102588 Beroep tegen ontslagbeslissing BVE
Samenvatting
De werkgever stelt dat de werknemer in tijdelijke dienst was. De werknemer heeft drie opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten gehad wegens onbevoegdheid. Nadat de werknemer kort na aanvang van de derde overeenkomst haar bevoegdheid heeft gehaald, heeft de werkgever een nieuwe akte van benoeming opgesteld op grond van artikel H-12 onder a CAO-BVE, zijnde eerste indiensttreding. De werknemer meent recht te hebben op een dienstverband voor onbepaalde tijd. Gezien de bewoordingen van artikel H-12 aanhef en onder a CAO-BVE, het gegeven dat de werknemer reeds op 01-08-2001 bij de werkgever in tijdelijke dienst was getreden wegens onbevoegdheid en de constatering dat de inhoud van de functie sedertdien niet is gewijzigd, oordeelt de Commissie dat de werkgever op 01-09-2003 het dienstverband met de werknemer niet kon aangaan op grond van artikel H-12 onder a CAO-BVE. Voor de stelling van de werkgever, dat onder eerste indiensttreding ook verstaan dient te worden de eerste drie jaren dat de wet een tijdelijk dienstverband toelaat, is geen grond in de wet noch in de CAO-BVE te vinden. De Commissie oordeelt voorts dat, wat er ook zij van de vraag of tussen partijen overeenstemming is bereikt over het bepaalde tijd karakter van de arbeidsovereenkomst, de CAO-BVE in de weg staat aan een dergelijke expliciete afspraak tussen partijen. Bestreden beslissing is een ontslagbeslissing uit een vast dienstverband, die niet gedragen wordt door de daaraan ten grondslag gelegde reden.
Beroep gegrond.
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen