Interpretatiegeschil art. 10.24 WHW en reglementsbepaling HBO
Samenvatting
Het instellingsbestuur en de CMR verschillen van mening over de vraag of de PMR instemmingsrecht heeft ten aanzien van de besluitvorming met betrekking tot de invoering van de nieuwe functieordening hbo. De nieuwe functieordening betreft een aangelegenheid van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel, als bedoeld in art. 4.5 lid 5 WHW en art. 10.24 lid 1 WHW. Art. 4.5 lid 5 WHW schrijft overleg met de vakorganisaties voor; art. 10.24 lid 1 geeft instemmingsrecht van de PMR aan. Art. 6.2 lid 2 medezeggenschapsreglement bevat een bepaling dat het instemmingsrecht van de PMR niet van toepassing is voor zover overleg gevoerd dient te worden met de vakorganisaties.Het Plan van aanpak is geaccordeerd door de lokale vakorganisaties, zoals voorgeschreven door de CAO-HBO en het instellingsbestuur voert aan dat het instemmingsrecht van de PMR aldus niet van toepassing is. De Commissie oordeelt dat art. 10.24 lid 3 WHW een voorrangsregeling bevat: als de aangelegenheid reeds inhoudelijk is geregeld in of krachtens wet of in een cao, wordt het instemmingsrecht van de PMR niet uitgeoefend. Art. 6.2 lid 2 medezeggenschapsreglement is niet verbindend omdat het in strijd is met de uitputtende regeling van art. 10.24 lid 3 WHW. De CAO-HBO schrijft kaders en procedures voor waarbinnen bepaalde besluiten met betrekking tot de functieordening moeten worden genomen en uitgewerkt, zodat de CAO-HBO in zoverre geen inhoudelijke regeling bevat. Nog daargelaten of kan worden gezegd dat het Plan van aanpak een inhoudelijke regeling inhoudt, kan het niet worden aangemerkt als een cao. Aldus is de beperking van het instemmingsrecht van de PMR op grond van art. 10.24 lid 3 WHW niet aan de orde en heeft de PMR instemmingsrecht op grond van art. 10.24 lid 1 WHW. Voorts is niet gebleken dat het functiebouwwerk voortvloeit uit de reeds met instemming van de CMR genomen structuurbeslissingen.Ten slotte overweegt de Commissie dat de Interpretatiecommissie ex art. S-8 CAO-HBO niet de commissie als bedoeld in art. 4.5 lid 5 WHW is, zodat in het geschil tussen partijen geen bindende uitspraak is gedaan. De Interpretatiecommissie ontleent haar bevoegdheid aan de CAO en interpreteert de CAO-bepalingen. De (geschillen)Commissie ontleent haar bevoegdheid aan de WHW en interpreteert de artikelen 10.17 t/m 10.38 WHW en de bepalingen van het medezeggenschapsreglement. Aan de uitleg van de Commissie van genoemde bepalingen, kunnen uitspraken van de Interpretatiecommissie dan ook niet afdoen.
Trefwoorden
interpretatiegeschil
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen
Trefwoorden
interpretatiegeschil