Bezwaar tegen berisping, schorsing en verlenging van de schorsing gegrond. Er is geen sprake van plichtsverzuim, zodat de berisping en de schorsing ten onrechte zijn opgelegd. De noodzaak voor een schorsing als ordemaatregel ontbreekt.

Publicatiedatum:

Commissie: Bezwarencommissie OMO

Sector: Voortgezet onderwijs

Zaaknummer: 132530/133027

Download uitspraak (376,2 KB)

Open met leeshulp

Samenvatting

Situatie

De werknemer is werkzaam als conrector. Met de Raad van Bestuur is een veranderopdracht vastgesteld voor de school. Op een bepaald moment besluit de werkgever de werknemer een schriftelijke berisping en een schorsing op te leggen, omdat de werknemer zich volgens de werkgever ondermijnend zou hebben opgesteld ten aanzien van het beleid van de school en de positie van de rector, en zijn kritiek niet op een constructieve wijze zou hebben geuit. Hierdoor zouden de onderlinge verhoudingen onder druk zijn komen te staan. Kort daarna verlengt de werkgever de schorsing.

Advies van de Commissie

De bezwaren zijn gegrond.

Toelichting

De werknemer heeft de gestelde feiten betwist en deze worden niet onderbouwd door de stukken in het dossier. De werkgever verwijst naar gesprekverslagen, maar heeft deze niet overgelegd. Ook is niet gebleken dat werknemer zich ondermijnend heeft gedragen. Omdat de feiten niet zijn komen vast te staan, ontbreekt de grondslag voor het opleggen van een berisping. Ten aanzien van de eerste schorsing, die is opgelegd als disciplinaire maatregel, geldt dat de feiten niet vaststaan, zodat de schorsing ten onrechte is opgelegd. De verlengde schorsing is opgelegd als ordemaatregel. Daarbij ontbreekt de belangenafweging van de werkgever. Bovendien is niet gebleken dat de situatie zodanig ernstig was dat afwezigheid van de werknemer op de werkvloer noodzakelijk was. De werkgever heeft daarom niet in redelijkheid tot schorsing kunnen overgaan.

Trefwoorden

berisping als disciplinaire maatregel, schorsing werknemer als disciplinaire maatregel, schorsing werknemer als ordemaatregel