Datum uitspraak: 05-06-2014
Nummer uitspraak: 106127
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

De werknemer gaat uit van het dagen-criterium als gevolg waarvan hij zijns inziens inzetbaar is op 106 dagen per jaar. De werkgever hanteert daarentegen het weken-criterium waardoor werknemer 40 weken inzetbaar is op drie dagen per week, waarmee wordt uitgekomen op een inzetbaarheid van 120 dagen. De cao bve voorziet niet in de keuze voor één van de twee opvattingen. De Commissie oordeelt dat de werkgever, als onderwijsorganisatie, naast een schoolbelang ook het belang van de leerlingen dient af te wegen. Gelet op de werkzaamheden die werknemer verricht als ondersteuner, is de door de werkgever gemaakte afweging, dat hij drie dagen op school aanwezig moet zijn om alle leerlingen die behoefte hebben aan extra ondersteuning/bijles te bereiken, alleszins redelijk. Voorts is aannemelijk dat, gelet op het grote aantal deeltijders, het organisatorisch niet, of slechts onder zeer bezwaarlijke omstandigheden, mogelijk is om dit anders vorm te geven. Daarnaast bestaat er geen goede grond voor de aanspraak van werknemer op meer vrije dagen dan zijn collega's die ook allemaal op 120 werkdagen kunnen worden ingezet. Zijn rekenkundige argumentatie volstaat niet. Daarenboven voorziet de cao bve met de in artikel F-14 opgenomen inzetbaarheidstabel in het aantal dagdelen en dagen waarop deeltijders maximaal per week kunnen worden ingezet. Met het inzetten van werknemer op maximaal drie dagen per week voldoet de werkgever aan deze bepaling. De cao-partners hebben deze inzet kennelijk redelijk en objectief gerechtvaardigd geoordeeld. De werkgever heeft de cao bve niet onjuist toegepast door werknemer in beginsel op 120 dagen per jaar in te zetten gedurende drie dagen in totaal 40 onderwijsweken.

Trefwoorden: