Datum uitspraak: 01-07-2005
Nummer uitspraak: 102742
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

102742/102750/102754/102756/102762/102763/102764/102767/102768
De Commissie heeft 9 beroepen behandeld van werknemers in de Educatie die vanwege de opheffing van het organisatieonderdeel waarin zij werkzaam waren, zijn ontslagen. Het organisatiedeel verrichtte uitsluitend in opdracht van de gemeente beroepsgerichte Educatie. Anders dan voorheen, heeft de gemeente de ondersteunende beroepsgerichte Educatie per 01-08-2004 ingekocht door middel van een openbare aanbesteding en deze gegund aan een andere aanbieder. Daarop zijn de werknemers tijdelijk geplaatst bij andere onderdelen en de verwachting was dat zij tezamen met een groot aantal andere Educatie-medewerkers zouden worden ontslagen. In verband met uitstel van de overheveling van de Educatiegelden van OCW naar Justitie, is de ontslaggolf van de Educatie echter een jaar uitgesteld en zijn uitsluitend de werknemers van het opgeheven onderdeel en die per 31-12-2004 niet structureel zijn herplaatst in de Educatie, per 01-08-2005 ontslagen op basis van een  sociaal plan dat met de Centrales is overeengekomen.
De Commissie oordeelt dat de herplaatsing van de werknemers per 01-08-2004 tijdelijk en dus niet structureel was zodat het sociaal plan op hen van toepassing is. Het sociaal plan is voor de Commissie een gegeven dat slechts zeer marginaal getoetst kan worden. Immers, het sociaal plan is het resultaat van het overleg tussen werkgever en Centrales en wordt met instemming van de Centrales vastgesteld, zodat terughoudendheid van de Commissie geboden is. Nu de Centrales bewust hebben ingestemd met de aparte compartimentering van het opgeheven organisatieonderdeel en ook de MR daarvan op de hoogte was en de Centrales vervolgens ingestemd hebben met een apart sociaal plan waarin uitsluitend de boventalligheid en afvloeiing van het personeel van het opgeheven organisatieonderdeel aan de orde was, is de Commissie van oordeel dat het sociaal plan in redelijkheid aan de basis van de ontslagen heeft mogen liggen. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat het organisatieonderdeel op de ingangsdatum van het ontslag reeds een jaar zal zijn opgeheven, zodat het sociaal plan ook op dat punt niet als onredelijk kan worden aangemerkt.
De in acht genomen opzegtermijn van ruim 7 maanden is conform hetgeen daarover in het sociaal plan is afgesproken en kan naar het oordeel van de Commissie ook overigens niet als onredelijk lang worden aangemerkt.
Ten aanzien van de vraag of appellanten al dan niet van rechtswege in dienst zijn getreden van de aanbieder aan wie de gemeente het werk heeft gegund, overweegt de Commissie dat die aanbieder in de onderhavige procedure niet betrokken is en het beroep enkel is gericht tegen ontslagbeslissingen van de werkgever. Overigens hebben de werkgever noch appellanten enige poging ondernomen om de stelling dat er sprake is van een van rechtswege overgang van het dienstverband, in rechte af te dwingen. Derhalve laat de Commissie de stellingen en weren van partijen op dit punt verder onbesproken.
Voor wat betreft de verplichting van de werkgever om appellanten indien mogelijk te herplaatsen, overweegt de Commissie dat zij aan de hand van het verhandelde niet kan vaststellen of er per 01-08-2005 voor appellanten werkzaamheden beschikbaar zullen zijn. De werkgever heeft daarover ter zitting wel verklaard dat er steeds projecten afgaan en bijkomen en dat, zo er tussen 01-08-2005 en 01-08-2006 nog werkzaamheden voor appellanten beschikbaar zijn, hij op grond van het sociaal plan verplicht is hen daarin te herplaatsen. De Commissie beveelt partijen aan daarover met elkaar in overleg te blijven. Het opzegverbod tijdens ziekte geldt niet aangezien de opzegging geschiedt wegens beëindiging van het onderdeel waarin de werknemer uitsluitend werkzaam was (art. 7:670b BW). Voor de werknemer die MR-lid is geldt dat de opzegging geen verband houdt met het lidmaatschap van de MR (art. 5 lid 8 WMO).
Beroepen ongegrond.