Datum uitspraak: 13-03-2012
Nummer uitspraak: 105186/105192/105226/105227
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Sector: Primair onderwijs
Samenvatting 

Bezwaren tegen besluit van de werkgever d.d. 7 november 2011 om de aanstelling wegens opheffing van de betrekking te beëindigen per 1 augustus 2012 omdat de subsidiëring van ID-banen werd beëindigd. Indien de werkgever ten gevolge van de noodzaak tot bezuinigen genoodzaakt is personeel te ontslaan, is artikel 4.7 onder d CAO PO de toepasselijke ontslaggrond.
Het is aannemelijk dat de werkgever een aanmerkelijk financieel risico loopt, hetgeen met het oog op de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de continuïteit van de hele stichting niet van hem kan worden verwacht.
De CAO PO bepaalt dat ontslag in verband met opheffing van de betrekking niet eerder kan worden verleend dan nadat de functie van de werknemer gedurende een heel schooljaar is geplaatst in het rddf. De functie is niet voor 1 augustus 2011 in het rddf geplaatst, zodat de beëindiging van de aanstelling heeft plaatsgevonden in strijd met de CAO. De werkgever merkt het beëindigen van de ID-regeling aan als overmacht, nu het besluit pas kort voor de zomervakantie is bekendgemaakt. Voor zover het beroep op overmacht is gebaseerd op de systematiek van de cao-regeling, moet dat beroep worden verworpen omdat dat een rechtstreeks uitvloeisel is van de regeling zelf. In beginsel kan niet worden aanvaard, dat die bepaling terzijde kan worden gesteld op grond van redenen die bij de totstandkoming van die bepaling waren te voorzien.
De Commissie adviseert het bevoegd gezag het bezwaar gegrond te verklaren wegens strijd van het bestreden besluit met de cao-bepalingen omtrent rddf-plaatsing en het ontslagbesluit te herroepen.