Datum uitspraak: 18-02-2009
Nummer uitspraak: 103956
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

Onderwerp van geschil is welke diensttijd meetelt bij het bepalen van een jubileumgratificatie.Eerst in de CAO-BVE 1996-1998, in werking getreden op 1 augustus 1996, zijn bepalingen opgenomen over de jubileumgratificatie (art. H-71 tot en met H-73). Met ingang van 1 augustus 1996 is het Rpbo niet meer van toepassing voor de BVE-sector. Gezien het tijdstip van invoering van de bepalingen over de jubileumgratificatie en gelet op de verwijzing in die bepalingen naar artikel I-K1 Rpbo, welk besluit op het moment van invoering niet meer van toepassing was voor de BVE-sector, is de Commissie van oordeel dat met het opnemen van deze artikelen in de CAO-BVE is beoogd verworven rechten veilig te stellen. Ook het woord "reeds" in het toenmalige art. H-72 CAO-BVE 1996-1998 - welk artikel gelijkluidend is aan het huidige art. H-75 - impliceert dat de werknemer per 31 juli 1996 in dienst moet zijn van een onderwijsinstelling omdat anders het Rpbo ook niet van toepassing zou zijn geweest. Dientengevolge oordeelt de Commissie dat uit de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling en gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen blijkt dat de laatste volzin van het toenmalige art. H-72 CAO-BVE 1996-1998 en het huidige art. H-75 CAO-BVE 2007-2009 is bedoeld als een overgangsbepaling voor werknemers die op 31 juli 1996 reeds in dienst waren van een onderwijsinstelling én die voor die tijd diensttijd als bedoeld in artikel I-k1 Rpbo hadden opgebouwd. Indien dat het geval is worden die jaren meegeteld als onderwijsdiensttijd. Omdat werkneemster niet op 31 juli 1996 werkzaam was bij een onderwijsinstelling, tellen haar dienstjaren bij het ministerie van Financiën niet mee voor berekening van de diensttijd voor de jubileumgratificatie.