Verzoek voorlopige voorziening tot opheffing schorsing; HBO.
Samenvatting
De werknemer is door de werkgever meegedeeld dat hij, in afwachting van ontslag, met onmiddellijke ingang al zijn werkzaamheden voor de werkgever dient te staken en dat hij daarbij een schriftelijk overdrachtsdossier dient op te stellen. De werknemer beschouwt dit als een schorsing en verzoekt om opheffing van deze schorsing. De werkgever heeft ontkend dat sprake is van een schorsing. Gebleken is dat de werknemer zijn werkzaamheden feitelijk is blijven vervullen. De werkgever heeft ook uitdrukkelijk aangegeven dat van schorsing geen sprake is en hij heeft de werknemer ook toegelaten tot zijn werkzaamheden. Aldus dient de zinsnede in de brief van de werkgever over de vrijstelling van werkzaamheden gelezen te worden als een dwingend geformuleerde aanbeveling aan de werknemer om de werkzaamheden te staken in afwachting van het ontslag per 1 november 2011. Daarenboven heeft de werkgever bij brief van 17 juni 2011 aan de werknemer aangegeven dat geen sprake is van schorsing en dat de werknemer indien hij dit wil, zijn werkzaamheden kan voortzetten tot 1 november 2011. Aldus is geen sprake van een schorsing zodat de werknemer geen belang heeft bij een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel, voorlopige voorziening
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel, voorlopige voorziening