Geschil toepassing mobiliteitsbevorderende maatregel
Samenvatting
De werkgever heeft in overleg met de centrales enige mobiliteitsbevorderende maatregelen genomen. Een werknemer kon bij vrijwillig vertrek een bonus krijgen, naar rato van de betrekkingsomvang, indien hij/zij vrijwillig ontslag nam in de periode 01-04-2002 tot 01-08-2002.
Aan het verkrijgen van de vertrekbonus waren twee voorwaarden verbonden, waarvan de tweede in het geding is: - "Het vertrek leidt niet tot een vacature, doch wordt instellingsbreed intern vervuld." De positie van de vertrokken medewerker is opgevuld door een boventallige, maar deze medewerker liet een vacature achter. De werkgever meent dat daardoor niet is voldaan aan de voorwaarde. De Commissie is van oordeel dat de stelling van de werkgever niet wordt ondersteund door de tekst van de regeling. Deze refereert uitsluitend aan het ROC-breed invullen van de achtergelaten vacature. De werknemer heeft naar het oordeel van de Commissie niet behoeven te begrijpen dat de regeling met de door de werkgever opgevoerde bedoeling is opgesteld, dit temeer nu de positie van de werknemer werd ingenomen door een boventallig personeelslid. Voor zover de regeling op dit punt onduidelijk is vanwege de blijkbaar bij de werkgever levende gedachten over de interpretatie hiervan, is de Commissie van oordeel dat deze onduidelijkheid aan de werkgever valt toe te rekenen en niet ten nadele van de werknemer mag worden uitgelegd. De werknemer dient in aanmerking te komen voor de bonus.
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen