Verzoek voorlopige voorziening opheffing schorsing; HBO
Samenvatting
Werkneemster heeft beroep ingesteld tegen de mededeling van de werkgever dat zij in het kader van een reorganisatie volledig van haar taken als onderwijsmanager is ontheven. Zij beschouwt dit als een schorsing en verzoekt tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende opheffing van deze schorsing en wedertewerkstelling. De werkgever voert aan dat er geen sprake is van een schorsing maar van ontheffing uit de functie in verband met reorganisatie. Het beroep is gericht tegen een besluit tot schorsing en zodoende ontvankelijk. De schorsing is voor onbepaalde tijd opgelegd. De werkgever heeft verzuimd de procedurevoorschriften van artikel P-2 CAO-HBO te volgen. De werkneemster is niet op de voorgeschreven wijze in de gelegenheid gesteld zich tegen de opgelegde schorsing te verweren. Daarom kan met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden gezegd dat de Commissie het beroep in de bodemprocedure gegrond zal verklaren. Van zwaarwegende omstandigheden die aan een terugkeer van de werkneemster in haar functie in de weg zouden staan is niet gebleken. De Voorzitter schorst de beslissing en bepaalt dat de werkgever werkneemster dient toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden tot het moment dat de Commissie van Beroep uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Verzoek toegewezen.
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel, voorlopige voorziening
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel, voorlopige voorziening