Datum uitspraak: 16-10-2014
Nummer uitspraak: 106332
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

De werknemer is vanuit een LC-functie bij de werkgever in een LB-functie geplaatst. Daarbij heeft hij een salarisgarantie gekregen. De werknemer had een bindingstoelage die in de nieuwe functie vervalt. De werknemer is van mening dat hij het recht op de bindingstoelage behoudt. De werkgever stelt dat de salarisgarantie uitsluitend het schaalsalaris betreft en niet de eventuele andere salariscomponenten. Toepassing van het overgangsrecht betreffende de bindingstoelage, in concreto artikel I-12b lid 1 cao bve, leidt tot de conclusie dat de werknemer pas aanspraak kan maken op de bindingstoelage, behorend bij de LB-functie, nadat hij vijf jaar volgens het maximum van de LB-schaal wordt beloond, dit is op 1 september 2016. Voor wat betreft de gegeven salarisgarantie geldt dat de uitleg van een bepaling in een tussen partijen overeengekomen (arbeids)overeenkomst dient te geschieden aan de hand van het door de Hoge Raad ontwikkelde Haviltexcriterium. Werknemer mocht er in redelijkheid van uitgaan dat de salarisgarantie van de werkgever - in het bijzonder de passage 'Dit betekent concreet dat de salarisachteruitgang wordt gecorrigeerd.' - tot gevolg zou hebben dat hij er in inkomen niet op achteruit zou gaan. Voor deze uitleg van de salarisgarantie pleit ook dat de werkgever de bindingstoelage, zij het tot een te laag bedrag, ook na 1 september 2011 is blijven uitbetalen. De werkgever heeft de bepalingen van de cao bve met betrekking tot de bindingstoelage niet onjuist toegepast. Wel maakt de bindingstoelage deel uit van de door de werkgever gegeven salarisgarantie. 

Trefwoorden: