Datum uitspraak: 25-04-2012
Nummer uitspraak: 105234
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

De werkgever wordt geconfronteerd met plotselinge terugloop van het leerlingenaantal, wil met de centrales in overleg over de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid en stelt de fasering van het sociaal plan ter discussie. De werkgever houdt daarbij vast aan het in 1999 met de centrales overeengekomen werkgelegenheidsbeleid. Voor zover deze regeling niet meer geldt en de CAO gevolgd moet worden stelt de werkgever dat sprake is van een noodsituatie zoals genoemd in artikel 10.2. lid 8 CAO PO. In de CAO PO is met ingang van 1 augustus 2001 de regeling werkgelegenheidsbeleid en afvloeiing ingevoerd. De invoering van deze bepaling, die slechts de keuze biedt uit twee in de CAO PO geregelde modellen, houdt in dat met deze invoering de oude regelingen zijn komen te vervallen. Aldus is de regeling werkgelegenheidsbeleid, die de werkgever in 1999 met de centrales is overeengekomen, komen te vervallen en dienen partijen in onderling overleg tot een keuze uit de in artikel 10.1 CAO PO geregelde modellen te komen. Voor zover dit overleg ertoe leidt dat gekozen wordt voor toepassing van de regeling werkgelegenheidsbeleid is op grond van artikel 10.2 lid 3 CAO PO sprake van een werkgelegenheidsgarantie. De werkgever heeft bij gebrek aan (onderbouwing met) financiële gegevens in onvoldoende mate weten aan te tonen dat sprake is van een noodsituatie als bedoeld in artikel 10.2 lid 8 CAO PO. Het enkele feit dat de werkgever een financiële bijdrage moet leveren, is onvoldoende om een noodsituatie aan te nemen. Van de werkgever kunnen immers zekere offers gevraagd worden. Het risico van de sluiting behoort immers niet, althans niet volledig, ten laste van de werknemers te komen.