Verzoeken (2) voorlopige voorziening om opheffing van schorsing; BVE
Samenvatting
De werkgever heeft de werknemer vrijgesteld van werkzaamheden bij wijze van ordemaatregel, en hij heeft deze schorsing verlengd in verband met het voornemen over te gaan tot onvrijwillige beëindiging van het dienstverband. De vrijstelling van werkzaamheden is inmiddels geëindigd, zodat de werknemer geen belang meer heeft bij een voorziening ten aanzien van deze beslissing. Voor de verlengde schorsing geldt dat het naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter in hoge mate onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter zal overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst of dat de Commissie van Beroep het beroep van de werknemer tegen een hem gegeven ontslag ongegrond zal verklaren; dit mede gelet op de leeftijd en positie van de werknemer en gelet op de korte duur van de problemen. De Voorzitter is van oordeel, dat het er alle schijn van heeft dat wordt toegewerkt naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het snel opbouwen van een dossier en het eenzijdig laten escaleren van een conflict dat feitelijk niet lijkt te bestaan. Bovendien zijn minder vergaande maatregelen dan beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet beproefd. Daarenboven kunnen aan de hoofdverwijten die de werkgever de werknemer over zijn functioneren heeft gemaakt niet de waarde worden toegekend die de werkgever er aan hecht. De verzochte voorziening wordt toegewezen.
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel, voorlopige voorziening
Organisatie
Zaakbehandeling
Contact
Inschrijven nieuwsbrief
Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen
Trefwoorden
schorsing werknemer als ordemaatregel, voorlopige voorziening