Beroep tegen schorsing als ordemaatregel in afwachting van ontbinding; BVE
Samenvatting
De werkgever stelt dat de functie van de werknemer vervallen is zodat geen sprake is van schorsing maar van vrijstelling van werkzaamheden. Of sprake is van een schorsing of van een andere vorm van ontheffing dient naar objectieve maatstaven bepaald te worden. Het vervallen van de functie van de werknemer is niet aannemelijk gemaakt. De werkgever heeft ter ondersteuning van zijn standpunt over de opheffing van de functie geen gegevens overgelegd. Bovendien heeft de werkgever aangevoerd dat voor de werknemer geen werkzaamheden als toezichthouder beschikbaar zijn, terwijl de werknemer heeft aangevoerd dat hij benoemd is als conciërge C, hetgeen ook blijkt uit de door hem overgelegde meest recente salarisspecificaties. Aldus dient de bestreden beslissing redelijkerwijze te worden aangemerkt als een schorsing in de zin van de cao bve.
De werkgever heeft de werknemer niet in staat gesteld zich overeenkomstig het gestelde in artikel H-45 cao bve te verweren. Voorts dateert de vrijstelling van 7 december 2012 en heeft de werkgever tot op de dag der zitting van de Commissie geen verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter ingediend. Aldus heeft de werkgever de werknemer zonder voldoende grond vrijgesteld van werkzaamheden. Beroep gegrond.
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel