Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen. Het is aannemelijk dat de Commissie het beroep in de hoofdzaak gegrond zal verklaren.
Samenvatting
Situatie
De werknemer is werkzaam als docent. Op enig moment vindt een gesprek plaats tussen werknemer en werkgever, waarna de werkgever de werknemer naar huis stuurt. De werknemer stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een eenzijdig opgelegde vrijstelling van werkzaamheden en kwalificeert dit als een schorsing. De werkgever stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een schorsing en de vrijstelling van werkzaamheden overeengekomen was met de werknemer.
Uitspraak van de Voorzitter
De gevraagde voorziening wordt toegewezen.
Toelichting
Gebleken is dat de werkgever de werknemer niet heeft gevraagd hoe hij tegenover een vrijstelling van werkzaamheden stond. Het is dan ook niet aannemelijk dat de vrijstelling in overleg tot stand is gekomen. Bovendien heeft de werknemer de werkgever een paar dagen na het gesprek schriftelijk laten weten zich niet te kunnen vinden in de vrijstelling. Desondanks heeft de werkgever hem niet meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden zou kunnen hervatten. Feitelijk is daarmee sprake van een schorsing. Omdat de werkgever de verweerprocedure uit de cao niet heeft gevolgd, is de werknemer geschaad in zijn belangen. Het is daarom aannemelijk dat de Commissie het beroep in de hoofdzaak gegrond zal verklaren.
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel, voorlopige voorziening