 14 dagen om ontbrekende stukken alsnog aan te leveren. Daarna krijgt de werkgever de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen. Vervolgens wordt de zaak behandeld op een hoorzitting. De Commissie, bestaande uit 3 personen, zal dan vragen stellen aan partijen. De uitspraak volgt uiterlijk 6 weken na de hoorzitting. De Commissie kan het beroep gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren. Al met al duurt deze procedure gemiddeld 3 maanden. Deze procedure heet de bodemprocedure.

Voorlopige voorziening

Er kunnen omstandigheden zijn waardoor het voor een werknemer belangrijk is om snel te weten waar hij aan toe is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de werknemer met onmiddellijke ingang is geschorst of (op korte termijn) wordt overgeplaatst. Als de procedure bij de Commissie van beroep zou moeten worden afgewacht, is de schorsing misschien alweer geëindigd of is de werknemer al daadwerkelijk overgeplaatst. De werknemer kan dan aan de voorzitter van de Commissie om een voorlopige uitspraak vragen. De termijnen zijn bij zo’n procedure veel korter. In veel gevallen vindt de hoorzitting plaats binnen 2 weken nadat de zaak is ingediend en doet de voorzitter uiterlijk binnen 2 weken na de hoorzitting uitspraak. De werknemer weet dus sneller waar hij (voorlopig) aan toe is.

De werknemer moet aangeven waarom hij een spoedeisend belang heeft en niet kan wachten op het definitieve oordeel van de voltallige Commissie. Ook moet de werknemer aangeven om welke voorziening hij verzoekt. Als de werknemer wordt overgeplaatst zou hij bijvoorbeeld kunnen vragen om schorsing van het overplaatsingsbesluit. De werknemer vraagt de voorzitter dan om te bepalen dat hij nog niet mag worden overgeplaatst, in afwachting van de procedure bij de Commissie. In geval van een schorsing zou de werknemer aan de voorzitter kunnen vragen om weer toegelaten te worden tot zijn werkzaamheden. De uitspraak van de voorzitter van de Commissie is een voorlopige voorziening en geldt totdat de Commissie van beroep uitspraak heeft gedaan. Een definitieve uitspraak volgt pas als het beroep in de bodemprocedure is behandeld.

Uitspraken in voorlopige voorziening

In 2022 werden tot nu toe 3 uitspraken in voorlopige voorziening gedaan, in 2021 waren dat er ook 3 en in 2020 waren er 5 uitspraken in voorlopige voorziening. Enkele voorbeelden:

  • In zaak 2022025444 wees de voorzitter het verzoek tot schorsing van het overplaatsingsbesluit af, omdat de werknemer geen spoedeisend belang had. De werknemer was ziek en de bedrijfsarts had aangegeven dat re-integratie op de eigen school nog niet aan de orde was. Daarom kon de werknemer de procedure bij de Commissie afwachten.
  • In zaak 2021007954 wees de voorzitter het verzoek tot schorsing van het overplaatsingsbesluit toe, omdat er onvoldoende grond was voor de overplaatsing. De werkgever had aangevoerd dat de werknemer remmend en belemmerend gedrag zou vertonen, maar kon zijn stelling niet met stukken of anderszins onderbouwen. Daarom mocht de werknemer in afwachting van de procedure bij de Commissie op de eigen school blijven werken.
  • In zaak 109229 wees de voorzitter het verzoek tot schorsing van het schorsingsbesluit af, omdat de werkgever zijn onderzoek ongestoord moest kunnen afronden. De werkgever had de werknemer (en drie collega’s) geschorst vanwege een onwenselijke werkcultuur en stagnerende samenwerking. De werkgever liet een onafhankelijke organisatie een verdergaand onderzoek uitvoeren. Het belang van de werkgever om ongestoord onderzoek te (laten) doen, woog zwaarder dan het belang van de werknemer.

Kijk voor hier voor meer uitspraken in voorlopige voorziening

Meer informatie over de Commissie van beroep

Vond u deze informatie nuttig?

CAPTCHA
We willen graag even valideren of u een echte gebruiker bent.