Beschikking Ondernemingskamer inzake beroep tegen uitspraak LCG WMS over vergoeding kosten van het raadplegen deskundige en het voeren van rechtsgedingen

Publicatiedatum:

Samenvatting

Op 22 maart deed de Ondernemingskamer uitspraak in het hoger beroep dat een bevoegd gezag van een stichting had ingesteld tegen een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) (uitspraak LCG WMS d.d. 8 november 2024, zaaknummer 50405). De Ondernemingskamer verklaarde het hoger beroep op één onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond.

Toelichting

Uitspraak LCG WMS
De MR had zich door een gemachtigde laten adviseren over de instandhouding van een school. Het bevoegd gezag wees het verzoek om vergoeding van de advieskosten af. Daarop legde de MR een nalevingsgeschil voor aan de geschillencommissie over de vergoeding van de kosten van het raadplegen van een deskundige en van het voeren van rechtsgedingen. De geschillencommissie wees de verzoeken van de MR toe. Tegen deze uitspraak stelde de stichting beroep in bij de Ondernemingskamer.

Oordeel Ondernemingskamer
De Ondernemingskamer volgt grotendeels de uitspraak van de Commissie. Met de LCG WMS is de Ondernemingskamer van oordeel dat de instandhouding van de school voor de MR een belangrijk vraagstuk was. De gemaakte advieskosten waren naar het oordeel van de Ondernemingskamer redelijkerwijs noodzakelijke kosten.
Verder geldt als uitgangspunt dat de kosten van rechtsbijstand in een geschil bij de LCG WMS en de Ondernemingskamer in beginsel worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, die de stichting dient te vergoeden. De Ondernemingskamer matigt wel de hoogte van de vergoeding voor deze kosten voor rechtsbijstand. De gefactureerde bedragen staan niet in verhouding tot de aard en de omvang van het onderhavige geschil.

Bezoekadres

Gebouw Woudstede
Zwarte Woud 2
3524 SJ Utrecht
Route

Volg ons
Contact
Inschrijven nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van de laatste uitspraken en adviezen van de commissies van Onderwijsgeschillen