Beschikking Ondernemingskamer inzake beroep tegen de uitspraak van de LCG WMS 93425 in een nalevingsgeschil gegrond over de verplichting van het bevoegd gezag om een lid van de Medezeggenschapsraad (MR) niet te benadelen
Samenvatting
Op 10 maart 2025 deed de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) uitspraak in een nalevingsgeschil over de verplichting die het bevoegd gezag heeft, om er voor te zorgen dat een MR-lid niet uit hoofde van zijn lidmaatschap wordt benadeeld in zijn positie tot de school (93425). Daarnaast diende de MR een geschil in over het feit dat het bevoegd gezag weigerde de kosten voor een geraadpleegde deskundige te vergoeden.
De Commissie oordeelde dat op grond van artikel 3 lid 12 Wms het bevoegd gezag ervoor moet zorgen dat leden van de medezeggenschapsraad niet vanwege hun lidmaatschap van de MR in hun positie met betrekking tot de school worden benadeeld. Deze verplichting geldt ten opzichte van individuele leden. De MR kon naar het oordeel van de LCG WMS geen geschil voorleggen als het gaat om een verplichting tegenover een individu, zoals in onderhavig geval. Nu er geen sprake is van het niet nakomen van een verplichting van bevoegd gezag tegenover de MR, is de MR volgens de LCG WMS niet-ontvankelijk.
Tegen de uitspraak van de LCG WMS is door de MR op 4 april beroep ingesteld bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer verklaarde op 15 juli 2025 het beroep gegrond.
Toelichting
De Commissie vond dat de medezeggenschapsraad (MR) geen beroep kon doen op artikel 3 lid 12 Wms, omdat dit artikel volgens haar alleen rechten geeft aan individuele leden en niet aan de raad als geheel. De Ondernemingskamer is het daar niet mee eens: volgens haar verplicht artikel 3 lid 12 Wms het bevoegd gezag ervoor te zorgen dat MR-leden niet worden benadeeld vanwege hun lidmaatschap. De bepaling in artikel 3 lid 12 Wms is afgeleid van artikel 21 WOR en beoogt leden van de medezeggenschapsraad te beschermen tegen benadeling vanwege hun lidmaatschap. Zo kunnen zij onafhankelijk van het bevoegd gezag opereren en hun rol als tegenmacht effectief vervullen.
Oordeel Ondernemingskamer
De Ondernemingskamer verklaart het beroep tegen de uitspraak van de LCG WMS van 10 maart 2025 gegrond voor zover het gaat om de beslissing dat de medezeggenschapsraad (MR) niet-ontvankelijk zou zijn in zijn verzoek over de naleving van artikel 3 lid 12 Wms. De OK verklaart dat het bevoegd gezag artikel 3 lid 12 Wms niet heeft nageleefd voor zover het betreft het advies aan een MR-lid om te stoppen als lid en voorzitter van de (G)MR. De Ondernemingskamer verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Trefwoorden
nalevingsgeschil
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen
Trefwoorden
nalevingsgeschil