Beroep tegen schorsing als ordemaatregel; BVE
Samenvatting
Werkneemster is benoemd in een eerste tijdelijk dienstverband, en is vrijgesteld van werkzaamheden, hetgeen feitelijk neerkomt op een schorsing als ordemaatregel. De werkgever heeft als reden aangevoerd dat werkneemster onvoldoende functioneert. De voornemen-procedure is gevolgd. Nog afgezien van de vraag of werkneemster al dan niet voldoende functioneerde, staat voldoende vast dat werkneemster niet bereid gebleken is om met de werkgever in gesprek te gaan over haar functioneren. Hiermee ondermijnt werkneemster de mogelijkheid van de werkgever om haar te allen tijde aan te spreken op eventuele klachten over haar functioneren en haar, waar nodig, bij te sturen en aldus te trachten tot een verbetering van het functioneren te komen. De hiertoe noodzakelijke gesprekken staan los van een officiële inwerkperiode. De werkgever heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat werkneemster de gebruikelijke begeleiding is geboden bij indiensttreding. Door de onbuigzame houding en de kritische opstelling van werkneemster in de onderlinge communicatie acht de Commissie het redelijk dat de werkgever geen vertrouwen meer had in een onbelemmerd functioneren van werkneemster en dat hij haar op deze grond heeft geschorst bij wijze van ordemaatregel, dit in afwachting van het van rechtswege eindigen van het tijdelijk dienstverband. Beroep ongegrond.
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel