Datum uitspraak: 28-01-2015
Nummer uitspraak: 106544
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Sector: Voortgezet onderwijs
Samenvatting 

Een leerling heeft twee jaar thuisonderwijs ontvangen. Als de inspectie die situatie beëindigt, meldt verzoekster haar zoon aan bij een school voor voortgezet onderwijs. Na onderzoek door een psychologisch bureau wordt de leerling eind juni 2014 ingeschreven maar het schoolbestuur verklaart die inschrijving begin juli 2014 nietig. Ter zitting laten partijen dit onderdeel van het geschil vallen. Verzoekers brengen dan in dat de toelating tot mavo-plus, waartoe het schoolbestuur eind november 2014 had besloten, onjuist is: dat had technasium op havo-niveau moeten zijn. Bovendien had er een ontwikkelingsperspectief opgesteld moeten zijn voordat de leerling werd toegelaten. De Commissie overweegt dat de beoordeling of de aanmelding een leerling betreft die extra ondersteuning behoeft, is uitgevoerd. Daarbij heeft het schoolbestuur zich gebaseerd op de informatie van verzoekers, namelijk dat hun zoon een normale cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling doormaakt, dat hij het basisonderwijs volgde zonder Leerlinggebonden Financiering en dat de ondersteuning in het voortgezet onderwijs gericht moet  zijn op zijn executieve functies, zoals de planning van huiswerk. Daarnaast heeft het schoolbestuur eigen onderzoek uitgevoerd. Daaruit volgde het advies voor regulier onderwijs. Door de school is toegezegd een ontwikkelingsperspectief op te stellen, niet vanwege een extra ondersteuningsbehoefte, maar omdat de leerling weer moest gaan wennen aan het dagelijks leven op een school. Er was verder geen vermoeden dat de leerling extra ondersteuning nodig had. De school heeft hem daarom in redelijkheid kunnen toelaten als leerling zonder extra ondersteuningsbehoefte. De vraag of de leerling vervolgens tot het juiste niveau van regulier onderwijs is toegelaten, valt buiten de kaders van passend onderwijs. Nog daargelaten dat het schoolbestuur ten tijde van de inschrijving redelijkerwijze heeft kunnen oordelen dat de leerling geen extra ondersteuningsbehoefte had, vereist de wet niet dat de toelatingsbeslissing is gebaseerd op een opgesteld ontwikkelingsperspectief (artikel 26 lid 1 en 2 WVO). Het verzoek omtrent de vraag of de leerling tot het juiste niveau van het onderwijs is toegelaten, is niet-ontvankelijk. Het verzoek over het ontwikkelingsperspectief is ongegrond.