Datum uitspraak: 23-10-2014
Nummer uitspraak: 106465
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Sector: Voortgezet onderwijs
Samenvatting 

Een leerling heeft van de basisschool het advies vwo gegeven. De leerling heeft het Syndroom van Asperger en bij hem is hoogbegaafdheid vastgesteld. De leerling is in april 2014 aangemeld bij een regulier gymnasium. Deze school heeft de leerling eind mei 2014 afgewezen. Daarna is door de ouders in juni 2014 telefonisch contact gelegd over hun zoon met een andere reguliere school waar gymnasium onderwijs wordt aangeboden. Ze hebben hem vervolgens op 1 augustus 2014 schriftelijk aangemeld bij deze school. Die school heeft op 14 augustus 2014 de ouders meegedeeld dat hun zoon niet wordt toegelaten. De ouders hebben vervolgens het geschil over de weigering toelating door deze (tweede) school voorgelegd aan de Commissie. De Commissie is bevoegd van het geschil kennis te nemen en het verzoek is ontvankelijk. De school mocht uit de informatie die bij de aanmelding is verstrekt, afleiden dat de leerling ondersteuning nodig heeft. Welke ondersteuning en de mate waarin de leerling deze ondersteuning nodig heeft, kon de school op dat moment nog niet bepalen. Het bevoegd gezag van de school had op grond van de WGBH/CZ dienen te onderzoeken wat de ondersteuningsbehoefte van de leerling is, waarna door het bevoegd gezag kon worden beoordeeld of de school de benodigde ondersteuning kon bieden. Het bevoegd gezag heeft niet voldaan aan deze onderzoeksplicht. Het bevoegd gezag van de school stelt dat aan de leerling reeds een passend aanbod is gedaan door het samenwerkingsverband, namelijk een plaats op een school voor voortgezet speciaal onderwijs op vwo niveau. De passendheid van dit aanbod wordt door de ouders bestreden. Gebleken is dat er geen overleg met de ouders en de school van aanbod over de ondersteuningsbehoefte van de leerling heeft plaatsgevonden. Het bevoegd gezag heeft ook niet met de ouders gesproken over de mogelijkheden binnen het samenwerkingsverband. Daarnaast beschikte het bevoegd gezag niet over een schriftelijke bevestiging van de bereidheid tot toelating en had evenmin inzicht in de door de ontvangende school te bieden ondersteuning. Het bevoegd gezag kon zich bij het in behandeling nemen van de aanmelding van de leerling dan ook niet beroepen op het reeds in vervulling gaan van de zorgplicht door een eerder gedaan passend aanbod. Daar komt bij dat het aanbod een school voor speciaal onderwijs betrof en derhalve moest vaststaan dat de leerling toelaatbaar zou zijn geweest. Dit was niet het geval omdat ten tijde van de weigering toelating nog geen toelaatbaarheidsverklaring was afgegeven. Verzoek gegrond.