Instemmingsgeschil OER-en HBO

Publicatiedatum:

Zaaknummer: 103184

Download uitspraak (64,0 KB)

Open met leeshulp

Samenvatting

De deelraad heeft geweigerd in te stemmen met de gemeenschappelijke major van twee opleidingen in de OER-en van het studiejaar 2005-2006.In verband met de uitsluiting van het instemmingsrecht ten aanzien van de inhoud en studielast van de opleiding  als genoemd in art. 7.13 lid 2 onder a, b en e WHW, behoort een wijziging van de programmering voor wat betreft de vaststelling van de onderdelen van de opleiding en en de studielast van een of meer onderdelen van de opleiding, niet tot het instemmingsrecht van de deelraad. Wijzigingen in de programmering die hin weerslag hebben op de volgtijdelijkheid van de tentamens en de volgorde waarin gelegenheid wordt geboden tentamens af te leggen, behoren wel tot het instemmingsrecht van de deelraad. Het is de Commissie gebleken dat de deelraad eerst ter zitting duidelijk heeft aangegeven dat hij mede niet heeft ingestemd met de OER-en omdat de logische volgorde in de vakkenopleiding en dus de volgtijdelijkheid van de tentamens in de war is geraakt. Nu de deelraad dit argument niet eerder aan zijn instemmingsweigering ten grondslag heeft gelegd, is de Commissie van oordeel dat het College van Bestuur niet kan worden aangewreven dat het dit argument onvoldoende zou hebben meegewogen. Voorts overweegt de Commissie dat de directeur bij aanvang van het studiejaar 2005-2006 is overgegaan tot uitvoering van de omstreden OER-en en de deelraad zich daar niet tegen verzet heeft door middel van een vordering bij de kantonrechter. Ter zitting heeft de deelraad daarover verklaard dat het voor hem van belang was dat het onderwijs gewoon door kon gaan. Gelet op het beperkte instemmingsrecht van de deelraad, het gegeven dat de deelraad niet bij aanvang heeft duidelijk gemaakt dat het hem mede ging om de volgtijdelijkheid van de tentamens en de deelraad zich niet heeft verzet tegen uitvoering van de omstreden OER-en, is de Commissie van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat het instellingsbestuur niet in redelijkheid tot de voorgestelde OER-en heeft kunnen komen. Een dergelijk oordeel zou ook geen recht doen aan de werkelijkheid en zelfs in strijd zijn met de belangen van de studenten die er immers op moeten kunnen vertrouwen dat zij het gehele studiejaar een opleiding hebben gevolgd op basis van een rechtens geldende OER. Het instellingsbestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel kunnen komen.

Bezoekadres

Gebouw Woudstede
Zwarte Woud 2
3524 SJ Utrecht
Route

Volg ons
Contact
Inschrijven nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen