Datum uitspraak: 12-06-2002
Nummer uitspraak: 102075
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

De werknemer is op 01-02-1999 in dienst getreden van de werkgever. Per 27-10-1999 is aan hem een verhuiskostenvergoeding toegekend. Op 01-07-2001 is de werknemer weer verhuisd. De werkgever heeft daarop op grond van artikel 8 lid 3 aanhef en onder b van de Regeling verplaatsingskosten de verhuiskostenvergoeding teruggevorderd. Dit omdat de werknemer binnen twee jaar na de eerste verhuizing verhuisd is naar een woonplaats die verder weg is gelegen van de standplaats. De werknemer voert echter aan feitelijk op 01-02-1999 verhuisd te zijn. Dit zou inhouden dat er inmiddels twee jaar verstreken zouden zijn zodat de vergoeding niet teruggevorderd zou mogen worden. De Commissie constateert dat de werknemer van 01-02-1999 tot 27-10-1999 in het bezit is gesteld van een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. Dit kon slechts het geval zijn als de werknemer nog niet naar de standplaats was verhuisd. Voor de stelling van de werknemer dat de vergoeding bedoeld was ter opvang van de kosten van gezinsbezoek wordt geen steun gevonden. Mede op grond van de overige feiten en omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het feit dat de door de werknemer verstuurde adreswijziging als verhuisdatum 19-10-1999 vermeldt, komt de Commissie tot de conclusie dat de werknemer ertoe gehouden is de verhuiskostenvergoeding terug te betalen.